|

Nerveus,nerveus, nerveus! De onrust, de bezige bij? Een hommel, die met veel
gebrom, aanhoudend heen en weer vliegt?
Misschien was de moeilijkheid om de juiste toets te vinden er oorzaak van, dat in een dorp waar
bijna iedereen een bijnaam heeft, men hem eenvoudig "RIKSKE" noemde.
Laten we hem even gade slaan.
Rikske zit op een stoel bij het venster, rekt zich een paar maal met zichtbaar genoegen, neemt
dan uit de binnenzak van zijn vest een dagblad dat hij op zijn knieën openstrijkt, zoekt zijn
andere zakken af naar de "Pince-Nez" waarvan de veer sinds lang haar ziel verloren heeft - of ligt
het soms aan zijn neus? -: in alle geval, het lukte slechts na een hele reeks vruchteloze pogingen
om het ding op zijn plaats te krijgen. Hij begint dan te lezen, maar, geen twee regels of de
neusnijper valt op de krant, gegrom, een nieuwe worsteling om het weerbarstig ding op de neus te
zetten, nog twee regels en het spel herbegint.
Driftig de bril weer de zak in, de krant met een smak op de grond, recht wippen, eens buiten gaan
kijken, vliegensvlug met de wijsvinger enige keren door de snor wrijven, een liedje fluiten, na
enkele noten binnensmonds verder zingen, terug op de stoel, het dagblad openvouwen, neusnijper
opzetten. Hetzelfde scenario herhaalt zich twintigmaal tot hij het uiteindelijk opgeeft, nog eens
naar buiten wipt, maar - eeuwig en altijd verstrooid - vergeet dat hij de vorige keer de deur
sloot en er met volle gezicht tegenaan botst, vloeken met miljarden, langzaam bedaren, een liedje
fluiten....
Ziedaar in telegramstijl een eerste kennismaking.
Rikske reisde dagelijks met dezelfde
trein naar de stad waar hij werkte, met dezelfde makkers die samen met hem opstapten, of, uit een
verder station komend, aan het venster gereed zaten om hem bij hen te roepen.
Ze hadden de kaarten reeds klaar en het klaverjassen kon dadelijk beginnen. Slechts voor vijf
minuten, want dan veert Rikske, als door een wesp gestoken, recht, werpt de kaarten weg die onder
de banken uiteenvliegen, roept en sakkert zo hard dat het hele rijtuig er van schudt, tiert tegen
de schelmen die met bedrog spelen, bedaart na enige tijd, zoekt de kaarten bijeen en begint ze
rond te delen.
Hetzelfde gedoe, dag op dag, jaar in jaar uit, zonder verzaken.
Gebrek aan toehoorders is voor hem geen reden om niet voortdurend te praten; met gebaren en
aangepaste mimiek loopt hij langs de straten, roept van ver naar de voorbijgangers, vertelt
moppen en doet iedereen lachen.
Op zekere dag ging hij er zo in op, dat hij volkomen vergeten was dat hij naar de stad moest om
een paar goed gevulde korven fruit, die hij daags tevoren geplukt had, naar familieleden te
brengen. Toen het hem inviel was de tijd erg krap geworden om met zijn zware vracht de trein te
halen. Hij pakte een jonge kerel aan, die daar rond slenterde, en vroeg hem om een
handje toe te
steken. Het werd graag gedaan.
Gejaagd en zwetend gingen ze naar het station , tot ze langs de berm van de spoorweg lopend, op
twee-, driehonderd meters van hun doel kwamen. Daar zette de kerel zijn last neer en, met tranen
in de ogen, zei hij: "Rik joeng ik kan ni meer, 'k moet mijn broek afdoen!. "
Er bleven maar een paar minuten tijd over; bidden en' smeken hielpen niet en Rikske, die de
vracht alleen moest sleuren, zag de trein vóór zijn neus wegrijden.
Razend, want hij wist dat men
hem een vuile toer gelapt had, ging hij het gebouw binnen om te wachten op de volgende trein die
een uur later zou komen.
Daar hij zijn gal tegen niemand kon uitspuwen, liet hij zich op een bank vallen, wreef met een
grote zakdoek het zweet van zijn aangezicht, haalde dagblad en bril boven, en begon te lezen !!!!!!.
Toen hij tegen de avond terug kwam, zag hij de plaaggeest die zich onzeker opzij hield, maar bij
Rikske was het strooivuur al lang geblust en door de enkele goede borrels die hij gedronken had,
was hij weer in goed humeur, en deed alsof er niets gebeurd was. Hij vroeg zelfs niet of de
buikpijn voorbij was.
De andere, er door aangemoedigd, kwam nader en vertelde dat men Rikske
verwachtte in de herberg "de Zwaan", waar vele vrienden - hij noemde een zestal namen - een
pensenkermis gaven.
Rikske die graag aan zulke partijtjes deelnam stemde onmiddellijk toe; de
tijd om zijn ledige korven naar huis te dragen, en hij was daar.
In "de Zwaan" had hij al veel van die avonden bijgewoond.
De ene keer was er waterzooi, dan weer
varkenspoten of mosselen.
Het was schrikwekkend om zien welke hoeveelheden sommigen van hen konden naar binnen werken.
Voortdurend werden de borden gevuld en de mosselen, met een aangepast aantal boterhammen,
verzwolgen, terwijl de gepeperde saus, als afwisseling tussen de pinten
gerstebier, gretig
geslurpt werd.
De ledige schelpen werden naast de borden opgestapeld om geteld te worden en de grootste eter werd
tot winnaar uitgeroepen. Het tellen was meestal overbodig want er waren altijd smulpapen die
boven de anderen troonden en aan de omvang van de hoop schalen kende men de veelvraat.
Als prijs werd aan deze zijn bijdrage kwijt gescholden, wat hij dan dadelijk omzette in een
"tournee generale" schuimende gersten van 't vat.
Deze avond waren het dus pensen die met dezelfde ijver verorberd werden als de dikke, met bijtende
mosterd besmeerde, lappen geperste varkenskop.
Het ging er gezellig aan toe en ook Rikske was op
zijn best; toch waren er die mopperden omdat de porties te klein waren en aan de baas die zich
hardnekkig verdedigde - terwijl hij links en rechts knipoogde - verweten dat hij alvast een deel
van het vlees in zijn kelder had laten verdwijnen.
Rikske liet zijn goed hart spreken en vond de oplossing:
hij had zelf een paar dagen tevoren een varken laten slachten, de pensen waren al gedraaid en
alles hing in de schuur te drogen. Hij zou er ongemerkt binnen gaan en het nodige halen; zo veel
moest het nu ook niet neer zijn en het zou nauwelijks opgemerkt worden.
Zijn voorstel werd met
vreugdekreten begroet en al fluitend ging Rik op weg.
Behoedzaam betrad hij de stille schuur, maar nauwelijks was hij er binnen of de dakpannen dansten
onder het geweld van de miljarden die er tegen geslingerd werden.
Rikske was op het punt van een beroerte te krijgen; kop en pensen waren verdwenen !!! De schurken
hadden zijn half varken opgevreten!!!!
Met enige sprongen was hij terug in de herberg. De baas, die aan het opruimen was, keek
voorzichtig onder zijn arm door. De kornuiten waren verdwenen!!!!!
's Anderendaags was heel het dorp er van vol.
Er werd hartelijk om gelachen .. ook door Rikske.
Hij had zich zodanig door de gezelligheid van die avond laten meeslepen en zijn ongeneeslijke
verstrooidheid had hem belet er aan te denken dat de meeste van die "soepeetjes" niet zuiver
waren.
Hoe dikwijls had hij zelf niet geholpen om op die manier de hennen voor de
waterzooi bijeen te krijgen.
Zo leefde Rikske, altijd arm, altijd rijk, met hoogten en
laagten, van de hak op de tak, lachte, floot en vloekte, en al was hij niet meer
van de jongsten, op de kermisdagen stak hij zijn been uit, danste met oud en
lelijk zowel als met jong en schoon, tot het zweet er af liep.
J.. R.. |