
Al is de volksgeneeskunde oeroud, toch willen
we het dossier van de geneeskruiden openen met een hoofdstuk over planten,
werkzaam op een gebied dat momenteel "in" is, dat van de: contraceptie.
Het voorkomen van zwangerschap heeft de mens
bezig gehouden van in de vroegste oudheid; zelfs de primitiefste volksstammen
hebben naar middelen gezocht om dit doel te bereiken.
Sinds zeer lange tijd, gebruikt men planten of
uittreksels hiervan als middelen die de vruchtbaarheid verminderen.
In de loop der jaren werden vele Van deze
planten verlaten, omdat hun werking onzeker bleek.
Na recente grondige wetenschappelijke studies werd een groot aantal planten
weerhouden, die inderdaad, de vruchtbaarheid verminderen.
In alle plantengeslachten vindt men ze terug:
het blijkt evenwel, dat sommige families van planten rijker zijn aan deze
kruiden; vooral de familie der Leguminosae of' peulvruchten is zeer actief.
Een plant, evenwel geen peulvrucht waarvan de
vruchtbaarheidsverminderende eigenschappen bewezen zijn, en die hier bij ons
voorkomt, is de hop. De hop, echter, wordt door sommige van onze mensen gebruikt
omwille van zijn slaapverwekkende eigenschappen
De wetenschappelijke naam van de hop is HUMULUS LUPULUS L.
De naam HUMULUS zou volgens de meeste botanici uit de
Middeleeuwen stammen en van Slavische oorsprong zijn; namelijk chmeli = hop;
volgens andere plantkundigen zou het van het Germaanse humul, humela afstammen;
tenslotte beweren nog andere dat het zou afgeleid zijn van het latijns werkwoord
humere dwz. vochtig zijn, juist omdat hop een vochtige bodem zou nodig hebben om
te kunnen groeien.
Bestaan er dus meningsverschillen over de herkomst van de
geslachtsnaam Humulus, over de soortnaam LUPULUS daarentegen is men het roerend
eens. LUPULUS is het verkleinwoord van het latijnse
woord "lupus" en betekent kleine wolf. Waarschijnlijk omdat de hop de planten
rond dewelke hij zich naar boven slingert, als het ware wurgt.
De hop heeft een zeer oude geschiedenis.
Aanvankelijk werd de hop meer als sierstruik geplant dan als geneeskruid. In de
negende eeuw staan Humalaria, ttz. Hoptuinen, reeds vermeld in de oorkonden van
het klooster Freisingen bij Neichelbeck in Zuid Beieren.
Hop komt voor in het herbarium van Apuleus, en meer bepaald in de Engelse
versie, die verschenen is in 1050. Toen reeds werd hop als geneeskruid
aangeprezen.
In de zestiende-eeuwse kruiden boeken wordt de hop
steeds vermeld.
Vindplaats:
Men vindt de hop in gematigd Europa; bij ons, dus ook in onze gemeente komt
de hop in het wild voor. Men vindt de plant in heggen, in kreupelhout, vochtige
bossen en bosranden.
Hop wordt in België en andere landen in grote hoeveelheden verbouwd.
Beschrijving
De hop behoort tot de familie der moerbeiachtigen (Noraceae). Het is een
overblijvende, struikige, rechtswindende slingerplant. De plant wordt soms tot 5
meter hoog en windt zich met haar stengel om andere planten, bomen of heggen. Ze
heeft een sterke wortelstok, waarvan de vertakte wortels tot 3 meter diep de
grond indringen. De bladeren van de hop zijn tegenover elkaar staand; ze zijn
drie- tot vijflobbig, spits toelopend, grof gezaagd en lang
gesteeld. Aan de
basis van de bladeren bevinden zich dikwijls eivormige, spitse, dikwijls
paarsgewijs staande steunbladeren.
De hop is tweehuizig, dit wil zeggen, de mannelijke en de vrouwelijke bloemen
groeien op twee verschillende planten.
