|
(Terug naar
deel 1)
In een eerste artikel over bovenvermeld onderwerp hadden wij beloofd een poging te doen om meer nieuws op te speuren betreffende het lokaal te Butsel of Bautersem, over de eerste hooftman baron Vandermeeren enz. Spijts de gelegde kontakten met personen die "iets" zouden weten over onze eerste Guldenbroeders bleef het bij lofwaardige pogingen.
En toch, naar ik uit een zeer geloofwaardige bron kon vernemen zou er nog één tastbaar en zichtbaar overblijfsel te vinden zijn van onze Guldenbroeders. Naar iemand beweert zou in het museum HET STEEN te Antwerpen een vlag van "Onze Guldenbroeders" bewaard zijn.
Wij zullen ons gelukkig achten in een volgend artikel hieromtrent meer nieuws te kunnen meedelen.
In afwachting vervolgen wij het tweede artikel uit Den Boeck van de Guldenbroeders van Bautersem, geschreven in min of neer oud Nederlands.
Ende om dieswille dat het betaamt, dat sulck Broederschap soude geregeirt worden van een verstandigh man, soo hebben wij daer toe ghekosen ende versocht Den Seer Edelen Heere Theodorus Philippus Norbertus Grave VANDERMEEREN Ende van Cruyshouthem Baron van Bautersem, Heere van Butsel maar om dieswille dat het onmogelijck is , van hem te compareren op eenighe extraordinair daghen; so heeft hij d'eer gegeven aan St. Gregorius DE RONDE, Drossaert, om in zijn plaetse ofte boentie ons Broederschap bij te staen als hooftman, soo haest als men dele blijde tijdinghe van alles het gene voor is gehoort hadden, heeft vander Hulst met een groote vreught, de take ter herte genomen, ende in de korten tijd vergadert eene confrerie van neghenthien wijtghelese confraters, de welcke aenstonts hebben ghereetschap ghemaeckt tot het schieten van den koninghs voghel, ende ghekocht alle noodighe instrumenten en versiersels het welck eene gulde noodigh heeft.
Ende omdieswille dat iedereen een staeltje gesien ofte ghehoort hebben van vreught soo heeft Joannes Baptista Vanderweyer baron van Bautersem Heere van Butsel en Bijvoorden het welck den voornoemden heere heeft geconsenteert ende sijnen naem geschreven als medebroeder van ons broederschap en hooftman van onse Gūlde, Ter presentatie en groot genoeghen van den Eerwaerdighen heere Pastoor den heere onderpastoor en heere Drossaert hetwelck eene gulle noodigh heeft.
Ende om dieswille dat iedereen soude een staelten gesien ofte ghehoort hebben van vreught soo heeft Joannes Baptista Vanderweyer onsen mede broeder de penne in de handt ghenomen ende gemaeckt eene dichte in rijm wijtgalment het nagniefieck beginsel, ende blijschap van den koninghs schoot, riet een vreuehde liecieken tot triūmph van den Coninck alles in druck naerghemaeckt (omtrent de hondert) en aan alle de confreers ende andere persoonen uytgedeelt, waer van eenighe geschildert waeren, ende het beldt van den H. Sebastianus in te sien staet, wort jaerlijckx een op den feestdagh van den selven heylighen in de gūldekamer tot een eeuwige memorie om hoogh
gehanghen.
(wordt vervolgd)
Rik Degreef. |