Weinige maanden van het jaar worden
zo sterk gesymboliseerd door één bepaalde bloem als de maand mei door het
Lelietje-van-dalen, meiklokje of meibloem. De Franse benaming "Muguet" is
eveneens algemeen gekend. Wetenschappelijk heet ze Convallaria Majalis, dit
woord is afkomstig van lilium convallarium, ttz lelie van het dal; majalis
betekent "van de mei".
Bij
onze voorouders was het meiklokje het zinnebeeld van de aardse schoonheid, aan
de lentegodin gewijd.
In die tijd tooide de jeugd zich bij de lentefeesten met deze prachtige
welriekende bloemen.
Ook nu speelt deze bloem in vele landen nog een rol.
In Parijs is de eerste mei de dag van het meiklokje; op deze dag dragen de jonge
meisjes aldaar deze bloemen. In Zweden gebruikt men de meiklokjes voor het
vlechten van meikransen of men neemt ze, zoals ook elders gebruikelijk is, voor
het versieren van de kamers.
In de zestiende eeuw, toen het meiklokje als geneeskruid zeer in aanzien was,
werd het zonder meer het symbool van de arts. Op verscheidene beeltenissen van
artsen of op hun wapens, vindt men het plantje afgebeeld.
Zo laat bijvoorbeeld een uit het jaar 1541 daterende houtsnede Copernicus, die
in Padua medicijnen heeft gestudeerd, zien met een lelietje-van-dalen in de
hand.
Ook in eigen land, ter gelegenheid van het feest van de arbeid, worden de
meiklokjes te koop aangeboden en gedragen.
De plant komt bij ons in vele bossen voor en zij wordt veelvuldig als sierplant
op schaduwrijke plaatsen in onze tuinen gekweekt.
Het meiklokje is een overblijvende plant; zij bezit een goed ontwikkelde en
sterk vertakte wortelstok, voorzien van knopen. Het eerste jaar ontstaan uit een
eindknop slechts twee lancetvormige, elliptische en parallelnervige bladeren; in
het tweede jaar, omstreeks mei, heeft de plant een kantige bloemstengel, omgeven
van lancetvormige, elliptische, parallelnervige en gaafrandige bladeren, welke
de bloemstengel aan de basis omsluiten.
Deze gladde bladerloze bloeistengel draagt in een naar één zijde gerichte tros,
geknikte klokvormige witte bloempjes, die een zespuntige rand hebben en
aangenaam geuren. De vrucht is een rode, giftige, kogelronde, driehuizige
bes, met witte of blauwe zaden.
Geneeskundig worden gebruikt: het bloeiend kruid, de bloem en
de bladeren.
OPGEPAST
Bloemen, bladeren en bloeiend kruid zijn zeer giftig
Steek nooit een meiklokje in de mond.
Laat kinderen nooit likken aan de giftige bladeren of aan de nog giftigere
bloemen!
De giftigheid is
toe te schrijven aan een zogenaamd glycoside(convalloside, convallotoxine,
convallamrine), een stof die inwerkt op het hart, de bloedsomloop versterkt en
de oedemen (waterzucht) verhelpt.
Deze werking is te vergelijken met die van de digitalisplant of
vingerhoedskruid: digitaline, het hoofdbestanddeel van Digitalis is een alom
bekend hartmiddel.
Het nadeel van de preparaten van meiklokjes, die langs de mond worden ingenomen,
is het feit dat ze slecht worden opgenomen en dikwijls het slijmvlies van de
maag prikkelen, dat kan leiden tot misselijkheid en braken.
Misselijkheid en braken zijn dan ook de eerste tekenen van een vergiftiging door
meiklokjes.
Alhoewel de
bereidingen van het lelietje-van-dalen zeer werkzaam zijn, worden ze toch maar
weinig aangewend in de klassieke geneeskunde, juist omdat de preparaten zo
weinig standvastig zijn.
In de
volksgeneeskunde wordt, heden ten dage, op sommige plaatsen in ons land nog veel
gebruik gemaakt van de gedroogde bloemen. Deze laat men gedurende 3 dagen in
wijn of brandewijn trekken (50 gram bloemen per liter); men neemt er 2
bekerglazen per dag van tegen duizeligheid, hartkloppingen en beven.
P.S. Andere voorkomende volksnamen: tweebladig dalkruid;
meilelietje; boslelietje; dallelietje; saletjonkertje; zegeltjes; pieperkens:
perkbloemen; ellekens van travellekens.
door R. Geysens