De mannelijke bloemen staan in overvloedige, geelgroene, okselstandige ribben.
De vrouwelijke bloemen vormen kegelachtige, eivormige, geelgroen gesteelde
vruchtkegels, "hopbellen" genoemd, met een lengte van 2 tot 5 cm.
De dekschubben zijn met klieren bezet. Beklopt men de vrouwelijke
bloemen, dan vallen er gelig-rode klierharen en schubben uit. Dit gelig poder
met een typisch aromatische geur noemt men "hopmeel", (of:
Glandulae lupuli of lupulinum).
Van de hop gebruikt men de hopbellen of vrouwelijke bloempjes.
Ze worden verzameld van augustus tot september. Begin augustus dus bij het
begin van het rijpen, plukt men de nog geel-groene gesloten vruchten. Dikwijls
gebeurt het dat hopbellenplukkers, vooral dan zij die het nog niet gewend zijn,
een sterke neiging tot slapen ondervinden. De hopteelt kent ook zijn
beroepsziekten: misselijkheid, slaperigheid, zenuwachtigheid, huidprikkeling en
huiduitslag als jeukende blaasjes aan handen, gezicht en geslachtsorganen, en
tenslotte oogslijmvlies-ontsteking. Het is typisch dat bovengenoemde
verschijnselen vooral bij vrouwen optreden. Het is evident dat diezelfde
symptomen enkel voorkomen in de hopteelt; en eerder zelden bij het plukken van
hopbellen van in het wild groeiende planten.
Eens geplukt moeten de hopbellen ook gedroogd worden; voor huiselijk
gebruik gebeurt dit op gespannen doeken of op rekken.
Voor industriële toepassingen gebruikt men drooginrichtingen, waarin de
hopbellen dan kunstmatig gedroogd worden bij een temperatuur van 40-50°C
De vruchtjes openen zich bij het drogen.
Wil men hop bewaren, dan moet dit droog geschieden hop moet tevens tegen het
licht beschermd worden omdat anders eer ontaarding optreedt.
De hoofdbestanddelen van hopmeel zijn twee zeer bittere harsachtige stoffen,
humulon en lupulon.
hopmeel bevat verder volgende actieve stoffen: etherische olie, looistof,
choline, trimethylamine en asparagine, alsmede dextrose of druivensuiker, vet,
eiwit en mineralen.
Zeer onlangs werden er ook stoffen met een oestrogeen werking in terug gevonden.
Industrieel gebruik
Wij weten reeds dat hop in grote hoeveelheden verbouwd wordt. Meer dan 50.000
ton wordt jaarlijks in de wereld verbruikt. Veruit het grootste deel gaat naar
de bierbrouwerijen.
het is vooral om haar bitterstoffen dat ze gebruikt wordt bij het brouwen. Deze
stoffen geven aan het bier een kruidige smaak en wekken tevens de eetlust op.
Andere stoffen van de hop doen het bier beter bewaren, omdat ze beletten dat
melkzuurbacteriën zich zouden ontwikkelen, die het bier troebel maken en doen
bederven.
Het bier heeft zijn kalmerende en loom makende werking te danken, enerzijds aan
zijn alcoholgehalte, anderzijds aan zijn bitterstoffen.
Geneeskundig gebruik
Zoals we hoger zagen kwam de hop reeds voor in het Herbarium van Apuleus van
1050; er werd hierbij opgemerkt dat de hop goede kwaliteiten bezit, indien ze in
de dagelijkse dranken wordt gedaan.
In zijn "Cruydeboeck" van 1554 schrijft Dodoens over hop het volgende:
"Kracht ende werkinghe"
Hoppecruyt ghesoden ende ghedroncken opent die verstoptheyt van der lever/milte
ende van den nieren ende suyvert dat bloet van alle onsuyverheyt die selve duer
die urine afjaghende: ende es mits dyen goet den ghenen die scorft ruydich oft
anders ghebreckelijck sijn ende onsuyver bloet hebben. Tot den selven sijn oock
die jonghe spruytkens goet die in die Meerte ende April utscieten in plaetse van
salaet ghegeten.Tsap van hoppecruyt inghenomen maeckt camerganck ende jaecht af
die geele cholerijcke humoeren ende alle onsuyverheyt van den bloede. Dit selve
sap in die ooren ghedaen reynicht die onsuyver ooren ende verdrijft alle stanck
daar ut.
