Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1974, nummer 3
"Het klooster der Cisterciënzerinnen van Kerkom - deel 2."

Terug naar deel 1

Molanus haalt als tweede reden van verplaatsing aan, dat het klooster te Kerkom gebrek had aan water; "...et locus acuarun inopia laboraret".
Het lijkt ons toe, dat hij aldus een verkeerde interpretatie gegeven heeft van het woord "aridus", dat de geschiedschrijver van de H. Ida gebruikt met betrekking tot de plaats van het klooster "... e loco illo, quoniam quidam aridus erat". Aridus betekent niet alleen droog, maar ook onvruchtbaar. Op de plaats waarvan sprake, is de grond werkelijk minder bruikbaar voor landbouw.
Doch het is niet bij gebrek aan water dat de grond minder vruchtbaar is, want daar, zoals op heel het gebied van Kerkom, moet men slechts tot op een kleine diepte boren om het waterpeil te bereiken. Daarbij is er een bron op een afstand van zowat honderd meters, ten oosten van de plaats, waar het klooster stond, ongeveer op dezelfde hoogte.
Zo de grond van minder hoedanigheid is, dan is het omdat hij in zijn samenstelling gebrek heeft aan vruchtbare bestanddelen. Baron 0. van Erborn en Paul Cogels maakten vorige eeuw het grondplan van Lubbeek en omgeving op, in 1880 door het Militair Cartografisch Instituut gepubliceerd. Op dit grondplan ziet men dat, op die bepaalde plaats, de tertiaire gronden, waaraan Professor Dumon van Luik de naam "Bolderien" heeft gegeven, aan de oppervlakte van de grond komen. Deze tertiaire grondlagen zijn hoofdzakelijk samengesteld uit zand en keien, terwijl elders de quartaire grondlagen, die de plantrijke en vruchtbare gronden in Haspengouw uitmaken, aan de oppervlakte liggen. Die geleerden bestempelen de plaats van het oude klooster als "onvruchtbare grond" en geven aldus er dezelfde benaming aan als de geschiedschrijver van de gelukzalige Ida, zes eeuwen vroeger. De plaats was dus feitelijk niet gunstig.
Misschien was ook het klooster te Kerkom te klein geworden om er het groot getal postulanten te herbergen die in die tijd van godsdienstige vurigheid verlangden, zich aan God toe te wijden.
Men begrijpt dat onze Cistercienzerinnen de gelegenheid, die hun werd aangeboden, zich elders te vestigen, gretig hebben aangenomen.
Het dorp Jauchelette, waartoe het gehucht La Ramée behoorde, hing vroeger af van twee "heren" die er hun rechtsmacht uitoefenden: de heer Jauche en de Abdis van St. Gertrudis van Nijvel.
In de tijd waarvan hier sprake is, was de heer Jauche een koen ridder, met name Gerard. Hij had deel genomen aan de vierde Kruistocht en zijn dochter Helwide was Abdis te Nijvel.
Hun vrijgevigheid deed de kleine gemeenschap van Kerkom, besluiten zich op hun eigendom te vestigen.
Volgens een overlevering der kloosterlingen van La Ramée, verhaald in een document van 1787, hadden zij de grond, waarop het klooster stond, gedeeltelijk gekregen van de Abdis Helwide door een concessie van 1215, en gedeeltelijk van Gerard.
De akte van 1211 schijnt verloren, maar het handvest van Gerard, gedateerd van mei 1215 maakt deel uit van de archieven van La Ramée, bewaard in het Rijksarchief.
Men leest er in, dat de heer van Jauche aan het nieuwe klooster als bijkomende gift een bos schonk, genaamd St. Bernard en ook de tienden afstond van Piétrain en van Marilles en van hun afhankelijkheden, alsook het patronaat der kerken van die dorpen.
Die giften zijn bevestigd door een handvest van de bisschop van Luik, Hugues de Pierpont, in 1218 gestuurd aan de Abdis van het klooster La Ramée.

Indien het jaar der nederzetting van de Cistercienzerinnen te Kerkom heel onzeker is, dan is dit niet het geva1 voor dat van hun vertrek naar La Ramée. De gelukzalige Ida zou, volgens haar geschiedschrijver, die bijna haar tijdgenoot was, in het klooster te Kerkom getreden zijn op zestienjarige ouderdom, dwz, rond maart 1215, vermits zij stierf de 11e december 1231, op de leeftijd van 32 jaar 9 maanden en na 16 jaar en 9 maanden kloosterleven, en het is in het jaar zelf van haar intrede in het klooster, dat de verhuizing van de kloosterlingen zou plaats gehad hebben.
Overigens, een keure van Florent, prelaat der abdij van Cornelimunster, gedateerd uit 1216, maar zonder maandaanduiding, toont insgelijks dat, op die datum, onze Cistercienzerinnen reeds op La Ramée zijn gevestigd.
Zij getuigt dat een zekere Gerard van Cumptich een gift heeft gedaan aan de Zusters van La Ramée "... sanctmonialibus de Rameia" van een tiende, die hij als leen van deze abdij had.

J. Laermans.

(Naar het boek van Edouard Martens :"Monographie de la Paroisse de Kerkom en Brabant")

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany