Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1974,
nummer 6
" Boutersem in de eerste wereldoorlog:
 De eerste dagen van de bezetting."

 

 

Aansluitend bij het vorige artikel laten we nu het relaas volgen van. de eerste oorlogsdagen, zoals ze beleefd werden door de schrijver van het artikel.

 

Naast de oorlogsgebeurtenissen van 1914, die in Velpeleven door P. Dormaels en R. Geysens breedvoerig besproken werden, zijn er andere waar nauwelijks nog aan gedacht wordt. Iedereen weet dat de ouden graag naar hun kinderjaren terugkeren. Toen de zomers zo veel beter en de winters zo veel..... en patati en patata.

 

Terwijl aan de Oude Vijvers de slag in alle hevigheid woedde en ik onder de dreiging van Duitse geweren, eindeloos lang in de brandende zon stond, met opgeheven armen die wel honderd kg wogen, en doorzakkende knieën, doen was het geen patata! En zeker niet voor onze buurclan Gust, die een geladen revolver op zak had die ieder ogenblik ontdekt kon worden. Want de soldaten waren reeds met aftasten begonnen. Vaar Gust had een uiterst waakzame, bewaarengel die scherp toekeek. Op het ogenblik dat de zweetdruppels op het grauwe gezicht van onze buur, het dikste werden, kwam er een bevel dat de zoekers weg riep. Zich van het wapen de ontdoen was evenwel niet mogelijk, niemand mocht bewegen. Gust, goed kennend zou ik bijna durven beweren dat het zweet alleen door de stikkende hitte veroorzaakt werd, alhoewel de andere er toch uitgedroogd bij stonden. Maar hij die bij de "garsevik" was, had de vorige avond bewezen dat hij zijn vaderlandse plicht tot het uiterste zou volbrengen. Had hij niet in aanwezigheid van stomverbaasde omstanders die fameuze trommelrevolver, zoals men ze in de westernfilms nog kan zien, half leeggeschoten naar een hoog overvliegende "taube"!! (Duits vliegtuig).


Een afbeelding van het Duitse vliegtuig genaamd "
Etrich Rumpler Taube" uit de eerste wereldoorlog.
Foto:
courtesy of BDLI.

Maar aan alle marteling komt een einde, de soldaten trokken weg en zij die na hen kwamen keken wel hooghartig op de mensen neer, maar bekommerden zich verder alleen om hun zere voeten.

 

Na een paar dagen was het dorp verlaten en wij trokken voorzichtig op verkenning uit. Op de Grote Steenweg stapten onverpoosd de grijze legerscharen voorbij. Reusachtige Uhlanen met schrikwekkende doodshoofden op de muts en zwaarbeladen infanteristen met dof stampende laarzen, pinhamer en "God mit uns" op den buik. Er kwamen er zoveel dat Gust, die rap een schatting deed, gewichtig zei: "Ze zeggen dat den Duits een miljoen soldaten heeft, maar 't zijn er zeker een miljard!". We gingen verder door een wolk van een alles doordringende stank, die opsteeg uit de nasmeulende puinhopen van tientallen afgebrande huizen, en zich mengde met de zoeterige geur van bedorven vlees. In een boomgaard hadden de Pruisen enige varkens geslacht, waar ze alleen de beste stukken van gebruikten, terwijl de koppen, ingewanden en - ongewoon bij ons - de afgestroopte huiden, overal in het gras lagen de rotten. Op de binnenkoer van de brouwerij, midden in een grote poel van gistend bier, stond een rij vaten met op elk, een koe-, kalfs- of varkenskop die met hun afdruipend bloed de tonnen in surrealistische schilderijen herschiepen. Het was als werd er hier aan de machtige oorlogsgod een heidens offer opgedragen! Terwijl een paar honderd meters verder, op het "Steenke", 'waar een voorlopig kamp was opgericht, harmonicagezaag en heimatliederen weerklonken.

 

De volgende dagen keerde de rust langzaam weder, de zomer hield aan, er was werk op het veld, en het oorlogsgeweld was reeds ver weg. Toen opeens, vraag niet wanneer, ik ben niet van diegenen die u kunnen vertellen dat er in 1921 op 29 maart, natte sneeuw viel!, maar wel dat we plots, als kwamen ze uit de lucht gevallen, neus aan neus stonden met een tiental Belgische soldaten "Carabiniers cyclisten". Bloemen konten we hen niet aanbieden, ze kwamen te. onverwacht en ze hadden meer aan de volle schenkbladen met schuimende "Jack-Op" die uit de herbergen - er was er toen alle vijf huizen één - aangebracht en gretig geledigd werden. Maar het moest snel gaan en veel woorden werden er niet aan verspild. Achter de kerk hielden ze halt, terwijl een van hen tot bij de Vondelbeek sloop en vandaar de wacht aan de spoorbrug onder vuur nam. In Roosbeek was een gelijkaardige groep er in geslaagd de brug op te blazen, maar. hier was er dadelijk hevige weerstand daar er in het station een sterke afdeling Duitsers gelegerd was. Onze mannen verkozen dan ook naar de Steenweg terug te rijden. Zij waren verkenners van het Belgische leger dat de omsingeling van Antwerpen doorbroken had om de Duitsers in de flank aan te vallen en zo hun deel bij te dragen om hen de Slag. van de Marne te doen verliezen.

