|
HET GEVECHT AAN HET STATION VAN ROOSBEEK VAN SEPTEMBER
1914
Aansluitend bij de verklaring van de heer Jozef Merckx
nopens het gevecht aan het station van Roosbeek, brengen we in deze bijdrage
het getuigenis van CELINE BRIKE, echtgenote van de heer Jozef Puyneers.
Op 18 augustus had het ganse gezin BRIKE de vlucht genomen
naar Brussel; nauwelijks acht dagen later waren allen gaaf en gezond weergekeerd
in de ouderlijke woning aan de Groenstraat te Roosbeek.
Van de eerste bezettingsdagen kon zij aldus geen getuige
geweest zijn. Daarentegen, alhoewel Celine op het ogenblik van de feiten slechts
14 jaar oud was, herinnert ze zich toch heel goed wat zich afspeelde op een
bepaalde dag in september 1914. Ziehier haar relaas.
"Die dag moesten we - Jomme Lemoine, zijn zuster, mijn
oudste broer Rik en ikzelf - klaveren gaan maaien voor de beesten aan het
station van Roosbeek. Het klaverveld lag daar vóór de siroopfabriek van de heer Bruwier. Met kruiwagen en zeis stapten we op; aan het kruispunt van de Grote
Baan (thans Leuvensesteenweg) met de Spoorwegstraat (Stationsstraat) stond een
Duits soldaat op wacht, meer bepaald aan het huis van Theophiel Laeremans (dat
intussen afgebroken is). Wij praatten even met de Duitser, die zich liet
ontvallen dat hij liever thuis zou geweest zijn bij vrouw en kinderen.
Op het veld aangekomen begonnen de mannen dadelijk te
maaien, terwijl wij de klaveren op de kruiwagen laadden.
Opeens zagen wij een grote groep Belgische soldaten uit de Zavelstraat, aan de overkant van de Grote Baan, komen.
Van in de verte deden zij ons teken dat wij ons uit de voeten moesten maken; kruiwagen en zeis werden achtergelaten; Jomme Lemoine en zijn zuster zochten hun toevlucht in de kelder van Phille Laeremans, terwijl mijn broer en ik de kelder van Vadder aan de andere zijde van de Grote Baan opzochten.
Wij hadden ons nog maar pas verscholen of we hoorden hevig schieten.
De Belgen beschoten het station waar enkele Duitsers de wacht hielden. Deze laatsten, totaal verrast, schoten wel even terug, maar zagen spoedig in dat ze voor een onmogelijke opgave stonden en vluchtten over de spoorweg het veld in. Trouwens schijnt men achteraf een gewonde Duitser gevonden te hebben in een bietenveld, dus aan de overkant van de spoorbaan.
Nadat men had opgehouden met schieten, verlieten wij onze schuilplaats en gingen terug naar het klaverveld. Tussen het huis van Phille Laeremans en het station aan de rechterkant vonden we evenwel het lijk van de Duitser, met wie we even tevoren gesproken hadden. Waarschijnlijk had ook hij, toen hij ons had zien vluchten, de Belgen bemerkt en was hij op weg naar het station om zijn strijdmakkers te verwittigen, hetgeen hem fataal werd: hij werd dodelijk getroffen in de hartstreek. Zijn ontzield lichaam lag op de plaats waar thans het huis van Louis, de postmeester (de heer Beylemans),
staat. Van de Belgische soldaten vernamen we dat ze als opdracht hadden de brug
onder de spoorweg op te blazen; in feite ging het niet om een echte brug, maar
om een riolering die onder de spoorweg liep. Na uitvoering van deze opdracht
zijn ze terug langs de Zavelstraat verdwenen.
Wat de gedode Duitser betreft, hij werd ter
plaatse begraven, waarschijnlijk door de Duitsers. Na tamelijk lange tijd werd
hij door de Duitsers weer opgegraven en naar een onbekende bestemming gevoerd.
Bij de Belgen werd tijdens het kortstondig gevecht niemand gekwetst.
R. GEYSSENS
|