Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1974, nummer 2
"Mensen van bij ons: Tom."

Ik zie hem nog staan, de bruine halfzware ruin, goed voor alle werk, zelfs koerslopen, al geleek hij niet meer op een renpaard dan een drachtige geit! Maar in zijn glorietijd kon hij tussen de knollen, die in de kermiskoersen liepen, zijn man wel staan, en kreeg hij zelfs de onderscheiding van "Pur-sang".
Dat was evenwel verleden tijd; nu stond hij daar mager, met ingevallen rug en gezwollen knieën. Het schurftige lijf bestreken met leem en met zakken toegedekt, bibberend, tot aan de buik in een mestpoel - "om uit te trekken?" - remedie die zo goed werkte dat hij er na een paar dagen in dood viel.

Toen kwam - zoals bij zovelen - de echte beroemdheid. Enige spotvogels uit de gemeente staken de koppen bijeen; zij stelden een doodsbrief ter zijner gedachtenis op, die gedrukt en rondgedeeld werd.
Ik heb hem destijds gelezen, maar ben er na zoveel jaren de inhoud van vergeten. Wellicht bestaat er hier of daar nog een eksemplaar van? Terzelfdertijd dichtten dezelfde grapjassen een lied, en lange tijd zong iedereen "Het lieke van Tompersaa". De eerste regels ervan luidden; "Ach, wat heb ik afgezien, ik heb geleefd een jaar of tien, met honger en dorst, in regensneeuw en vorst. Als haver kreeg ik kaf, en strooien pessem diende mij tot hooi.. enz, enz.
Maar dat was nog niet alles; het bijzonderste moest nog komen. Er zou een praalstoet door de gemeente trekken, waarin het leven van tom werd afgebeeld, samen met dat van zijn eigenares "Triene" en haar knecht die de naam van tom erfde. Het moest natuurlijk een verrassing zijn en de toebereidselen werden dan ook in het geheim genomen, op de binnenplaats van een rondom gesloten hoeve.
De mare werd echter wijd en breed verspreid.
Op vastgestelde zondagnamiddag kwamen de mensen uit de omliggende dorpen want in die tijd viel er niet veel te beleven. In dichte drommen stonden ze nieuwsgierig en ongeduldig te wachten op het beloofde schouwspel. Maar de dag verliep langzaam en de stoet bleef weg.
De eerst ontgoochelde menigte begon er zich in te schikken en uiteindelijk barstten allen uit in lachen om de poets die men hen gelapt had.
Daar het die dag snikheet was werd het voor de herbergiers een echte kermisdag.

Het was niet te verwonderen dat heel die zaak duchtig op de zenuwen werkte van Triene en het "menneke", zo genoemd omdat hij zelf iedereen met menneke aansprak, maar die nu de bijnaam van Tom kreeg, wat hem woedend maakte.
Hij was een pezige kerel die zoveel mogelijk dronken was. Knecht bij Triene, maar die zich als meester aanstelde, terwijl hij bij andere boeren in de buurt moest gaan werken en vooral aan de kost kwam door het maken van kareelovens.
Het wonder was dat hij meester was in alles, zonder uitzondering alles beter kon dan 't is eender wie, maar grootmoedig genoeg was om toe te geven dat sommigen het bijna zo goed konden als hij!!
Met Triene leefde hij op voortdurende oorlogsvoet. Meer dan eens zag ik hoe hij haar bij de haren naar buiten sleurde of dat zij er op het nippertje vandoor ging. Zij voerden hun nummers bij voorkeur 's zondags op wanneer de mensen uit de mis kwamen, tot jolijt van de enen en ergernis van de anderen. Toen iemand eens aan Tom vroeg, hoe het in Godsnaam mogelijk was van daar zo te staan schreeuwen, antwoordde hij - het anders opvattend -"Och menneke, dat kan ik zo drie dagen volhouden, en als het moet nog veel harder ook!!"
In de herbergen maakte hij veel kabaal, zwierde breed met de armen en was, zo als in alles, onklopbaar aan de vogelpik.
Regelmatig werd hij echter gestoord door een verdacht Tom-geroep dat hem de oren deed spitsen. Wanneer het herhaald werd, of iemand het liedje van tom begon te neuriën, dan werkte dat als een rode lap op een stier en stormde hij op de verdachte treiteraars af, onmiddellijk en schijnheilig aangemoedigd door anderen, die het gemeen vonden van een mens zo te judassen. Maar de twee partijen zorgden er steeds voor dat het menneke in het midden kwam te staan en de slagen van weerskanten in ontvangst mocht nemen.
Wanneer hij dan goed afgetuigd thuis kwam en Triene niet dadelijk open deed, schopte hij eenvoudig het onderste paneel uit de deur en kroop langs daar naar binnen, terwijl Triene er voor zorgde dat ze op tijd weg kwam.

Zij was een dik vuil wijf, die bij de minste tegenkanting voortdurend riep: " Zoude niet doodvallen!!", en die al vloekend naar binnen schoof wanneer ze de dorpspastoor zag afkomen.
Op zekeren dag vond men haar in de keuken, liggend in een plas bloed. Van de eerste schrik bekomen werd er argwaan gewekt door de scherpe geur die in het vertrek hingen terwijl men haar op hare kafzak legde, ging er een licht op -"De Pinard". Deze was een minderwaardige wijn, door Franse soldaten -die een paar dagen in het dorp logeerden- achtergelaten, en geen kleinigheid!!, want het was een vat van zowaar 500 liter.
De inhoud van dit dikbuikig monster werd gretig door de buren geproefd, en weldra met zoveel ijver dat, een uur later, het halve dorp bezopen was.
Maar de mensen werden er razend van en liepen daarna, dagenlang, met een gloeiende hoofdpijn, zodat het aantal liefhebbers snel afnam en zelfs Tom het liever bij de fles jenever of een pint Jack-op hield.
Alleen Triene bleef de ton regelmatig bezoeken, ondanks de bloedspuwingen die het huis in een zwijnenstal herschiepen..

Wanneer ze dan enige tijd later, toch dood is gevallen, duurde het niet lang meer of Tom volgde haar.
Op minder dan de helft van de leeftijd -namelijk 120 jaar!!- die hij zich zelf had toegemeten!

J..R.

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany