Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1975,
nummer 5
"De kunstenaar en zijn wereld, Pieter Bruegel."

Als d'ene blinde de andere leidt,
zullen ze beiden in de gracht vallen.

Beginnen met de spreuk die als onderwerp diende voor een van Bruegels beroemdste werken, staat bijna gelijk met harakiri plegen. De vrees is niet ongegrond dat de lezers samen met mij het lot der blinden zullen delen. Inderdaad, het is niet omdat men een paar tentoonstellingen van dat schilderwerk zag, dat men er ook bevoegd zou kunnen over oordelen. En hoevelen onder U hebben buiten de afdruksels van het overbekende Bruiloftsmaal, de boerendans en de oogst, nog andere werken van de schilder gezien. Ik kan U ook ter verduidelijking geen prenten tonen, zodat het wel eens een dovemansgesprek zou kunnen worden, en ik evengoed "tegen de maan pissen kon". Iedere keer dat het teken "....." gebruikt wordt, gaat het om een gezegde dat door Bruegel in zijn prent "De Spreuken" afgebeeld werd.

Daar 'Velpeleven' dit jaar zelf "de bezem uitstak" en "de taarten van het dak liet rollen", kon ik niet anders dan "de kat de bel aanbinden", zonder daarom "tegen de oven te willen gapen". Indien ik "in hot donker de kaars aansteek" op gevaar van "door de mand te vallen", is het omdat, zoals bekend, "de gekken de beste kaarten krijgen" en dus, op zoek naar Bruegel

 

Hij is geboren in het jaar ...... in het jaar.... pardaf, daar hebt ge 't al; "mijnen haring braadt niet", maar niemand weet het! Daar hij in 1551 tot het schildersgild werd toegelaten en dan minstens 20 jaar oud zal geweest zijn, is hij dus tussen 1525 en 1530 ter wereld gekomen.

Laat ons niet verder "aan het been knagen" en zeggen dat hij het levenslicht zag te .... ik .... weet het ook niet.
Denk nu maar niet dat ik er "het bijltje wil bij neerleggen"; neen, ik zal "het vlees aan het spit blijven begieten"
"Ik wil niemand bij de neus nemen", al "zit ik op hete kolen". Ik wil "mijn laatste pijlen verschieten!"

Het was volgens sommigen in het dorp Drueghel, -waaraan hij zijn naam zou ontleend hebben- dat gelegen is bij de stad Breda in het Zuiden van Nederland. Voor anderen stamt hij uit Grote of Kleinen Brogel, beneden de grens dus in Limburg. Ge kunt er over twisten, maar evengoed "met uwen kop tegen de muur lopen" Het is zuiver chauvinistische haarkloverij, want die grens bestond toen nog niet, vermits de afscheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden (Nederland en België) slechts een halve eeuw na Pieters dood tot stand kwam. Hij was een Brabander. Onze provincie tesamen met Antwerpen en het Nederlandse Noord-Brabant vormden één enkel gewest met als hoofdstad Leuven, en later Mechelen en Brussel, en met als grote nederzettingen Antwerpen, Breda en 's Hertogenbosch. Brogel ligt daarenbovén in het land van Loon en hoorde dus bij het Prinsbisdom Luik.

Nu we toch in geschiedenis en aardrijkskunde verzeild zijn, veroorloof ik mij een kleine zijsprong, die niets met ons onderwerp te maken heeft. Een groot onderleen van het Hertogdom was het land van Berg; 't is te zeggen de strook ten Noorden van Antwerpen tot aan de Moerdijk tussen de Oosterschelde en de omgeving van Breda, met als centrum Bergen op Zoom. Dat gewest kwam in de Middeleeuwen (jaar ?) door huwelijk in het bezit van de Heren van boutersem, die naar ginds verhuisden en onze gemeente aan een zijtak van de familie overlieten. Er mag ook aangestipt dat zij toen reeds het wapenschild droegen dat later de Belgische driekleur zou worden (van chauvinisme gesproken)

"Terug van de os op de ezel gesprongen" en naar Bruegel, die daar in de buurt geboren is, maar van patriottisme geen benul heeft of er "zijn gat aan veegt"

Om eindelijk iets positiefs over hem te vernemen moeten we te rade gaan bij Karel Van Mander, die dertig jaar na 's meesters dood een levensbeschrijving van hem uitgeeft, Hij schrijft :'Den seer gheestigen Pieter Bruegel welcken is gheboren niet wyt van Breda op een dorp gheheeten Brueghelo Heeft de Const gheleert bij Pieter Coeck van Aelst wiens dochter hij naemaels trouwde, en hadse doe sy noch dein was dickwils op den arem ghedragen. Voorts is hij ghereyst in Vranckryk ende van daer naar Italiën. Hy heeft veel nae't leven geconterfeyt so dat er gheseyt wort dat hij in de Alpen wesende, al die berghen en rotsen had ingheswolghen en 't huys ghecomen. op doeken en penneelen uytghespogen hadde".

Verder verhaalt hij hoe Pieter in 1551 in Antwerpen ging wonen en hoe hij ging werken bij een zekere Han Frankert met wie hij verkleed als boer, dikwijls naar den buiten ging en bij de boeren op kermis of bruiloft zijn plezier vond.

'Daer hadde Bruegel syh vermaeck, dat wesen der boeren in eten, drincken, dansen, springen, vrijagiën, gaen, staen, oft andere actiën te sien. Welcke dingen hij dan seer cluchtigh en aerdig wist met den verwen nae te bootsen'.

