Redingen
Daar waar nu de
Velpe, met een bocht zuidwaarts, Neervelp verlaat, vinden we op haar
rechterzijde een aantal weiden die samen een groot driehoekig complex
vormen. In
het midden ervan stond weleer het kasteel met hofkapel der edele heren, geheten
"van Redingen" omringd door vijvers, het droeg de naam Waterhof. Wat hogerop,
aan de boord van de akkers was een weide, nu gedraineerd, die zo rijk was aan
bronnen dat er rond 1500 nog een brouwerij gevestigd was. Het goed van Redingen
was deels eigen goed, deels leengoed van Brabant, maar op hun beurt traden de
heren van Redingen zelf op als leenheren over de heren van het gehucht Honsem
onder Willebringen, de edelen "van Honsem". De toegang tot het kasteel van
Redingen liep met een brug over de Velpe in de verlenging van de huidige
Dalemstraat naast de hoeve van de familie Smeyers naar de Neervelpstraat; zo is
het te zien op een schets van 1600.
Wat verder, stroomafwaarts, waar thans de Velpe onder de autosnelweg E40
doorstroomt, juist in het midden van de autostrade lag vanaf 1400 tot 1971 een tweede
Redingenbrug in de Broekstraat. Beide bruggen zijn nu verlegd ten noorden van de
E40. Iets verder links van de huidige Velpe ligt het restant van een
moerassig schaarhoutbos van 9 dagmalen groot. Dit was rond 1500 de molenvijver
van Redingen. Nu nog noemen oude mensen deze plaats "'t Savoor", verbastering
van het Franse woord "réservoir", dit is water ophoud of molenvijver. De
watermolen van Redingen stond juist verder, waar nu op de rechteroever van de
Velpe de haag van het Kwabeekkasteel afzwenkt vanaf de huidige Redingenstraat.
Deze molen noemde men ook de "Kwade molen van Redingen" en heeft als dusdanig
zijn naam overgedragen op het zuidwaarts gelegen "Kwade molen veld". De straat
die vroeger de Kwade molen met de Redingenstraat verbond heette "Kwade
Molenstraat". En de weg welke vroeger van het gehucht Dalem, dwars over de
Broekstraat, naar de Kwade Molen toe kwam werd "Kwade Molenweg" genoemd.
Hier is het moment gekomen om uit te weiden over de "Oude Velpe langs
Dalem". We keren daarom terug naar het punt waar de Velpe Neervelp verlaat.
We zegden hoger dat daar thans de Velpe haar draai rechts of zuidwaarts neemt..
Vroeger, voor 1400, nam de Velpe aldaar haar wending links, dus noordwaarts, met
de Neervelpse grens mee, om vervolgens oostwaarts te vloeien tussen de weiden en
het pachthof van Dalem (hoeve Smeyers) door; ze liep wat verder onder
Broekstraat door. Dus de eerste brug in de Broekstraat lag een 100 tal
meters meer noordwaarts dan nu. Vervolgens vloeide de oude Velpe, gescheiden
door een stevige dam, waarop de Kwade Molenweg liep, eerst ten noorden, dan ten
oosten van de Kwade molenvijver tot bij de Kwade molen.
Deze oude Velpe heeft waarschijnlijk de naam gedragen van "Kwade beke" omwille
van haar rotte bedding. Dit is misschien de aanleiding geweest waarom men in de
Middeleeuwen aan het pachthof en het kasteel, wat lager gelegen, de naam gaf:
het goed van Kwabeke. Nog een bijzonderheid: er waren na 1400 twee Jan
Vandenborchoven, vader en zoon, die elkander opvolgden als kasteelheer van
Kwabeke. Om onderscheid te maken tussen de twee, gaf rond 1500 de heer van
Opvelp, aan de oudste een bijnaam: hij noemde hem 3Jan Vandenborchoven alias van
der beke", alsof hij wilde zeggen, "die met zijn bekenkwestie". Wellicht had
deze man zich gelast met het herleiden der Velpe in een nieuwe bedding. Dit zou
dan gebeurd zijn tussen 1428 en1440.
We moeten er nog aan toevoegen dat de Kwade Molenvijver gevoed werd door een
beekje dat het overtollige water aanvoerde van de bronnen te Redingen, nadat dit
de slotgrachten van Redingen gevuld had. De nieuwe bedding van ons riviertje was
korter dan de oude; ze volgde het tracé van het beekje en zorgde door haar
grotere omvang voor een betere afwatering van het Redingendomein. De Kwade
Molen is kort daarna vergaan of vervallen. Reeds in 1497 kocht de heer van
Kwabeke het Redingenmolendomein op, hij liet de Kwade Molen afbreken en liet de
Kwade Molenvijver leeglopen.
Kwabeek
Waar
de Velpe de Kwade Molen-plaats voorbijvliet, daar verlaat ze het vroegere
Redingendomein en treedt het Kwabeekdomein binnen. Op de linkerzijde zien we het
heerlijk slot van Kwabeek, dat vroeger rondom met water omgeven was en
toegankelijk was met een ophaalbrug langs het noorden, bij het huidige
portiershuisje. Tussen Velpe en kasteel bemerken we een hoge arduinen schandpaal
(n.v.d.r. deze is spoorloos verdwenen), hij draagt het wapenschild der "de
crabeels" die rond 1700 heren van Opvelp waren. Getuige en zinnebeeld van de
vernederde Opvelpenaars werd hij door hen bij de grote revolutie stukgeslagen.
