Als d'ene blinde de
andere leidt,
zullen ze beiden in de gracht vallen.
Beginnen met de
spreuk die als onderwerp diende voor een van Bruegels beroemdste werken, staat
bijna gelijk met harakiri plegen. De vrees is niet ongegrond dat de lezers samen met mij het
lot der blinden zullen delen. Inderdaad, het is niet omdat men een paar
tentoonstellingen van dat schilderwerk zag, dat men er ook bevoegd zou kunnen
over oordelen. En hoevelen onder U hebben buiten de afdruksels van het
overbekende Bruiloftsmaal, de boerendans en de oogst, nog andere werken van de
schilder gezien. Ik kan U ook ter verduidelijking geen prenten tonen, zodat
het wel eens een dovemansgesprek zou kunnen worden, en ik evengoed "tegen de maan pissen
kon". Iedere keer dat het teken "....." gebruikt
wordt, gaat het om een gezegde dat door Bruegel in zijn prent "De Spreuken"
afgebeeld werd.
Daar 'Velpeleven'
dit jaar zelf "de bezem uitstak" en "de taarten van het dak liet
rollen", kon ik niet anders dan "de kat de bel aanbinden", zonder daarom "tegen
de oven te willen gapen". Indien ik "in hot donker de kaars aansteek" op gevaar
van "door de mand te vallen", is het omdat, zoals bekend, "de gekken de beste
kaarten krijgen" en dus, op zoek naar Bruegel
Hij is geboren in het jaar ...... in het jaar.... pardaf, daar hebt ge 't al; "mijnen haring braadt niet", maar niemand weet het! Daar hij in
1551 tot het schildersgild werd toegelaten en dan minstens 20 jaar oud zal
geweest zijn, is hij dus tussen 1525 en 1530 ter wereld gekomen.
Laat ons niet verder "aan het been knagen" en zeggen dat hij het levenslicht
zag te .... ik .... weet het ook niet.
Denk nu maar niet dat ik er "het bijltje wil bij neerleggen"; neen, ik zal
"het vlees aan het spit blijven begieten"
"Ik wil niemand bij de neus nemen", al "zit ik op hete kolen".
Ik wil "mijn laatste pijlen verschieten!"
Het was volgens sommigen in het dorp Drueghel, -waaraan hij zijn naam zou
ontleend hebben- dat gelegen is bij de stad Breda in het Zuiden van Nederland.
Voor anderen stamt hij uit Grote of Kleinen Brogel, beneden de grens dus in
Limburg. Ge kunt er over twisten, maar evengoed "met uwen kop tegen de muur
lopen" Het is zuiver chauvinistische haarkloverij, want die grens bestond toen
nog niet, vermits de afscheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke
Nederlanden (Nederland en België) slechts een halve eeuw na Pieters dood tot
stand kwam. Hij was een Brabander. Onze provincie tesamen met Antwerpen en het
Nederlandse Noord-Brabant vormden één enkel gewest met als hoofdstad
Leuven, en later Mechelen en Brussel, en met als grote nederzettingen Antwerpen, Breda en 's Hertogenbosch. Brogel
ligt daarenbovén in het land van Loon en
hoorde dus bij het Prinsbisdom Luik.
Nu we toch in geschiedenis en aardrijkskunde verzeild
zijn, veroorloof ik mij een kleine zijsprong, die niets met ons onderwerp te
maken heeft. Een groot onderleen van het Hertogdom was het land van Berg; 't is te zeggen de strook ten
Noorden van Antwerpen tot aan de Moerdijk tussen de Oosterschelde en de
omgeving van Breda, met als centrum Bergen op Zoom. Dat gewest kwam in de
Middeleeuwen (jaar ?) door huwelijk in het bezit van de Heren van boutersem, die
naar ginds verhuisden en onze gemeente aan een zijtak van de familie overlieten.
Er mag ook aangestipt dat zij toen reeds het wapenschild droegen dat later de
Belgische driekleur zou worden (van chauvinisme gesproken)
"Terug van de os op de ezel gesprongen" en naar Bruegel, die
daar in de buurt geboren is, maar van patriottisme geen benul heeft of er "zijn
gat aan veegt"
Om eindelijk iets positiefs over hem te vernemen moeten we te rade
gaan bij Karel Van Mander, die dertig jaar na 's meesters dood een
levensbeschrijving van hem uitgeeft, Hij schrijft :'Den seer gheestigen Pieter
Bruegel welcken is gheboren niet wyt van Breda op een dorp gheheeten Brueghelo
Heeft de Const gheleert bij Pieter Coeck van Aelst wiens dochter hij naemaels
trouwde, en hadse doe sy noch dein was dickwils op den arem
ghedragen. Voorts is hij ghereyst in Vranckryk ende van daer naar Italiën. Hy
heeft veel nae't leven geconterfeyt so dat er gheseyt
wort dat hij in de Alpen wesende, al die berghen en rotsen had ingheswolghen en
't huys ghecomen. op doeken en penneelen uytghespogen hadde".
Verder verhaalt hij hoe Pieter in 1551 in Antwerpen
ging wonen en hoe hij ging werken bij een zekere Han Frankert met wie hij
verkleed als boer, dikwijls naar den buiten ging en bij de boeren op kermis of
bruiloft zijn plezier vond.
'Daer hadde Bruegel syh vermaeck, dat wesen der boeren in eten, drincken, dansen, springen, vrijagiën,
gaen, staen, oft andere actiën te sien. Welcke dingen hij dan seer cluchtigh
en aerdig wist met den verwen nae te bootsen'.
Daar wonend vrijde hij met de meid des huizes, misschien al
denkend aan een van zijn latere spreuken: "vrijen onder een dak, is het
schande, 't is een gemak". Toch mocht hij zich met Coeckes dochter verloven, op
voorwaarde dat hij naar Brussel kwam wonen, "ende vergheten dat voorige
meysken". Zo kwam hij in de Hoogstraat op de Marollen terecht waar hij in
1563 trouwde met Maryke Coecke. De toestand was in die tijd niet
schitterend. De praaltijd van het Boergondische hof was voorbij en men zuchtte
onder de Spaanse verdrukking. De strijd tussen politieke en kerkelijke macht
enerzijds en het ketters protestantisme van Luther en Calvijn, die grote aanhang
vonden, anderzijds, was op zijn hoogtepunt. Het volk leefde in armoede.
Bedelaars, dieven, hagepredikers en onbetaalde legerbenden, samen met
beeldenstormers, overspoelden het land. Er wordt dermate geplunderd en gemoord dat
men zich kan afvragen hoe nog iemand buiten de bescherming van de stad in leven
bleef en daar ging het al niet veel beter, vooral na de publicatie der plakkaten
van Keizer Karel tegen de ketters. Afgunst, verdenking of verraad brachten velen
op het schavot of op de brandstapel, meestal voorafgegaan door beestachtige
folteringen, vooral na de komst van de wreedaard Hertog van Alva onder het
bewind van Filips !I van Spanje.
Toen ze de aftocht bliezen was het niet door militaire
tegenslagen, maar omdat hun legers, tegelijk met de bevolking, uitgedund werden
door besmettelijke ziekten zoals pest, pokken en cholera, en zich in het
kaalgevreten land niet meer konden handhaven.
Hoe stond Bruegel midden in die heksenketel ?
Hij was geen "pilaarbijter", maar was hij Rooms, reformist
of humanist, zoals zijn geleerde vriend Erasmus, die toen zijn 'Lof der Zotheid"
schreef?
Hij heeft het niet gezegd en geen enkel geschrift nagelaten,
want men kon wel eens "bij de duivel te biechten gaan" en de sluwe vos liet zich
niet vangen!
Het kwam er op aan "van aan zijn brood te geraken" en niet
"achter het net tee vissen", want "hierom en daarom gaan de ganzen barvoet&'.
Dat hij onverschillig zou geweest zijn is nauwelijks van zo een gevoelig
kunstenaar te geloven. Wellicht was hij een opportunist, die "een zeiltje in het
dog hield" en "zijn huik naar de wind wist te hangen". Het gewone volk moest
veel"door de vingers zien" en "zich krommen om door de wereld te geraken". .Het
waren zij niet die "stokken in de wielen konden steken", want toen zoals
altijd"vraten de grote vissen de kleinen". Ze zouden nooit "aan het langste eind
trekken'" en 'langst en vrees doen zelfs de ouden rennen".
Het is voor ons onmogelijk om met de mensen van die tijd,
die gebukt gingen onder onwetendheid en bijgeloof, in aanraking te komen.
Terugblikken over een afstand van meer dan vier eeuwen is uitgesloten. Door
alles wat de wetenschap ons bracht en wat wij de laatste jaren zagen, is de wereld totaal
veranderd. Maar ! De gevoelens zijn het niet, al groeien ze in een andere grond.
Deugd en ondeugd, vriendschap en liefde tegen haat en afgunst, medelijden en
verdraagzaamheid naast uitbuiterij en wraaklust hebben wij geërfd en gekoesterd.
Een ander dun draadje dat de laatste jaren totaal is doorgeknipt, kan alleen
gevolgd worden door hen die het begin dezer eeuw gekend hebben. Zij weten nog
met welke hartstocht men toen kermiste, al dronken de koppels uit één pint, niet
om hun lippen te kunnen drukken op de plaats waar die der geliefde hadden
vertoefd, - zo iets gebeurt slechts in drie-stuiversromans voor bakvissen - maar
uit zuinigheid, al kostte een glas bier in die tijd drie centen. Zij zagen nog
dezelfde stulpen, lemen huisjes, soms met pannen maar meestal met zwart rottend
stro bedekt. Loerend door venstertjes van nog geen halve vierkante meter naast
een deurtje waardoor men gebukt naar binnen moeste Overal vielen stukken leem
uit de gevels, zodat men door het vermolmde latwerk naar binnen kon kijken. Zij
droegen geen vlaaien op een deur naar de feesttafel, maar toch naar de oven, en
sleepten dezelfde aarden bierstopen en korven met boterhammen en fruit naar de
pikkers die ze hielpen de schoven in hopen te zetten, in rijen die de akkers
bedekten en waartussen de arme lieden aren mochten lezen, juist zoals Bruegel ze
tekende. Indien de manskleding gevoelig gewijzigd is, de boerinnen droegen
ongeveer dezelfde vodden, bont gelapte zware rokken tot op de voeten - die baaie
rokken van de Jordaan - een groot doek dat over rug en schouders, kruisgewijs
over de borst gespeld was en op het hoofd een witte, soms gekleurde koof in
kortenet (cotonette). Ja, zelfs de beurs die met een lint om de lee gebonden was,
ontbrak niet, maar ze hing
onder de rok en was bereikbaar door een spleet
die wij het builgat noemden. Zo zouden we nog veel gelijkenissen kunnen
aanhalen, maar °laten we nog een ei in het nest" voor volgende keer.
J..R..