Daar wonend vrijde hij met de meid des huizes, misschien al denkend aan een van zijn latere spreuken: "vrijen onder een dak, is het schande, 't is een gemak". Toch mocht hij zich met Coeckes dochter verloven, op voorwaarde dat hij naar Brussel kwam wonen, "ende vergheten dat voorige meysken". Zo kwam hij in de Hoogstraat op de Marollen terecht waar hij in 1563 trouwde met Maryke Coecke. De toestand was in die tijd niet schitterend. De praaltijd van het Boergondische hof was voorbij en men zuchtte onder de Spaanse verdrukking. De strijd tussen politieke en kerkelijke macht enerzijds en het ketters protestantisme van Luther en Calvijn, die grote aanhang vonden, anderzijds, was op zijn hoogtepunt. Het volk leefde in armoede. Bedelaars, dieven, hagepredikers en onbetaalde legerbenden, samen met beeldenstormers, overspoelden het land. Er wordt dermate geplunderd en gemoord dat men zich kan afvragen hoe nog iemand buiten de bescherming van de stad in leven bleef en daar ging het al niet veel beter, vooral na de publicatie der plakkaten van Keizer Karel tegen de ketters. Afgunst, verdenking of verraad brachten velen op het schavot of op de brandstapel, meestal voorafgegaan door beestachtige folteringen, vooral na de komst van de wreedaard Hertog van Alva onder het bewind van Filips !I van Spanje.

Toen ze de aftocht bliezen was het niet door militaire tegenslagen, maar omdat hun legers, tegelijk met de bevolking, uitgedund werden door besmettelijke ziekten zoals pest, pokken en cholera, en zich in het kaalgevreten land niet meer konden handhaven.

Hoe stond Bruegel midden in die heksenketel ?

Hij was geen "pilaarbijter", maar was hij Rooms, reformist of humanist, zoals zijn geleerde vriend Erasmus, die toen zijn 'Lof der Zotheid" schreef?

Hij heeft het niet gezegd en geen enkel geschrift nagelaten, want men kon wel eens "bij de duivel te biechten gaan" en de sluwe vos liet zich niet vangen!

Het kwam er op aan "van aan zijn brood te geraken" en niet "achter het net tee vissen", want "hierom en daarom gaan de ganzen barvoet&'. Dat hij onverschillig zou geweest zijn is nauwelijks van zo een gevoelig kunstenaar te geloven. Wellicht was hij een opportunist, die "een zeiltje in het dog hield" en "zijn huik naar de wind wist te hangen". Het gewone volk moest veel"door de vingers zien" en "zich krommen om door de wereld te geraken". .Het waren zij niet die "stokken in de wielen konden steken", want toen zoals altijd"vraten de grote vissen de kleinen". Ze zouden nooit "aan het langste eind trekken'" en 'langst en vrees doen zelfs de ouden rennen".

Het is voor ons onmogelijk om met de mensen van die tijd, die gebukt gingen onder onwetendheid en bijgeloof, in aanraking te komen. Terugblikken over een afstand van meer dan vier eeuwen is uitgesloten. Door alles wat de wetenschap ons bracht en wat wij de laatste jaren zagen, is de wereld totaal veranderd. Maar ! De gevoelens zijn het niet, al groeien ze in een andere grond. Deugd en ondeugd, vriendschap en liefde tegen haat en afgunst, medelijden en verdraagzaamheid naast uitbuiterij en wraaklust hebben wij geërfd en gekoesterd. Een ander dun draadje dat de laatste jaren totaal is doorgeknipt, kan alleen gevolgd worden door hen die het begin dezer eeuw gekend hebben. Zij weten nog met welke hartstocht men toen kermiste, al dronken de koppels uit één pint, niet om hun lippen te kunnen drukken op de plaats waar die der geliefde hadden vertoefd, - zo iets gebeurt slechts in drie-stuiversromans voor bakvissen - maar uit zuinigheid, al kostte een glas bier in die tijd drie centen. Zij zagen nog dezelfde stulpen, lemen huisjes, soms met pannen maar meestal met zwart rottend stro bedekt. Loerend door venstertjes van nog geen halve vierkante meter naast een deurtje waardoor men gebukt naar binnen moeste Overal vielen stukken leem uit de gevels, zodat men door het vermolmde latwerk naar binnen kon kijken. Zij droegen geen vlaaien op een deur naar de feesttafel, maar toch naar de oven, en sleepten dezelfde aarden bierstopen en korven met boterhammen en fruit naar de pikkers die ze hielpen de schoven in hopen te zetten, in rijen die de akkers bedekten en waartussen de arme lieden aren mochten lezen, juist zoals Bruegel ze tekende. Indien de manskleding gevoelig gewijzigd is, de boerinnen droegen ongeveer dezelfde vodden, bont gelapte zware rokken tot op de voeten - die baaie rokken van de Jordaan - een groot doek dat over rug en schouders, kruisgewijs over de borst gespeld was en op het hoofd een witte, soms gekleurde koof in kortenet (cotonette). Ja, zelfs de beurs die met een lint om de lee gebonden was, ontbrak niet, maar ze hing onder de rok en was bereikbaar door een spleet die wij het builgat noemden. Zo zouden we nog veel gelijkenissen kunnen aanhalen, maar °laten we nog een ei in het nest" voor volgende keer.

J..R..

 

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany