Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1975,
nummer
  6
"
Geneeskruiden van bij ons: de Maretak ."

Halfparasiet

Deze keer zullen we het hebben over een buitenbeentje in het plantenrijk; de maretak. In de late herfst en in de winter, wanneer de bomen geen bladeren meer hebben, kunnen we niet voorbij aan de maretak. Zijn ongewoon voorkomen - kogelronde struik met altijd groene bladeren - trekt zeker onze aandacht. Hij schijnt als het ware te waken over zijn gastheer terwijl deze laatste zijn winterslaap doet.

Wij schrijven wel gastheer; de maretak is immers een halfparasiet, hetgeen wil zeggen dat hij profiteert van de inspanningen van iemand anders, in casu de boom waarop hij groeit en waaruit hij water en de erin opgeloste minerale (en organische?) stoffen haalt.

De maretak, van de familie der Vogellijmachtigen (Loranthaceae), is één van de zeldzame hogere planten, die zowel loofbomen als naaldbomen tot gastheer nemen.
Wetenschappelijk zijn er drie soorten:

  • de loofboommaretak, met de appelboom als meest voorkomende gastheer, maar die ook van de ene loofboom op de andere kan overgaan;

  • de zilversparmaretak, die alleen op zilversparren te vinden is;

  • de dennenmaretak, die op dennen en andere pijnbomen voorkomt.

In onze streken vindt men hem vooral op canadabomen en appelbomen, minder op eiken, beuken en andere loofbomen.

Vogellijm

De maretak is een kogelvormige struik met gaffelvormige twijgen, en is blijvend groen. Hij kan een diameter bereiken van zowat één meter. Uit een grote dikke stam groeien groene takken met blijvend groene, lancetvormige of breedtongvormige, tegenoverstaande, leerachtige loofbladeren, die aan de top van de twijg zitten. De bladeren van de maretakken die de appelboom als gastheer hebben zijn het breedst.
In maart en april ontwikkelen zich in de vork van de twijgen nietige geelgroene bloemen.
De vrucht is een kogelvormige witte bes met kleverig slijmachtig vlees. Dit kleverige slijm verklaart de tweede, eveneens veel voorkomende, naam van de maretak: vogellijm.
In Italië werden en worden de witte bessen nog gebruikt bij de vervaardiging van vogellijm. Met deze lijm worden takken bestreken; gaan de vogels hierop zitten, dan blijven ze vastkleven en kunnen op deze manier gemakkelijk worden gevangen. Men past deze methode vooral toe wanneer de trekvogels in grote massa's van Afrika naar Europa terugkeren.

Ook de Romeinen bereidden vogellijm uit het vlees van de bessen
 Wanneer we nu weten dat de bessen vooral door de lijsters worden verspreid, dan wordt de volgende spreuk meteen duidelijk; "Turdus ipse sibi cacat malum", hetgeen in vrije vertaling wil zeggen: "De lijster graaft haar eigen graf". Inderdaad, de in de witte bessen verborgen zaden worden door de vogels, vooral lijsters, verspreid: door middel van het bessenslijm blijven de zaden kleven aan de takken en kunnen ze zich dan ontwikkelen tot nieuwe planten.

Maretak is in tegenstelling tot andere planten niet in staat callus (Wondweefsel. Een los, witachtig weefsel dat ontstaat bij verwondingen van planten) te vormen. Deze callusvorming wordt verhinderd door een hormoonachtige stof die zich in de maretak bevindt; deze stof belet de wondgenezing, ook bij veel andere planten.
Wanneer de maretak, zoals we verder zullen zien, Baldus, de god van het licht en de groei , doodde, dan is die sage in zoverre waar, vermits de maretak in feite veel bomen doodt, en in het bijzonder de perenbomen.
Anderzijds is het mogelijk zowat 50% der appelbomen tegen het gif van de maretak te immuniseren of bestand te maken.
De zaden van de maretak "vallen slechts aan" nadat zij vooraf de lange weg door het spijsverteringsstelsel van de lijster hebben afgelegd. Men is er in geslaagd, namelijk door nabootsing van de stimulatie door de vertering, de maretak ook kunstmatig door middel van zaden te verspreiden. Wanneer men een zaadje van de maretak, liefst gestopt in een mengsel van leem en vogeluitwerpselen, in een vooraf gemaakte opening in de schors, en dit op het uiteinde van een twijg van de appelboom, inent, dan sterft de ganse twijg af tijdens het eerste levensjaar. Herhaalt men deze handeling het volgend jaar op de tegenoverstaande twijg, dan sterft slechts een halve twijg af. Vanaf het derde of vierde jaar is de boom immuun en draagt hij zoveel maretakken als men zaden inent. Sommige onderzoekers zien in deze zich ontwikkelende verdraagzaamheid een vorm van immunisatie.

De ontwikkeling van een nieuwe maretak verloopt als volgt. Na 1 jaar is de nieuwe plant 1 cm lang. Het tweede levensjaar levert nog ongeveer één centimeter op. Vanaf het derde en in het vierde jaar verschijnen de gaffelvormige vertakkingen. Vanaf het vijfde of zesde jaar kent de plant een explosie, hij groeit dan snel aan tot een kogelvormige struik.
Terloops mogen we hier aanstippen dat men er in geslaagd is maretakzaden op kunstmatige manier binnen de 24 uren tot kiemen te brengen.

De wetenschappelijke naam van de maretak is VISCUM ALBUM.
Bij de Romeinen is Viscum de naam zowel van de maretak als van de uit de bessen bereidde vogellijm. Dit is ook het geval met de Nederlandstalige benaming van vogellijm? Van onzekere oorsprong is de mistel of eikenmistel. In het Duits heet hij Mistel; in het Engels mistletoe en in het Frans "gui" (de chêne). In Kortenberg spreekt men van "boomkruid", in Rillaar van "halster" en in O.L.V. Tielt van"hulster".In Boutersem zelf wordt hij vooral maretak genoemd; sommige oudere mensen hielden het bij vogellijm, terwijl een enkele het had over "eksternest", waarschijnlijk naar gelijkenis hiermee.

Lange tijd heb ik gevreesd geen maretak te ontdekken in gans Boutersem. Ik had nochtans gehoopt er in het Velpedal aan te treffen op een van de talrijke canadabomen, die elders, ideale gastheren zijn. De reden waarom er in het Velpedal op dit ogenblik geen maretakken groeien, schijnt te liggen in het feit dat deze canadabomen nog te jong zijn, namelijk zowat 25 tot 30 jaar. Het blijkt nu vast te staan dat deze gastheren 40 jaren en ouder moeten zijn opdat een maretak zich zou kunnen ontwikkelen. (Misschien houdt dit verband met de zich langzaam ontwikkelende immunisatie, zoals hoger beschreven).

Groeien er geen maretakken op canada- of appelbomen in Boutersem, toch hebben we er!! Dankzij Romain Ausloos, beëdigd houtvester van Boutersem, hebben we er ontdekt in de Latstraat. (Zie plan)
Momenteel groeien er drie op een Meidoorn, hetgeen eerder zelden voorkomt. Die Meidoorn staat bovendien vermeld op de stafkaarten. Verleden jaar waren het er nog vijf, maar toen hebben de gemeentearbeiders van Boutersem, doornstruiken in brand gestoken in de onmiddellijke nabijheid van de meidoorn, met het noodlottige gevolg dat deze laatste sterk heeft te lijden gehad van het vuur en dat twee van de vijf maretakken teloorgingen. Op dit ogenblik dragen zij nog hun witte bessen. Hierbij weze opgemerkt dat dit jaar de maretakken op appelbomen geen, en deze op de canadabomen wel bessen dragen. De reden hiervan is mij onbekend (het schijnt vast te staan dat maretakken slechts alle drie tot vier jaar tot bloei komen op harde houtsoorten).

