|
Voor de
"wedersamenstelling" van het hardnekkig gevecht dat nu, haast 60 jaar geleden, namelijk op 19
augustus 1914 in onze gemeente, en meer bepaald op de oude Vijvers, geleverd werd
tussen het 3de Linieregiment en de oprukkende Duitsers en waarbij aan
Belgische zijde 21 officieren en soldaten sneuvelden, zullen we beroep doen op geschiedkundige,
militaire en kerkelijke dokurnenten, alsmede op de gegevens van de burgerlijke stand.
Ook de verklaringen van dorpsgenoten, die in mindere of meerdere mate getuigen geweest zijn van
dit treffen, zullen van grote waarde zijn. In verband hiermee verheugen we ons ten zeerste
om het enthousiasme waarmee deze personen met ons wïllen samenwerken. Wij beseffen heel goed
dat deze getuigenissen in de loop der jaren aan preciesheid ingeboet hebben, maar dit neemt niet
weg dat we, door het verzamelen van al deze gegevens, tot een beter inzicht zullen komen van
hetgeen er zich op 19 augustus 1914 in onze gemeente afgespeeld heeft. Tevens zullen we een
klaardere kijk hebben op de sfeer, de gemoedstoestand die er onder onze bevolking heerste, niet
alleen tijdens de eerste oorlogsdagen maar ook gedurende het ganse verloop van de Eerste
Wereldoorlog.
Dat het gevecht van de Oude Vijvers hevig moet geweest zijn, wordt onder meer bewezen door de
weerklank die het had in de oorlogsliteratuur van de jaren 1914 - 1918. Getuige hiervan een
boek, geschreven door René Vermandere, waarin deze het gevecht van de Oude Vijvers uitvoerig
beschrijft. Het boek is getiteld "THIJL SPERREMAN "; het bestaat uit twee delen en werd in 1927
uitgegeven door de Maatschappij " Voor God en 't Volk ", Huidevettersstraat in Antwerpen. Ons
interesseert vooral het tweede boekdeel en meer bepaald het eerste hoofdstuk " EEN TEGEN HONDERD".
Hierin verhaalt Vermandere wat de hoofdacteur van het boek, Thijl, meemaakt op die bewuste dag
"dicht bij Boutersem" volgens Vermandere, maar in werkelijkheid op de Oude Vijvers te Boutersem.
Wij zijn er ons wel van bewust dat de schrijver hier geen evangelie verkondigt; het is geen
historisch naslagwerk, wat men trouwens, van een romanschrijver als Vermandere niet mag
verwachten. Tenslotte weze nog opgemerkt dat de naam THIJL.en alle andere, die in de tekst
voorkomen, pseudo-namen zijn.
Wij geven hierna de tekst van dit eerste hoofdstuk ongewijzigd weer.
R. GEYSENS,.
Enkele dagen later dicht bij Bautersem,
nam Thijl deel aan een gevecht, waarbij tot den laatsten Belgischen meedestrijder bijna,
het leven liet.
Het was er niet langer uit te houden, en al die hier nog standhield, geraakte in dien staat van
halve bewusteloosheid die den schrik wegneemt, het gevaar verbergt, en het denken verhindert.
De gezichtseinder, beperkt tusschen bosch en steenweg, was ééne vuurlinie. Aanhoudend spuwde
het woud grijze jassen die de gevallene kwamen vervangen, met automatische regelmatigheid.
De Belgen kregen weer het vage besef dat er geen doodschieten aan hielp, en het heele Duitsche
leger daar bijeen stond getroept, veerdig als 't moest, om een volle jaar kersversche krijgers
te verstrekken,
-'k Geloof dat ze ze weer recht zetten schreeuwde Thijl in Mane's oor, terwijl hij, even als
zijn maats, plat op den buik liggend, zijn geweer warm hield, en menigen mof onderste boven
deed tuimelen.
De houwitsers donderden bedicht en bedichter neer. Stellig vielen zij uit de wolken.
Karrevrachten eerd deden zij naar boven vliegen, als spuwde de akker van walg bij de
wraakroepende ongelijkheid van dat moorddadig kampen. Wolken van stof en zand waarden in
dezen doodelijken dampkring, waar de lucht bevangen werd en het ademen bemoeilijkt.
Wat hielp het er aan, dat de draaiers of helpers aan den akeligen kleppermolen die de vijand
aan den steenweg had opgesteld, werden omgeblazen, keer voor keer.
Er kwamen weer nieuwe
dienaars van den dood opdagen. De akelige fonctie mocht niet onderbroken.
Dat ratelde en knetterde aanhoudend, en zoo voos was op den eind het gehoor der strijders
geworden, door dien heelen nanoen geweldig en moorddadig gerucht, dat het hun toescheen
als stonden zij enkel eene hagelbui met donder onder een glazen dak uit.
-Amei, de Werviksche toebak met zoo'n vlage ", riep een Westvlaming uit Thijls groep.
Kapitein Somville stond achter een reuzenpopulier dicht den boomgaard der hoeve,
waartegen de vijand de Belgen gedreven had.
Zijn uitgesmoord bruin houten pijpken stak nog tusschen zijne tanden, die hij in een
soort grijnslach liet zien, gelijk een gesarde hond voor hij toeknapt.
Hij had de
kardoezen en roer van een armen stumperd genomen, die aan zijne zijde gedood, als een
St.Andrieskruis.op den rug lag uitgestrekt.
Hij stond daar blootshoofds, met verkrampte
wezentrekken. Aan zijn zilveren, net gekamd haar,ontbrak nog geen pijltje.
Telkens hij
mikte om zijn man niet te missen, beefde zijn lang wit geitenbaardje van woede en
spuwde hij allerhande beleedigingen, Fransche en Vlaamsche dooreen, naar de Duitschers,
zijn gemoed met dezelfdee drift ontladend als zijn geweer.
-Albochen, vauriens, smeerjokkels, canailles!...
Maar zie! daar bemerkte hij dat vijandelijke soldaten de glooiing van den steenweg opklaferden,
en zouden pogen de Belgen links aan te vallen.
Juist op dat oogenblik werden de mitrailleuzen vooruit geschoven, en hield de moorddadige
hagel enkele seconden op. "
(
wordt vervolgd)
|