Toen de cyclisten op de Grote Baan kwamen, werden ze opgemerkt door de inzittende van een Duitse auto die uit de richting Tienen kwam, zo haast mogelijk omkeer maakte, en naar het station reed om Tienen te alarmeren. Terwijl deze auto er naartoe reed, kwam er een tweede die het manoeuvre niet gezien had en recht doorreed. De Voorposten hadden zich inmiddels teruggetrokken tot bij de '"Krommen herent" waar, achter een hoop puin, een mitrailleur was opgesteld. In afwachting dat de auto er aankomt, een korte beschrijving van dat superwapen; -vraag weer geen juiste afmetingen!-. Op een as zowat 40 à 50 cm boven de grond en ongeveer 80 cm breed, gedragen door twee velowielen, lag de klakkebus vastgeschroefd. Het geheel werd getrokken door twee honden evenals, het karretje vol munitie die erbij hoorde. De bedieners stapten ernaast en hielden de dieren aan de leiband. Wanneer het spel in gereedheid gebracht werd moesten de geoefende honden. zo laag mogelijk tegen de grond blijven liggen. U kunt er mede lachen, maar het werkte. Want zie daar komt de auto! een paar korte vuurstoten en de boel vliegt de gracht in, vier of vijf doden waaronder een generaal en een Prins... .Waar of niet? Dat het geen klein grut was zagen we later. Eerst werden zij ter plaatse begraven naar nadien naar het kerkhof overgebracht, waar een groot gedenkteken ter hunner nagedachtenis werd opgetrokken, en waar regelmatig, officieren en statige Duitse dames, bloemen kwamen neerleggen. Ik kon toen het Gotisch schrift nog niet ontcijferen, en na de oorlog is alles verdwenen.

 

Maar nu naar de Zielenberg! De Duitsers waren verwittigd en van alle kanten kwamen ze aanrukken. In "de dieperik" te Bost spuwden, de ene trein na de andere, hunne lading soldaten en materieel. De Belgen hadden hun kanonnen opgesteld langs Pellenberg naar Lubbeek en bestookten van daar de Steenweg en spoorbaan. Het gevecht duurde heel de achtermiddag doch gedurende de nacht trokken de Belgen zich terug. Wat het aan de Duitsers kostte is natuurlijk niet geweten. Niemand in het dorp mocht op de straat komen en de luiken moesten gesloten blijven zodat men niet kon zien wat er in de afrijdende, met zeildonk toegedekte wagens lag. Maar achteraf zagen we dat de velden langs de Zielenberg bezaaid waren met oorlogstuig en zo talrijke kanonskogels dat eenieder dacht, daar kon geen kat tussen door komen. De woedende Duitsers beweerden dat de kerktoren van Pellenberg tot observatiepost gediend had, en haalden hem enige dagen later, met kanonschoten neer.

 

Het volgende bedrijf speelde zich af in de lente van 1915 op een weekdag dat wij, 't is te zeggen, een dozijn snotneuzen en bijna evenveel oude vrouwen, de mis bijwoonden, barste plotseling een hagelbui van geweerschoten los. Verschrikt liet de pastoor het altaar in de steek en samen gingen wij, als een kudde bange schapen, langs de dikke buitenmuur staan, luidop schietgebeden biddend. Toen werd de deur ruw open gestoten, soldaten stormden binnen en met barse stemmen die onder de hoge gewelven galmden, schreeuwden ze "er aus!" Toen we in paniek buiten kwamen, wemelde het daar van opgewonden Duitsers, terwijl hun officier, te paard gezeten, de lucht met zijn sabel aan stukken hakte. Ze hadden. toen hun vergissing reeds ingezien maar wilden de schuld op andere schuiven; "Man hat geschossen". Kerk en toren, met pastoor en koster voorop, werden doorzocht maar natuurlijk werd er niemand gevonden. Het volgende was gebeurd: in het begin van de oorlog droegen de Beierse soldaten nog geen "feldgrau" maar blauwe uniformen met platte muts, wat veel geleek op de kleding der Belgische Piotten. En het was die gelijkenis die de wachten op de spoorweg had doen vuren toen de troep aan de kerk verscheen. Gelukkig voor ons waren er geen slachtoffers, want anders waren de gevolgen niet te overzien geweest. Inderdaad, toen nog een weinig later in "den Dieperik" een springtuig op het spoor ontplofte, werden dadelijk twee huizen te Vertrijk afgebrand en verscheidene gijzelaars te Leuven opgesloten, die na enige tijd door andere werden afgelost, zo ging het lange maanden, door.

Voor de eersten was het een nachtmerrie geweest, maar daar alles rustig bleef gingen de laatsen er om de beurt drie dagen lustig kaart spelen.

 

J..R..
 

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany