Inleiding
Wanneer we in het voorjaar rond onze woning of wellicht toevallig tijdens een
wandeling het architectenwerk van onze grote vogelfamilie gade slaan, dan treft
het ons elk jaar opnieuw, met welk een vakmanschap en metselwerktechnieken deze
kleine diertjes hun woning bouwen.
Elke vogel kiest zijn eigen specifieke plaats
uit en bezigt daarvoor zijn kenmerkende materialen. Zo weet u dat een holte in
een boom een ideale woongelegenheid biedt aan spechten en mezen. Instinctmatig
de zonzijde en de regenkant.
Op dezelfde wijze hebben onze voorouders zich
ook moeten beschermen tegen koude en warmte. Waar zich grotten bevonden werd er
van deze omgeving nuttig gebruik gemaakt, terwijl hier in onze gewesten boven
moerassen paalwoningen verschenen en op vaste bodem hutten gebouwd werden van
hout en gebladerte. De duurzaamheid was ook bij deze oermensen een zaak van
eerste rang. De hevige stormen, stortvlagen, sneeuwbuien en de lange droogtes
maakten van deze geïmproviseerde huisjes een weinig doeltreffende bescherming.
Daarom wil ik in dit artikel niet zozeer de
bouwplaats belichten dan wel de manier van bouwen, ofschoon de plaats even
interessant lijkt dan de structuur.
Als we de huidige inventaris nagaan van onze
lemen huizen en schuren blijkt het lokale patrimonium erg gehavend. De grootste
vijanden zijn de weersgesteldheid en de welvaart, maar diverse oorlogen die in
onze streken hebben gewoed eisten eveneens hun tol, vermits de legers die door
de dorpsstraten trokken, niet zelden hun rokende sporen achterlieten.
Een hoog percentage aan lemen gebouwen bewijst vanzelfsprekend dat er in ons
dorp als het ware geen hoogconjunctuur heerste. Het bestaan van slechts enkele
stenen huizen, buiten het kerkgebouw, houdt vooral een sociaal aspect in. Deze
eenvoudige lieden waren, op enkele uitzonderingen na, allemaal minderbedeelden
die leefden van hun agrarische opbrengst. De levensfactor stond hier namelijk in
functie van hun dieren en gewassen. Er werd dan ook alleen volgens dit patroon
gebouwd. Een zelfde oerelement vinden we terug in de Scandinavische landen, waar
ook reeds zeer vroeg met leem en stro gewerkt werd.
De openluchtmusea in binnen- en buitenland
bieden u een prachtige gelegenheid om u een overzichtelijk idee te vormen van de
nog resterende exemplaren.
Onze
contreien
In de kleine
boerderijtjes was de kern van de gebouwen niet zozeer het woonhuis of de
woonkamer, waar men slechts op zondag kon uitrusten. De essentie lag vooral in
de binding tussen het woonhuis, de stal, de schuur en het neerhof.
Baltersem of Bautersheim, gelegen op de
drempel van het Hageland en Haspengouw, kende geen eigen bouwtrant, doch heeft
een traditionele en in zwang zijnde bouwwijze, die goedkoop moest uitvallen en
een optimale ruimte bood aan mens en dier, blindelings nagevolgd. De gebouwen
zijn daarom moeilijk in hun juiste bouwjaar te plaatsen en te dagtekenen.
Onze gemeente kende helaas meerdere unieke
lemen huizen, doch de vooruitgang en de ontwikkeling van de boerenstand hebben
ze stilaan verdrongen en ze werden vervangen door stenen huizen. Wij dachten
onze verloren schatten eerst aan bod te laten komen om ze voor altijd fris in
het geheugen te kunnen bewaren.
Leembouwtypes
|
Kempisch en
Hagelands |
Brabants |
Het verdwenen "Kaashuisje" van Kerkom
Jammer genoeg werd een mooi boerderijtje op
de Malendries in Kerkom enkele jaren geleden
gesloopt. Dit gebouw bood ons een
uiterst gaaf bewaard voorbeeld van de eenvoudige manier van leven van onze
voorouders.
De eigenaar, Louis Bogaerts, had geen nakomelingen toen hij in november 1968
overleed. Het typische "kaashuisje", zoals de mensen het noemden bleef onbewoond
en kwam in vervallen staat. De stappen die werden gedaan naar Professor Weyns,
hoofdconservator van Bokrijk, om het gebouw te beschermen, bleven zonder
resultaat. Uit het deskundig onderzoek bleek dat het geraamte van dennenhout was
en niet in aanmerking kwam voor mogelijke afbraak en overplanting naar het
Openluchtmuseum in Bokrijk. Zo bleef dit unicum dan bij ons om later verkocht en
afgebroken te worden.
De volgende tekeningen en beschrijvingen
zullen u echter doen betreuren dat dit kleinood verdwenen is. Het oud lemen
boerderijtje stond op het nummer 42 van de toenmalige Lubbeekstraat in Kerkom.
Het lag verscholen achter knoestige olmen. Voor de verbreding van de weg er kwam
was de westgevel aan de straatkant nog beschermd met een hoge haag, op dezelfde
afmetingen gesnoeid als het gebouw zelf. Sinds de afschaffing van dit typische
windscherm werd de strooien bedekking van de westgevel vernieuwd in stro.
Een zeldzaamheid van het gebouw , een uitstekend kaashok of kaasdroger op de
eerste verdieping in de zijgevel, werd hierdoor veel meer zichtbaar. Later werd
het kaashok met leem bestreken om als duiventil te dienen. Oorspronkelijk was
dit een nadien aangehechte houten kooi uit latwerk, waar de kaas, ver buiten het
bereik van dieren, gedroogd werd. De tekening laat deze toestand zien.Dergelijke
kaashokken zijn uiterst zeldzaam geworden. Zij waren ook gekend in Limburg. Er
is een exemplaar in Groot Gelmen. In het openluchtmuseum van Bokrijk kun je een
voorbeeld van zulk een kaashok bekijken in een huis uit Hoeselt. In zuid Brabant
nabij Nivelles is eveneens nog een te vinden. In de boerderij van de heer Van
Der Noot te Kortrijk Dutsel werd het kaastorentje vorig jaar (1972) afgebroken.
De lemen muren van ons exemplaar te Kerkom waren wit gekalkt met rood geverfde
plint en het stond op een ruwe stenen fundering. Enkele tientallen jaren geleden
werd de dakbedekking in stro vervangen door Vlaamse pannen. Het dubbele venster
(ramen omstreeks 1850) met groene buitenluiken droeg de moerbalk op zijn
middenstijl. Boven de lage ingangsdeur was er een rariteit onder de vorm van een
vaste vogelkooi (nadien venstertje) die binnenshuis voortgezet werd boven het
tochtportaal. Op die manier kon de vogel zowel binnen als buiten fluiten. De
woonkamer was verrassend gaaf bewaard, ze had witgekalkte muren met rode plint
en een rode tegelvloer, vijf binnendeuren, een open Vlaamse schouw met nis voor
de tondeldoos en een zeer oud exemplaar van een smalle Leuvense stoof (koperen
handvaten en drie lange poten) en een berookte houten zoldering. De twee
slaapkamers, die verlicht werden door zeer kleine vensters, waren nog voorzien
van aangestampte roodgeverfde leem "tras" als vloer. Tussen het hoog dak van de
woning en de schuur hing het opmerkelijk lager pannendak van de stal terwijl het
klassieke langgeveltype doorgaans een doorlopend dak vertoonde boven die drie
delen van de woning. Dit scheen geen verbouwing want de lemen muren waren ook
lager. De schuurgevel boven de stal was nog met stro bedekt en de zijgevel van
het woonhuis was in leem. De schuur was in drie vakken verdeeld door twee
dakstoelen met middentas voorzien van voor- en achterdeur.
De naastgelegen woning
Het naburig huis nummer 40, in baksteen
herbouwd, en zeer bouwvallig, vertoonde nog een strooien zijgevel en een
woonkamer met aangestampte leemvloer. De buitendeur met een merkwaardig slot in
renaissancestijl en gans beslagen met spijkers was afkomstig van de vroegere
pastorij ( begin 1600) die bij de verwoesting in 1635 is afgebrand.
De lemen hoeve in Bijvoorde
Op de chorografisce kaart van
Fricx anno 1744 wordt "Bivorde" als gemeenteplaats genoteerd, gelegen tussen
Kerckum en Roosbeeck. Het gehucht bezit een historische alsook toponymische
waarde. Bovendien kende Bivorde met zijn verstrooide huisjes reeds omstreeks
1300 een belangrijke versterkte plaats. Daar waar de Vloedgracht uitmondt in de
Velpe stond een met een diepe gracht omwalde hoeve met vlak in de buurt een
watermolen. In deze rustige omgeving midden de beemden en weilanden moeten we
deze lemen boerderij plaatsen. Het decor van de achtergrond werd gevormd door de
hierboven vermelde versterkte hoeve. De eigenaar is de bijna 90 jarige boer
Englebert Vranckx. Omwille van zijn omvangrijke structuur moet deze hoeve rond
1800 een bedrijvige boerderij geweest zijn. Het geheel geeft aan de bezoeker een
complexe indruk en biedt een pittoresk uitzicht. Het woonhuis aan de straatkant
is het oudste gedeelte van het pachthof. De omringende stallingen met aan de
zuidkant een ruime schuur werden in een latere
periode bijgebouwd.
Oorspronkelijk was de woning een Kempisch of Hagelands langgeveltype. Door de
jaren heen en na verbouwingen heeft het geheel het uitzicht van een halfgesloten
Haspengouws type. Gans het gebouw rust op de traditionele stenen sokkel. Het
woonhuis met zijn laag afhangend dak aan de straatkant had vroeger een
strobedekking evenals de beide zijgevels. Na de eerste wereldoorlog werd het
stro vervangen door Vlaamse pannen.Ook beweert de eigenaar dat er vóór de
herstelling van de westelijke gevel een kaashok was ingebouwd dat nadien is
verdwenen.
door J.A.T.