|
Het gebeurt bij een bremstruik,of liever op een bremstruik,
daar vinden we de wever bij zijn getouw. Hij zit op zijn afgewerkt doekt. Wie
heeft er nog nooit een spin gezien? Maar wie durft er beweren dat hij er alles
over weet? In elk geval, ik niet. Bij toeval ging of ga ik mij verdiepen in die
achtpotige wezens. Reeds van ver zien wij 't spinnenweb in de zon glinsteren en
naarmate we dichterbij komen lijken het echte wielen, die met lange zijdraden
vastgehecht zijn aan de takjes en stekels van de brem.
Hoe kan een spin zulk een weefsel uitbouwen? Ja, iedereen
kreeg alles om zijn weg te maken in de wereld en zo kreeg de spin haar
wonderlijk weefinstinct.
Zie je dat spinnenweb? De eerste draad die de spin uitspint zit nergens aan
vast.. De wever zit op een tak(je) aan de windzijde en laat de draad los hangen.
De wind speelt met het draadje -'t is zo licht en zo broos zodat het lichtste
briesje ermee kan spelen.
 |
|
A:
loerveld
B: Spaken |
De spin maakt
het draadje langer en langer en daar zie, door de wind gedragen bereikt de draad een
tegenoverstaande tak en kleeft daaraan vast. Dat voelt de spin aanstonds, trekt er eens aan om
zekerheid te hebben en dan pas zal ze de draad vasthechten aan haar kant. Nu gaat ze heel
voorzichtig over die touwenbrug, spint een tweede draad kleeft die aan de eerste draad zodanig
dat een sterke kabel ontstaat. Nog een paar zulke draden worden neergelaten, onderling verbonden
en zo is het raam van haar net ontstaan. Vanuit het midden begint de spin de spaken van haar wiel
te spinnen, allen ongeveer even ver van mekaar. Eens die klaar, loopt ze in kringvorm rond
telkens een draad achter zich meeslepende dewelke ze vastmaakt wanneer ze aan een spaak komt.
In 't midden van dit net is het loerveld van de spin; daar houdt ze zich op en wacht op haar
prooi. Als je nu goed kijkt lijkt het wel of al die draden nat zijn. Net of er dauw op ligt.
Waarlijk een schitterend spel in het zonlicht.
Niet alle draden zijn nat, enkel de spiraaldraden.
Deze glinstering komt voort van kleine, heel kleine dropjes kleefstof die de spin samen met
haar draden uitspint. Het is die bewuste kleefstof waarin alle insecten blijven hangen. De
gesteldraden, waarop ze bij aanvang van de bouw zo druk heen en weer moest lopen, die kleven niet.
Over die draden ijlt ze naar haar gevangenen.
Op zo'n net zullen er ongeveer een klein 100.000 ik zeg wel (honderdduizend) kleefdruppels zijn.
Hierboven schreef ik over het loerveld. Inderdaad, daar zit de spin praktisch altijd. Haar acht
poten houden elk een draad vast en de minste trilling wordt zij gewaar. Het geringste vliegje dat
er tegen vliegt zit gevangen.
Nu is onze bouwer klaar. Het gaat hier namelijk over de kruisspin.
(Haar naam is makkelijk te begrijpen, daar op haar achterlijf een grijs-wit kruis te zien is)
De kruisspinnen hebben drie soorten nesten respectievelijk de tentvormige die te zien valt bij
de dennenbomen, de hangende of visnetweb en de hierboven beschreven architectuur, namelijk een
radvormige.
(wordt voortgezet)
Kris de Brandt.
bibliografie: Dieren en planten in bos en veld H. Defoort (Averbode)
|