Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1974, nummer 2
"Het klooster der Cisterciënzerinnen van Kerkom - deel 1."

Weet gij dat er in de middeleeuwen in Kerkom' een klooster heeft bestaan?
Een kleine gemeenschap van zusters van de orde van Citeaux is er zich komen vestigen, in het begin der 13e eeuw; rond 1200 volgens sommigen, rond 1207, volgens anderen. Het is nochtans niet in onze gemeente dat zij ontstond. Indien men de geschiedschrijver van de gelukzalige Ida van Nijvel (Codex van de Koninklijke Bibliotheek van Brussel) moet geloven, kwam deze gemeenschap (bij wijze van uitzwerming?) uit een andere plaats waarvan de naam ons niet is bewaard gebleven.

Zij vestigden zich in een bijgebouw van de hoeve Velphoven, nu eigendom van de Kommissie van Openbare Onderstand van Leuven. Dit grote eigendom behoorde toen waarschijnlijk toe aan ridder Gosuin, heer van Opvelp of Velp, of aan zijn ouders, vermits diezelfde Gosuin in 1922 (??) het eigendot opeist, na het vertrek van de zusters. Daar die ridder en zijn echtgenote Margareta, naar de getuigenis van Phorias a Kempis, zeer godsdienstige mensen waren, is het niet te verwonderen, dat ze aan de zusters het genot van heel het goed hadden afgestaan met de ongeveer 60 hectaren land, weide, bossen en heide en waarschijnlijk rijkelijk waren tussengekomen in de onkosten voor de inrichting van het nieuwe klooster.

De kloostergebouwen bevonden zich klaarblijkelijk in de noordoostelijke hoek van het grote stuk grond van 16 hectaren, ingeschreven op het kadaster onder het nummer 275, sectie A, en dat nu nog de naam draagt van Kapelletje van de 
BoskantGrote Elzenbos. Ten zuiden van die hoek, op de boord van de weg die langsheen het hof Velphoven naar Lubbeek loopt, dicht bij het hoogste punt van Kerkom, staat een kapelletje, gekend onder de naam van O.L.Vrouw van de Boskant. Dit kapelletje werd tijdens een storm in 1973 verwoest door een omvallende boom, maar zal aanstaande zomer heropgebouwd worden. Naar het zeggen van inwoners van de parochie heeft men, tussen 1860-1870, bij het ontbossen van de grond, op een 50 meter achter die kapel naar het westen toe, nogal grote stenen grondvesten gevonden, alsook een grote onderaardse plaats, afgesloten door een overgrote arduinsteen, Het is spijtig dat er niemand er toen aan gedacht heeft, een plan op te maken van die onderaardse bouw, nu verdwenen, en die, naar wij menen deel uitgemaakt zal hebben van het klooster. Dit plan had ons enig gedacht kunnen geven van wat de gebouwen zelf waren. Enige jaren vroeger had men op dezelfde plaats een kruisbeeld opgedolven. Volgens de geschiedschrijver Gramage, zag men er nog in zijn tijd, in het begin van de 17e eeuw, de overblijfselen van dit oude klooster boven de oppervlakte van de grond uitsteken. Later werden de puinen helemaal weggehaald en de grond werd bebost.

De cisterciënzerinnen waren sedert enkele jaren te Kerkom gevestigd, toen de bisschop van Luik, Hugues de Pierrepont, hen een bewijs van zijn herderlijke zorg gaf, een oorkonde uit het jaar 1214, een der oudste geschriften van de documentenbundel der abdij "La Ramée" bij de algemene archieven van het Koninkrijk, geeft aan de zusters van Kerkom (sorores de Kerkehem, cisterciensis ordinis) de verzekering van zijn bescherming. Hij smeekt de zegen van de hemel af over de weldoeners van de jeugdige gemeenschap en verbiedt op straf van excommunicatie, onrechtvaardigheden tegenover hen te begaan.

De zusters van het klooster te Kerkom waren eerst, zo schijnt het, van Vlaamse oorsprong; ook was het in het Nederlands dat zij van hun bestuurder de onderrichtingen ontvingen. Maar in het jaar 1215 vroeg een jonge Walin, 16 jaar oud, om als postulante in de gemeenschap aangenomen te worden; het was de gelukzalige Ida van Nijvel.

Enkele maanden later verliet de gemeenschap Kerkom om zich te vestigen in het kanton Geldenaken, in het uiterste zuid-oosten van de gemeente Jauchelette, op de boorden van de Grote Gete, die er de scheiding vormt tassen Jauchelette en Bomal. Het nieuwe klooster kreeg de naam van "La Ramée (loofhut) uit hoofde der bossen die het omringden; De beroemde abdij "La Rarnée" dankt zo haar oorsprong aan het nederige klooster van Kerkom.

Wat zette deze gemeenschap ertoe aan ons dorp te verlaten om zich aan de oevers van de Gete te vestigen? Volgens de gekende doctor Jean Vermeulen, beter gekend onder de naam Molanus, die in de 16e eeuw schreef, zou de gelukzalige Ida een der oorzaken van dit vertrek geweest zijn; zij zou haar gezellinnen overgehaald hebben hun woonplaats naar het Walenland over te brengen, omdat zijzelf het Nederlands niet kon aangeleerd krijgen.
Niets laat toe deze veronderstelling aan te nemen. Indien de vrome Cisterciënzerin haar medezusters niet kon verstaan, was dat misschien voor haar persoonlijk een reden geweest om hen te verlaten en in een ander klooster haar intrek te nemen, maar zeker niet om de anderen mede te doen verhuizen.
Ten andere, hoe veronderstellen dat een postulante. die pas het klooster binnenkomt, zoveel invloed op heel een gemeenschap zou hebben, om ze te doen besluiten van woonplaats te veranderen en dat alleen voor haar.
Het ware ook bij de gelukzalige een eigenzinnigheid geweest, moeilijk overeen te brengen met de deugden, die wij bij haar kennen.
Verder is het getuigenis van de geschiedschrijver van Ida, die integendeel zegt, dat zij niet de minste moeilijkheid had om het Nederlands aan te leren.
Wij zouden er nog kunnen bijvoegen, dat op het tijdstip waarop de gelukzalige Ida in het klooster trad te Kerkom, het klooster "La Ramée" reeds in opbouw moest zijn, vermits de zusters er in mei 1216 gehuisvest waren.
Zij kan dus moeilijk de oorzaak geweest zijn, van de verplaatsing naar Waals-Brabant.

J. Laermans.

verder naar deel 2

(Naar het boek van Edouard Martens :"Monographie de la Paroisse de Kerkom en Brabant")

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany