
In het vorig nummer van Velpeleven hebben we kennis gemaakt
met de volksgeneeskunde, en meer bepaald met één tak ervan, nl. de geneeskruiden.
De volksgeneeskunde beperkt zich, evenwel, niet tot het gebruik van middelen, afkomstig uit het
plantenrijk, al haalt ze hier het grootste deel van haar remedies. Ook het dierenrijk is een
bron van geneesmiddelen, terwijl de minerale stoffen eerder een bescheiden plaats innemen.
Verder spelen de "wonderdoktoors" of "kwakzalvers" een grote rol. Hiertoe behoren ook de
zogenaamde "rebouteurs" of "krakers" ; zij hebben zich gespecialiseerd in het genezen van
ontwrichtingen en beenbreuken.
Buiten de volksremedies van plantaardige, dierlijke en minerale oorsprong, en het optreden van
de wonderdoktoors, kent de volksgemeenschap nog een derde "heilmiddel" tegen ziekten, namelijk
het beroep op buitenaardse machten en krachten door aflezing of bezwering, en het overdragen van
de kwaal.
Er weze hierbij opgemerkt dat de praktijken van de volksgeneeskunde zeker nog niet tot het
verleden behoren, evenmin als het aflezen en het bezweren.
Het is opvallend hoe hardnekkig de meeste volksgebruiken weerstand bieden aan de tand des tijds;
nog steeds heeft de "echte" volksmens meer vertrouwen in de natuur dan in de wetenschap. Dat wordt
dan ook weergegeven in liederen en gezegden; één hiervan, dat thans nog in sommige streken van
ons land kan gehoord worden, is het volgende
"Houdt hoofd en hersens koel,
Handen en voeten
warm.
Gesmeerd zij maag en darm
Mond en achterpoort open
En laat de doktoors lopen."
Laten we dit alles even van dichterbij bekijken.
Het ingeboren streven naar zelfbehoud bracht de oermens er
toe uit te kijken naar een heilmiddel voor zijn kwalen. Wij kunnen ons voorstellen hoe dit moet
gebeurd zijn. Zijn onmiddellijke omgeving, m.a.w. de natuur rondom hem, was ook zijn zoekterrein.
Het "heilmiddel" zou hem geleverd worden door de planten, dieren en mineralen in zijn onmiddellijke
nabijheid. Hij zoekt en beproeft alles tot hij "het middel" vindt dat "helpt".
- Hij selecteert dus -.
Dat middel, dat hem geholpen heeft, wordt als goed, als doeltreffend,
bestempeld en het gebruik ervan wordt dan ook aanbevolen.
Volgen we nu de persoon bij wie een
"geneesmiddel" aangeprezen wordt; deze zal het middel zo maar niet aanvaarden. Van nature uit
zal hij er wantrouwig tegenover staan. Hij zal maar overtuigd zijn nadat hij weet of het "middel"
reeds geholpen heeft, bij wie en wanneer. En pas hierna zal hij het zelf beproeven. Is deze test
positief , m.a.w. wordt ook hij geholpen, dan zal men weer anderen trachten te overreden tot
hen nemen van "het middel" , hierbij verwijzend naar zijn "succesvol" geval.
En zo heeft de ondervinding, de ervaring, van onze voorvaderen geleid tot de kennis, die van
generatie tot generatie overgeleverd, terug te vinden is in de volksgeneeskunde of anders
uitgedrukt in de "huisgeneeskunde".
De weg die de volksgeneeskunde heeft moeten afleggen is lang geweest; juist omdat de ervaring
slechts geleidelijk de geneeskracht van planten, dieren en mineralen erkent en ook omdat de
resultatén veelal van het toeval afhangen.
Maar niet alleen de mens heeft in de loop der tijden ervaren welke "middelen" genezing brengen
voor hun kwalen ook bij de dieren stelt men hetzelfde vast.
Plinus schreef 2000 jaar geleden "De vogels en andere wilde dieren tonen aan de mens welke
planten er nuttig zijn voor zijn gezondheid; de dieren zoeken zelf de geneeskrachtige kruiden
op. Zij nemen wat hun heilzaam is en laten de rest achter, laat ons hetzelfde doen en trachten
wij die planten op te sporen die voor ons gestel, dat ziek is, geschikt zijn."
Algemeen wordt thans erkend dat de wilde vleesetende dieren naar het plantenvoedsel
overgaan van zodra zij zich niet wel vóelen; instinctmatig zoeken zij en vinden zij ook die
planten', die zij nodig hebben om zich te voeden en te genezen.
We moeten echter niet naar de
wildernis gaan om deze verschijnselen waar te nemen. Inderdaad, in onze gewesten zelf, doet
zich hetzelfde voor.
Slaan we even onze plantenetende huisdieren aandachtig gade; welnu, zij onthouden zich
instinctmatig van het afgrazen in de weiden van planten die schadelijk voor hen zijn (bijv. de
ranonkelachtigen) en wanneer zij ziek zijn, zoeken ze die op die hen genezen.
Zelfs de hond en de kat, huisdieren die zich doorgaans nooit met planten voeden, trekken naar
de hof, de weide of het veld wanneer ze zich ziek voelen en men kan ze planten zien zoeken en
opeten om te genezen.
R. Geysens.