Twee eeuwen later wordt de hop nog steeds als geneeskruid gebruikt. De
Pharmacopee van 1747 zegt het volgende: "Deszelfs eerste uitspruitzels wort een
Pisdryvende en uitwazeming bevorderende kracht toegeschreven. De bellen en zaden
versterken de maag, bevorderen de maandstonden en geven het bier zyn bitterheit;
ook beletten ze dat het schielyk zuur' wort. "
Samengevat kunnen .we zeggen dat hop werd gebruikt bij verstopping, tegen te
weinig urineren en bij het uitblijven van de maandstonden.
Ook uitwendig werd hop(meel) gebruikt in de vorm van zalven en baden bij
gezwellen, eczeem, slecht helende wonden.
Vooral in de smaak waren vroeger de zogenaamde HOPKUSSENS; het hoofdkussen werd
met hopbellen gevuld en de slapeloze kon slapen. Er moet,evenwel,opgemerkt
worden dat die hopkussens nogal dikwijls een lichte verdoving veroorzaakten.
In onze moderne tijd wordt hop vooral gebruikt als mild werkend slaap- en
kalmeermiddel.
Zo ken ik mensen van bij ons, die nog altijd, tijdens de maanden augustus en
september, de hopbellen gaan plukken van de hier in het wild voorkomende
hopplanten. Uit deze hopbellen maken ze dan thee op de volgende manier: in het
algemeen giet men twee koppen kokend water over 2 -3 soeplepels hopbellen (= 6
tot 8 hopbellen); men laat een tiental minuten trekken en giet het brouwsel dan
door een doek of zeef. Wil men eens goed slapen dan drinkt u het ganse brouwsel
uit, een half uur voor het slapengaan. Gebruikt men het als kalmeermiddel of
middel voor de maag, dan drinkt men het mengsel met slokjes, verdeeld over de
ganse dag.
Zo gebruikt men hop in gevallen van opwinding, prikkelbaarheid, lichamelijke
onrust, slapeloosheid van zenuwachtige oorsprong en tenslotte bij maagklachten
van nerveuze aard.
Omwille van haar bitterstoffen, stimuleert zij de maag en wordt dan ook als
licht werkend maagmiddel gebruikt.
Zij is tevens urineafdrijvend (=diureticum): om die eigenschap wordt ze
gebruikt bij nierzwakte en blaasverlamming.
Zoals hoger reeds aangehaald bevat de hop volgens zeer recente
ontdekkingen stoffen met een oestrogeen werking, dwz stoffen, wiens werking te
vergelijken is met die der vrouwelijke geslachtshormonen, en dat voorkomen in de
klassieke pil. Hierop steunt dan het vermogen van de hop om de vruchtbaarheid te
verminderen, eigenschap die nog verhoogd wordt door de kalmerende werking van de
hop.
Uitwendig wordt de hop praktisch niet meer gebruikt.
R. GEYSENS
Bibliographie:
Cruydenboeck van DODOENS , 1554
Pharmacopee van 1747
Handboek der geneeskruiden ( Dr. S. Börngen)
Geneeskruiden,Deel I (W. F. Daems)
Onze Volkstaal door Kruiden en Artsenijen ( Vandenbussche)
Geïllustreerde FLORA VOUR ZUID-I\EDERLAND (Enckels en G .Gielen)
Geïllustreerde FLORA VAN NEDERLAND (Heimans,Heinsius,Thijsse)
VETERINARIA et VEGETABILIA (Vanden.bussche)
LA SANTE grace aux plantes (Mathieu)