Weet gij dat er in de middeleeuwen in Kerkom' een klooster heeft bestaan?
Een kleine gemeenschap van zusters van de orde van Citeaux is er zich komen vestigen, in het begin der
13e eeuw; rond 1200 volgens sommigen, rond 1207, volgens anderen. Het is nochtans niet in onze
gemeente dat zij ontstond. Indien men de geschiedschrijver van de gelukzalige Ida van Nijvel
(Codex van de Koninklijke Bibliotheek van Brussel) moet geloven, kwam deze gemeenschap (bij wijze
van uitzwerming?) uit een andere plaats waarvan de naam ons niet is bewaard gebleven.
Zij vestigden zich in een bijgebouw van de hoeve Velphoven, nu eigendom van de Kommissie van
Openbare Onderstand van Leuven. Dit grote eigendom behoorde toen waarschijnlijk toe aan ridder
Gosuin, heer van Opvelp of Velp, of aan zijn ouders, vermits diezelfde Gosuin in 1922 (??) het
eigendot opeist, na het vertrek van de zusters. Daar die ridder en zijn echtgenote Margareta, naar
de getuigenis van Phorias a Kempis, zeer godsdienstige mensen waren, is het niet te verwonderen,
dat ze aan de zusters het genot van heel het goed hadden afgestaan met de ongeveer 60 hectaren
land, weide, bossen en heide en waarschijnlijk rijkelijk waren tussengekomen in de onkosten voor
de inrichting van het nieuwe klooster.
De kloostergebouwen bevonden zich klaarblijkelijk in de noordoostelijke hoek van het grote stuk
grond van 16 hectaren, ingeschreven op het kadaster onder het nummer 275, sectie
A, en dat nu nog de naam draagt van
Grote Elzenbos. Ten zuiden van die hoek, op
de boord van de weg die langsheen
het hof Velphoven naar Lubbeek loopt, dicht bij het hoogste punt van Kerkom, staat een kapelletje,
gekend onder de naam van O.L.Vrouw van de Boskant. Dit kapelletje werd tijdens een storm in 1973
verwoest door een omvallende boom, maar zal aanstaande zomer heropgebouwd worden. Naar het zeggen
van inwoners van de parochie heeft men, tussen 1860-1870, bij het ontbossen van de grond, op een
50 meter achter die kapel naar het westen toe, nogal grote stenen grondvesten gevonden, alsook een
grote onderaardse plaats, afgesloten door een overgrote arduinsteen, Het is spijtig dat er niemand
er toen aan gedacht heeft, een plan op te maken van die onderaardse bouw, nu verdwenen, en die, naar wij
menen deel uitgemaakt zal hebben van het klooster. Dit plan had ons enig gedacht kunnen geven van
wat de gebouwen zelf waren.
Enige jaren vroeger had men op dezelfde plaats een kruisbeeld opgedolven. Volgens de geschiedschrijver
Gramage, zag men er nog in zijn tijd, in het begin van de 17e eeuw, de overblijfselen van dit oude
klooster boven de oppervlakte van de grond uitsteken. Later werden de puinen helemaal weggehaald en de grond werd bebost.
De cisterciënzerinnen waren sedert enkele jaren te Kerkom gevestigd, toen de bisschop van Luik,
Hugues de Pierrepont, hen een bewijs van zijn herderlijke zorg gaf, een oorkonde uit het jaar 1214, een der oudste geschriften van de
documentenbundel der abdij "La Ramée" bij de algemene archieven van het Koninkrijk, geeft aan de zusters
van Kerkom (sorores de Kerkehem, cisterciensis ordinis) de verzekering van zijn bescherming. Hij smeekt de zegen van de hemel
af over de weldoeners van de jeugdige gemeenschap en verbiedt op straf van excommunicatie, onrechtvaardigheden tegenover hen te begaan.
De zusters van het klooster te Kerkom waren eerst, zo schijnt het, van Vlaamse
oorsprong; ook was het in het Nederlands dat zij van hun bestuurder de
onderrichtingen ontvingen. Maar in het jaar 1215 vroeg een jonge Walin, 16 jaar
oud, om als postulante in de gemeenschap aangenomen te worden; het was de
gelukzalige Ida van Nijvel.
Enkele maanden later verliet de gemeenschap Kerkom om zich te vestigen in het
kanton Geldenaken, in het uiterste zuid-oosten van de gemeente Jauchelette, op
de boorden van de Grote Gete, die er de scheiding vormt tassen Jauchelette en
Bomal. Het nieuwe klooster kreeg de naam van "La Ramée (loofhut) uit hoofde der
bossen die het omringden; De beroemde abdij "La Rarnée" dankt zo haar oorsprong
aan het nederige klooster van Kerkom.
Wat zette deze gemeenschap ertoe aan ons dorp te verlaten om zich aan de oevers
van de Gete te vestigen? Volgens de gekende doctor Jean Vermeulen, beter gekend
onder de naam Molanus, die in de 16e eeuw schreef, zou de gelukzalige Ida een
der oorzaken van dit vertrek geweest zijn; zij zou haar gezellinnen overgehaald
hebben hun woonplaats naar het Walenland over te brengen, omdat zijzelf het
Nederlands niet kon aangeleerd krijgen.
Niets laat toe deze veronderstelling aan te nemen. Indien de vrome
Cisterciënzerin haar medezusters niet kon verstaan, was dat misschien voor haar
persoonlijk een reden geweest om hen te verlaten en in een ander klooster haar
intrek te nemen, maar zeker niet om de anderen mede te doen verhuizen.
Ten
andere, hoe veronderstellen dat een postulante. die pas het klooster binnenkomt,
zoveel invloed op heel een gemeenschap zou hebben, om ze te doen besluiten van
woonplaats te veranderen en dat alleen voor haar.
Het ware ook bij de
gelukzalige een eigenzinnigheid geweest, moeilijk overeen te brengen met de
deugden, die wij bij haar kennen.
Verder is het getuigenis van de
geschiedschrijver van Ida, die integendeel zegt, dat zij niet de minste
moeilijkheid had om het Nederlands aan te leren.
Wij zouden er nog kunnen
bijvoegen, dat op het tijdstip waarop de gelukzalige Ida in het klooster trad te
Kerkom, het klooster "La Ramée" reeds in opbouw moest zijn, vermits de zusters
er in mei 1216 gehuisvest waren.
Zij kan dus moeilijk de oorzaak geweest zijn,
van de verplaatsing naar Waals-Brabant.
J. Laermans.
verder naar
deel 2
(Naar het boek van Edouard Martens :"Monographie de la Paroisse de Kerkom en Brabant")