Uit het betoog dat we hier laten volgen, zal duidelijk blijken dat op het gehucht Crommen Herent onder
Boutersem een gasthuis heeft gestaan.
Deze plaats is gelegen rond het punt waar thans de Aarschotse steenweg zich vervoegt met de Leuvense steenweg:
Volgens het Modern Woordenboek van Verschueren, betekent Herent een haagbeukenbos. Daaruit volgt dat het gasthuis te midden een bos van haagbeuken stond.
Het is algemeen geweten dat de oude Romeinse heirbaan tussen Leuven en Tienen talrijke krommingen had. Rond 1720 werd het huidige
tracé, dat de oude baan van al deze krommingen ontdeed, aangelegd.
Het gasthuis moet aan een kromming van de baan gelegen,hebben. Vandaar zijn naam gasthuis van de Crommen Herent.
Wanneer, voor welk doel en door wie het gasthuis werd opgericht zijn vragen die ieder
geïnteresseerde lezer zich zal stellen.
Ofschoon de stichtingsoorkonde vooralsnog onbekend is, menen we toch te kunnen zeggen dat de stichting van het gasthuis terugloopt zeker tot in
de eerste helft van de XIIe eeuw en misschien nog vroeger.
Inderdaad, in het Rijksarchief te Brussel, Charters van Brabant,
nr 2 berust een originele oorkonde, dd. 25 maart.1168, waarin hertog Godfried III aan de Tienenaars vrijdom van "de dode hand" verleende. Buiten enkele edelheren, traden daarbij op als getuigen, Hendrik, Geeraard en Michiel, broeders van Bierbeek alsmede Hendrik, .Alard, Siger, Willem, broeders van Boutersem.
Deze twee groepen van mannen, uitgenodigd door de hertog om te getuigen in zulke gewichtige zaak, laten.er geen twijfel over bestaan dat het Godgewijde mannen waren die in gemeenschap leefden als broeders onder elkaar.
In wat Boutersem betreft is het niet uitgesloten dat aan deze broeders het bestuur van het Gasthuis was toevertrouwd geworden. Trouwens, zoals verder zal blijken, was aan het
gasthuis een kapel verbonden, waarvan de bediening door een priester werd waargenomen en dat ten gerieve van het dienstpersoneel, de broeders, en van de verblijvende zieken.
Uit het voorgaande. menen wij dan te mogen afleiden dat het gasthuis reeds in 1168 een bloeiende instelling was. Men kan opwerpen: een loutere hypothese. Maar ze steunt niettemin op een niet onbelangrijk feit en kan als aanvaardbaar worden beschouwd zolang bewijzen van het tegengestelde niet worden aangevoerd.
Om reden van het destijds te geringe aantal inwoners te Boutersem,
dat het bestaan van een gasthuis niet kon rechtvaardigen, menen wij dat zijn bestaansreden eerder te zoeken is in zijn ligging aan een drukke heirbaan die west met Oost verbond om aan zieke en vermoeide reizende passanten onderdak, hulp en desnoods verpleging te verstrekken.
Wanneer we verder zullen vernemen dat de heren van Boutersem het met 12 hectaren grond hebben gedoteerd ten einde zijn voortbestaan en zijn werking te verzekeren, dan is het niet moeilijk, menen wij, te zeggen dat zij er ook de stichters van zijn geweest.
Zoals reeds hoger gezegd, was aan het gasthuis een kapel toegevoegd. Deze beschikte over een beneficie, d,w.z. een inkomen voor de priester die de bediening van de kapel waarnam. Dit beneficie was een dotatie van de heren van Boutersem, die daardoor het recht hadden de begunstigde aan te stellen.
Een register uit de abdij van Park vermeldt voor het eerst dit beneficie in 1457. In 1516 was de begunstigde een zekere Hendrik de Beeuwis,. maar niet kunnende aanwezig zijn om de verplichte missen zelf te lezen, liet hij zich daarvoor vervangen door Martinus Culzerts, pastoor te Butsel. De opbrengst van het beneficie bedroeg toen 20 guldens.
Tussen de jaren 1559-1569, volgens de goederenlijsten van de kerk van Butsel, waarbij het beneficie van Crommen Herent staat vermeld, was de begunstigde Frans De Catte, die iedere week persoonlijk de drie verplichte missen las in de kapel. Alsdan bedroeg de opbrengst ervan 24 rijnsguldens.
In de kapel werd een beeld van O.L.Vrouw vereerd. In 1559 staat vermeld dat het feest van O.L.V. Boodschap (25 maart) luisterrijk werd gevierd onder een enorme toeloop van bedevaarders.
Ingevolge de godsdienstige beroerten in het laatste kwartaal van de XVIe eeuw, die de streek van Tienen zwaar hebben geteisterd, stond het gasthuis verlaten en geraakten de gebouwen in volledig verval. Baanrovers, Hollandse vrijbuiters en allerhande gespuis gebruikten het als toevluchtsoord.
