Terug naar
deel
1
Molanus haalt als tweede reden van
verplaatsing aan, dat het klooster te Kerkom gebrek had aan water; "...et locus acuarun inopia
laboraret".
Het lijkt ons toe, dat hij aldus een verkeerde interpretatie gegeven heeft van het woord "aridus",
dat de geschiedschrijver van de H. Ida gebruikt met betrekking tot de plaats van het klooster "...
e loco illo, quoniam quidam aridus erat". Aridus betekent niet alleen droog, maar ook onvruchtbaar.
Op de plaats waarvan sprake, is de grond werkelijk minder bruikbaar voor landbouw.
Doch het is
niet bij gebrek aan water dat de grond minder vruchtbaar is, want daar, zoals op heel het gebied
van Kerkom, moet men slechts tot op een kleine diepte boren om het waterpeil te bereiken. Daarbij
is er een bron op een afstand van zowat honderd meters, ten oosten van de plaats, waar het
klooster stond, ongeveer op dezelfde hoogte.
Zo de grond van minder hoedanigheid is, dan is het
omdat hij in zijn samenstelling gebrek heeft aan vruchtbare bestanddelen. Baron 0. van Erborn en
Paul Cogels maakten vorige eeuw het grondplan van Lubbeek en omgeving op, in 1880 door het Militair
Cartografisch Instituut gepubliceerd. Op dit grondplan ziet men dat, op die bepaalde plaats, de
tertiaire gronden, waaraan Professor Dumon van Luik de naam "Bolderien" heeft gegeven, aan de
oppervlakte van de grond komen. Deze tertiaire grondlagen zijn hoofdzakelijk samengesteld uit
zand en keien, terwijl elders de quartaire grondlagen, die de plantrijke en vruchtbare gronden
in Haspengouw uitmaken, aan de oppervlakte liggen. Die geleerden bestempelen de plaats van het
oude klooster als "onvruchtbare grond" en geven aldus er dezelfde benaming aan als de
geschiedschrijver van de gelukzalige Ida, zes eeuwen vroeger. De plaats was dus feitelijk niet
gunstig.
Misschien was ook het klooster te Kerkom te klein geworden om er het groot getal
postulanten te herbergen die in die tijd van godsdienstige vurigheid verlangden, zich aan God
toe te wijden.
Men begrijpt dat onze Cistercienzerinnen de gelegenheid, die hun werd aangeboden,
zich elders te vestigen, gretig hebben aangenomen.
Het dorp Jauchelette, waartoe het gehucht La Ramée behoorde, hing vroeger af van twee "heren" die
er hun rechtsmacht uitoefenden: de heer Jauche en de Abdis van St. Gertrudis van Nijvel.
In de tijd waarvan hier sprake is, was de heer Jauche een koen ridder, met
name Gerard. Hij had deel genomen aan de vierde Kruistocht en zijn dochter
Helwide was Abdis te Nijvel.
Hun vrijgevigheid deed de kleine gemeenschap
van Kerkom, besluiten zich op hun eigendom te vestigen.
Volgens een overlevering
der kloosterlingen van La Ramée, verhaald in een document van 1787, hadden zij
de grond, waarop het klooster stond, gedeeltelijk gekregen van de Abdis
Helwide door een concessie van 1215, en gedeeltelijk van Gerard.
De akte van
1211 schijnt verloren, maar het handvest van Gerard, gedateerd van mei 1215
maakt deel uit van de archieven van La Ramée, bewaard in het Rijksarchief.
Men
leest er in, dat de heer van Jauche aan het nieuwe klooster als bijkomende
gift een bos schonk, genaamd St. Bernard en ook de tienden afstond van Piétrain
en van Marilles en van hun afhankelijkheden, alsook het patronaat der kerken
van die dorpen.
Die giften zijn bevestigd door een handvest van de bisschop van
Luik, Hugues de Pierpont, in 1218 gestuurd aan de Abdis van het klooster La
Ramée.
Indien het jaar der nederzetting van de Cistercienzerinnen te Kerkom heel
onzeker is, dan is dit niet het geva1 voor dat van hun vertrek naar La Ramée.
De gelukzalige Ida zou, volgens haar geschiedschrijver, die bijna haar tijdgenoot was, in het
klooster te Kerkom getreden zijn op zestienjarige
ouderdom, dwz, rond maart 1215, vermits zij stierf de 11e december 1231, op
de leeftijd van 32 jaar 9 maanden en na 16 jaar en 9 maanden kloosterleven, en
het is in het jaar zelf van haar intrede in het klooster, dat de verhuizing van
de kloosterlingen zou plaats gehad hebben.
Overigens, een keure van Florent,
prelaat der abdij van Cornelimunster, gedateerd uit 1216, maar zonder
maandaanduiding, toont insgelijks dat, op die datum, onze Cistercienzerinnen
reeds op La Ramée zijn gevestigd.
Zij getuigt dat een zekere Gerard van
Cumptich een gift heeft gedaan aan de Zusters van La Ramée "... sanctmonialibus
de Rameia" van een tiende, die hij als leen van deze abdij had.