Een latere heer van Vertrijk werd eigenaar van de grond waarop de stukken
lagen. Hij deed de paal restaureren en weghalen en gaf hem een plaats in zijn
park.
Daar verbrede zich vroeger de Velpe tot een molenvijver met er tegenaan rechts
nog een vijvertje voor de kasteelbrouwerij in de hoek tegen de Redingenstraat.
Nu is de molenvijver links als gedeelte van de vroegere slotgracht. De Velpe
vloeit onder de Kwabeekstraat door en daar staan we aan de molensluis met een
verval van 2 meters. Links hebben we de molen van Kwabeek, ook nog genoemd
"molen van Tersluizen". Molen en kasteel vormden vroeger 2 aparte leengoederen:
het kasteel als heerlijkheid van Kwabeek en de molen als symbool van de
heerlijkheid over het dorp Vertrijk. De 2 lenen werden doorgaans door dezelfde
heer bezet, maar krachtens de heerlijkheid van Tersluizen strekte de jurisdictie
of zeggenschap van de heer zich uit over heel het dorp met het recht van een
dorpsmeier, een dorpsofficier (ordebewaarder, veldwachter) en 7 dorpslaten of
schepenen te benoemen. Na 1300 hebben de Vertrijkenaars geprobeerd daar een
stokje voor te steken, maar ze werden flink op de vingers getikt door hertogin
Joanna!
Lange tijd werden in de huiskamer van de molen de dorpsarchieven bewaard, en
hield de Vertrijkse schepenbank haar 14 daagse zittingen en gerechten.
Het oude goederenregister van Kwabeek besloeg meer dan 200 hectaren eigendom
gelegen onder Vertrijk, Neervelp en Bierbeek, waarvan wel 70 hectaren van de
oorspronkelijke stok.
Het oude cijnsboek (belastingen) van Kwabeek bestreek 3/4 van Vertrijk, een
belangrijk deel van Willebringen,alsook de grond waarop de pastorij van Roosbeek
staat. Op 5 hoeven had onze heer het oeroude recht bij overlijden van de pachter
het beste pand te kiezen als successierecht: het sterkste paard of het mooiste
juweel. Na 1600 liet de heer zich dit recht dikwijls afkopen door een
éénmalige betaling van 20 à 30 guldens.
Naast de molen werd rond 1830 één der eerste suikerbietmaalderijen van België
opgericht, doch deze bezweek spoedig en de heer moest zijn "machine à vapeur"
terug verkopen omdat hij dreigde te bezwijken onder de concurrentie van grotere
fabrieken, bovendien kon hij zelf niet raffineren.
Daarnaast hebben we de fameuze hoeve van Kwabeek, welke volgens Wauters aan de
oorsprong ligt van het kasteelgoed: deze hoeve (niet het huidige gebouw
natuurlijk!) zou kunnen stammen, maar dan onder een andere naam (misschien hoeve
van Tersluizen?) uit de Frankische tijd. Dit is gemakkelijk te verstaan door de
aanwezigheid van een vroegmiddeleeuwse bidplaats, genaamd "het heilig huiske"
staande op de molenberg juist ten zuiden van de Velpe en waarvan de sporen
wellicht zijn uitgewist door de Noormannen vóór 900.
Hoe we tot dit besluit kwamen? Er bestond te Vertrijk namelijk een eigenaardige
missenfundatie, welke moest bestuurd worden door de kasteelheer uit de opbrengst
van goederen die hij beridderde en mee vererfde met zijn eigen goed. Met de
opbrengst moest hij wekelijks twee missen laten doen, één in de kapel van zijn
kasteel en één aan het hoofdaltaar van onze huidige kerk in Vertrijk. Beide
missen werden opgedragen ter ere van Onze Lieve Vrouw. Dat eigenaardige recht
van de kasteelheer laat ons veronderstellen dat die fundatiegesticht werd door
één van de voorgangers van de kasteelheer, waarschijnlijk een bewoner van de
hoeve van Kwabeek, en dat vóór er een kasteel met kapel een kerk op Scherpenberg
bestond, waar ze nu is. Daarbij, een fundatie met 2 uitvoeringsplaatsen is
te buitengewoon om oorspronkelijk te zijn. Als nu al de missen oorspronkelijk op
éénzelfde plaats gebeurden, laat ons zeggen in het "heilig huiske" op de
molenberg, maar die bidplaats werd afgeschaft of verwoest, dan is het
vanzelfsprekend dat de nieuwe kerk die kwam te staan zekere rechten had, maar de
kasteelheer had er ook, en die kon hij uitvoeren in een kapel die hij kon
inrichten, binnenin zijn kasteel.
In die omstandigheden wordt het geval verstaanbaar.Maar dat voert ons terug in
de tijd, tot vóór 900, vermits van kort erna de kerk van Vertrijk op zijn
huidige plaats staat.
door R. Kempeneers