|

Met weemoed denk ik terug aan de gelukkige jaren, toen ik als kind mocht ravotten op de boerderij
van nonkel Jan en tante Mieke, die kinderloos waren.
Daar ik ver van de school woonde, mocht ik,
wanneer het weer te slecht was en de wegen bijna onbegaanbaar werden, bij hen blijven slapen.
In die tijd was er geen sprake van huiswerktaken of lessen leren.
Nonkel was een gespierde kerel, waar geen ons vet aan zat, een stoere werker, maar die nok
gemoedelijk kon vertellen, wanneer wij 's avonds bij de Leuvense stoof zaten, met de voeten onder
de lichtgevende luchtgaten vlak onder de gloeiende pot.
Terwijl tante, dik en rond, de rijstepap gereed maakte voor het avondeten.
De herfst brak aan, het was zaaitijd.
Op een avond vroeg nonkel of ik riet hem naar de schuur wilde gaan om hem vóór te lichten. De
flauwe schijn van de lantaarn die ik droeg, deed op het erf spookachtige schaduwen over de
verweerde muren dansen. In de grote schuur, waar het beangstigend stil was, liet ze de verste
hoeken in het donker; alleen een kleine kring waar de zaaitarwe en de kalk - om ze te ontsmetten -
gereed lagen, was helder verlicht. Met een zware schop begon nonkel de twee hopen door elkaar te
mengen, begoot ze dan met een paar emmers mestvocht en werkte de natte massa grondig dooreen.
Alles, heel gewoon.
Maar de omringende duisternis, de onwezenlijke stilte, soms even onderbroken door het ritselen
van een rat in het stro, de witgele, in neus en keel grijpende damp die uit het mengsel opsteeg,
het feit dat daar geen vrouwen mochten bij aanwezig zijn, en nonkel die op de
knieën, met gedempte
stem, uit een oud beduimeld gebedenboek het St Jansevangelie zat te lezen, zijn schaars belicht
gerimpeld gezicht met grijzende stoppelhaard - in die tijd scheerde men zich alleen op
zaterdagavond -; dat alles schiep iets geheimzinnigs dat deed denken aan het hol van een tovenaar
die een bezwerende ritus uitvoerde. Het was dan ook voor mij een hele opluchting wanneer het
voorbij was en wij terug bij de vertrouwde kachel zaten.
"En" zei nonkel "moesten we nu in het jong opschietend graan met een slakkenplaag Ie doen krijgen,
dan kunnen we die bestrijden, met driemaal rond de akker te gaan en, aanhoudend, 't St
Jansevangelie te bidden. Men moet er echter goed op letten om bij elke ommegang een paar stappen
zwijgend voorbij te gaan, en dat open gelaten deel, is de poort langswaar het ongedierte de plek
kan verlaten!!- Dat nonkel bijgelovig was? - Iedereen was het in die tijd en de ergste ketters
gingen het meest op beeweg.
Was er te veel werk op het ogenblik dat er een plaag uitbrak, dan werd die karwei toevertrouwd
aan "Kromme Tist", die mits enige vergoeding en wanneer hij genoeg cliënten bijeen had, soms uren
ver ging.
Hij vertrok dan 's morgens vroeg met de knapzak op de rug en, steunend op een mispeleren stok
met ijzeren punt, kwam hij 's avonds, meestal bezopen, terug; de weg was lang en er waren zoveel
kapellekens!!
Dokus, of kortweg Do, die in een klein huisje naast de boerderij woonde, kwam regelmatig op de
winteravonden bij de warme kachel zijn pijpje roken.
Hij vertelde over de reizen die hij vroeger gemaakt had, niet dat hij ooit ver weg geweest was,
maar jaren lang ging hij de kermissen af met een paardjesmolen. Hij had heel wat gezien en
avonduurtjes beleefd, die hij graag in herinnering bracht.
Ik luisterde met gespannen aandacht wanneer hij het kanon van Diest beschreef, dat in mijn
verbeelding monsterachtige afmetingen aannam.
Want, zei Do: "Wie den reus wil horen zingen, moet een ton poeder mede brengen!"
Hoeveel een ton was, wist ik niet, maar het moest iets geweldigs zijn!!
Nu ging Do bij tussenpozen bij de boeren helpen, waar hij door de andere werklui zowat als hun
voorman werd aangezien. Hij had dan ook zijn eigen systeem om het werk te regelen. Wanneer ze
bijv. - bij afwezigheid van de baas - een stuk koren moesten pikken, nam Do het graanveld in
ogenschouw zoals een generaal die een veldslag voorbereidt, besliste waar zij zouden beginnen, en
zei dan: "Doe het maar op uw gemak, we krijgen dat vandaag gemakkelijk gedaan."
Na de middagrust hield hij een tweede inspectie en verklaarde met dezelfde ernst: "We moeten ons
niet dood werken, want we krijgen het toch niet af!"
Maar Dokus beschikte nog over andere troeven.
Met al zijn kennis was hij pisbeziener geworden en verzamelde kruiden tegen allerlei kwalen van
mens en dier.
Een paardenmeester was er toen in het dorp niet, en er een uit de stad laten komen
was te kostelijk; het werd zolang mogelijk uitgesteld.
Aan kleine gevallen dokterde men zelf en voor meer ingewikkelde zaken riep men Do.
Hij deed
allerhande operaties zoals het castreren van biggen en jonge stieren. - Het staartkappen bij
veulens was aan de smid voorbehouden -.
Maar Do's grote kunst bestond in het uitsnijden van de teerworm!! Wanneer bij een of ander
keuterboertje, een ondervoed en door tering opgevreten koetje op het punt stond te bezwijken,
werd de kwaal door Do rap ontmaskerd : "de TEERWORM".
Zonder aarzelen sneed hij dan de staart over een grote lengte open, vond het wit blinkend lint
van de staartzenuw de "WORM", en haalde hem er feilloos uit.
Wat niet belette dat de koe een paar dagen later aan de haak hing.
Al die bewerkingen woonde ik bij en stond er met gapende mond, maar onberoerd, naar te kijken.
Het kalven der koeien, het slachten van varkens en al die bloederige. dingen waren een dagelijks
gebeuren.
En toen kon ik persoonlijk met de kunde van Do en de zegeningen van St Jan kennis maken. Op
zekeren dag gleed ik uit en kwam op een ketel hete koedrank terecht, het deksel kantelde en ik
stond tot aan de linker knie in de brandemeelpap. Als een pijl uit een boog vloog ik er huilend
uit, en terwijl tante de klevende kous trachtte uit te trekken, liep nonkel om Loke en Lientje,
twee kwezelkens, die een paar huizen verder woonden, ter hulp te roepen.
Toen ze aankwamen vielen ze dadelijk voor mij op de knieën en begonnen luidop St Jansevangelie en
andere gebeden af te rammelen!
Intussen was ook Do verwittigd en wanneer de oude vrijsters met hun bezweringen klaar waren, legde
hij rond :mijn been een dikke laag verse, vette, koestront!!!!
En.... het hielp!!! De pijn verminderde en dik in vodden gewikkeld, werd ik al kermend, in 't bed
gelegd. Waren de brandwonden oppervlakkig?
Moest ik Do en St Jan bedanken?
In ieder geval was ik gauw genezen en behield slechts een paar littekens die ik u nu nog kan tonen.
J.. R.. |