In 1646 was het gasthuis totaal onbruikbaar geworden.
Er werd beslist, met de toestemming van de vrouwe van Boutersem, Elisabeth van Wittem, laatste afstammelinge van de heren van Boutersem, de goederen van het gasthuis, 12 hectaren, te verdelen.
Een helft werd geschonken aan de armentafels van Boutersem en Butsel, de andere helft aan de gemeente. De kapel, die vrij goed bewaard was gebleven, heeft nog tientallen jaren dienst gedaan als bedevaartsoord en bedehuis voor de gelovigen van de omgeving.
Bij diezelfde gelegenheid werden de tienden van het gasthuisveld eerst
toegewezen aan de pastoor van Boutersem. Wanneer de pastoor van Roosbeek zich daartegen verzette uit hoofde van zijn bediening van de parochie te Butsel werden ze hem uiteindelijk toegewezen.
In het voorafgaande kunnen drie feiten de aandachtige lezer niet zijn ontgaan:
-
1° de aanstelling van Martinus Culzerts, pastoor te Butsel, om de begunstigde van het beneficie van het gasthuis, Hendrik de Beeuwis, te vervangen;
-
2° de vermelding in de kerkelijke goederenlijsten (1559-1569) van het beneficie van het Gasthuis onder de beneficies van de kerk van Butsel;
-
3° de toewijzing van de tienden van het gasthuisveld aan de dienstdoende pastoor van Roosbeek te Butsel.
Schijnen deze feiten er niet op te wijzen dat de kapel van het gasthuis vanaf het begin van de XVIe eeuw tot het einde van de XVIIe ressorteerde onder de parochie van Butsel?
Op 1 maart 1647 verkocht hoger vermelde Elisabeth van Wittem het kasteel en de heerlijkheid van Boutersem aan Jan De Caestre, heer van Bonheiden.
Deze verkocht het op 2 september 1719 aan Willem Gilbert d'Egmont de Nyenburg, heer van Werdenstein.
Reeds na korte tijd had deze moeilijkheden met de gemeente van Boutersem. Hij wendde immers voor dat de goederen van het gasthuis van de Crommen Herent, afkomstig van de heren van Boutersem, uit hoofde van de koop van het kasteel en de heerlijkheid hem toebehoorden.
Hij deed ze dan ook onmiddellijk te koop stellen in de kamer te Ukkel. De pastoor, de drossaard en de schepenbank hebben bij de Staten van Brabant, op grond van de verdeling van 1646, tegen deze onzinnige aanmatiging beroep aangetekend.
Bij brieven dd. 29 december 1727 luidde de uitspraak van het vonnis dat de goederen voortkomend van het gasthuis wel degelijk eigendom waren van de gemeente Boutersem en van de armentafels van Boutersem en Butsel.
Zonder de uitspraak van de overheid af te wachten had heer de Nyenburg bewuste gronden voor zijn rekening laten bebouwen en met bomen beplanten.
De gemeentelijke overheid legde nogmaals hierover klacht neer bij de Hogere Instanties. Het lastig en aanmatigend karakter van deze heer treedt nog duidelijker aan het licht door het feit dat hij niet aarzelde een officiële beambte, de giffier van de heerlijkheid, bij de Raad van Brabant van vervalsingen in de cijnsboeken aan te klagen.
Heeft hij een voorgevoel gehad van de onhoudbaarheid van zijn toestand te
Boutersem en van de onjuistheid van zijn eisen?
In ieder geval, in 1730, nog
vóór de definitieve uitspraak van de Hogere Overheid verkocht hij het kasteel en
de heerlijkheid aan Graaf van der Meeren.
De beschuldiging tegen de griffier
werd door da Raad van Brabant verworpen bij brieven dd. 26 februari, 1733.
De klacht van de gemeentelijke overheid werd ingewilligd, zoals blijkt uit
brieven, dd. 27 februari 1741, waarin haar tevens werd gevraagd aan lijst van
bewuste goederen op te maken en aan bestuur voor hun beheer op te richten.
Wat de kapel van de
Crommen Herent betreft, de bewering dat in 1705 van de misgewaden en andere
ornamenten niets meer overbleef dan een zilveren kelk, die op het kastaal werd
bewaard, schijnt zonder meer tegengesproken te worden door het feit dat de
toenmalige Kardinaal Aartsbisschop Thomas Philip d'Alsace de Boussu, die alle
kerken en kapellen van zijn bisdom persoonlijk had bezocht, in zijn verslag aan
de Paus in 1730 de kapel van de Crommen Herent vermelde bij de 26 openbare
kapallen van da dekenij Tienen.
Heden ten dage is er geen
enkel spoor meer te bekennen, noch van gasthuis noch van kapel, zodat het
vooralsnog onmogelijk is de juiste ligging ervan te bepalen.
E.H. F. Vangenechten - Pastoor te Butsel.