Zijn er momenteel slechts drie maretakken in gans Boutersem, in Lovenjoel daarentegen, groeien er tientallen! In deze winterperiode kan men ze duidelijk waarnemen in de canadabomen, links van de Grote Steenweg Leuven-Tienen, even voorbij de verkeerslichten te Lovenjoel. Aan de overzijde, namelijk op de verkaveling van Deborah, groeien er enkele op de oude appelbomen. Kijkt men van daar uit naar het gewezen park van de heer Dekeyzer, thans eigendom van de gemeente Lovenjoel, dan ziet men er tientallen in de oude canadabomen van het park. Deze bomen zijn voldoende oud, hetgeen de bewering staaft dat de maretakken eerder zullen voorkomen op bomen die eigendom zijn van particulieren dan op bomen die in het bezit zijn van openbare instanties, die planmatig gekapt worden, en aldus niet de kans krijgen om voldoende oud te worden teneinde maretakken te kunnen huisvesten. Reist men met de trein van Leuven naar Tienen, dan kan men er ook waarnemen links van de spoorweg, tussen Korbeek-Lo en Lovenjoel, namelijk op de canadabomen. In Bierbeek groeien momenteel maretakken in het park van het Wilderhof.
Wat hierbij telkens opvalt is het feit dat de maretakken in groepjes voorkomen, hetgeen waarschijnlijk te wijten is aan de manier van het verspreiden der zaadjes, namelijk door de vogels die van tak tot tak en van boom tot boom vliegen, waarbij zelden grote afstanden worden afgelegd.

De benaming

Van waar komt de naam maretak? Volgens Biekorf (1921) wordt de plant maretak genoemd omdat har takken zo taai zijn dat men er de mare (in het Frans "cauchemar") mede kan binden of uit de stal houden. " De mare is een tooveresse die heur veranderd heeft in een leelijke beest en die 's nachts op de borst van de menschen komt rusten, bij zoo verre dat deze gene asem meer kan halen. Dat noemt men "van de mare bezeten zin".

Anderzijds zouden volgens het volksgeloof deze kale, groene woekerplanten, nadat zij door de mare werden aangeraakt, een bijzondere kracht bezitten.
Aan de balken gehangen houden deze takken de mare van de veestal verwijderd.

Men heeft de onheilafwerende kracht van de maretak uitgebreid tot het "aanbrengen van geluk". Zo wordt de maretak rond Kerstmis, het Germaanse midwinterfeest, naar oud Keltisch gebruik, in een deuropening opgehangen. Onder de maretak wordt elk meisje gekust: het nieuwe jaar moet nieuwe vormen baren. Immers, groeiend op de heilige levensboom, de eik, bevat maretak alle levenskrachten, het beste van zijn gastheer.
Werd vroeger de nadruk gelegd op de bescherming tegen boze geesten en heksen, dan beoogt men thans veeleer geluk in het volgend jaar.

Zo is de maretak, vooral in Engeland (mistletoe) en sedert enige tijd ook bij ons, in de kerstviering ingeschakeld naast de kerstboom, een uit Duitsland ingevoerd gebruik. Zo ziet men in de Kersttijd in Engeland op talloze plaatsen een maretak opgehangen aan het plafond of boven de huisdeur. Met duidelijk mythische inslag is de maretak aldus het groen van de Engelse kerstnachten. (Vgl. Velpeleven, 1ste jg., Nr.3: kerstfolklore).
Ook in onze streken wordt dit gebruik nog in ere gehouden. Toen schrijver van dit artikel, samen met vrienden, onlangs -20/I2/75- voor een gezellig samenzijn uitgenodigd was ergens in Boutersem, was hij aangenaam verrast vast te stellen dat de gastheer een maretak had opgehangen boven de deur van de leefkamer.
Trouwens rond Kerstmis kan men zich in het Leuvense gemakkelijk maretakken aanschaffen hetzij op de bloemenmarkt, hetzij bij de bloemisten, en dit tegen tamelijk hoge prijzen.
In dit verband vragen wij u met aandrang: ga niet op jacht achter maretakken, verzamelt ze niet. Zo loopt u niet het risico dat deze speciale plantensoort uitsterft!

De maretak speelde zowel in de Oudheid als in de Germaanse mythologie een grote rol.
'De gouden toverstok', die aan Aeneas de toegang tot de onderwereld verschafte, wordt liefst vereenzelvigd met de maretak.
In de Edda (Germaanse mythologie) wordt verhaald hoe de zonnegod, Baldur, door de blinde god Hödur, met een 'Misteltein’, ttz. een pijl van de maretak, werd gedood.
Bij Plinius lezen we dat de Druïden, de priesters van de Galliërs niets voor zo heilig hielden als een op een eik groeiende maretak. Een oude druïdenregel luidde trouwens; "De maretaktwijg moet met de meeste eerbied, en liefst, indien mogelijk, tijdens de zesde maand ingezameld worden. Hij moet met een gouden mes of sikkel worden afgesneden. Het poeder van maretaktwijgen maakt vrouwen vruchtbaar."

Het gebruik als geneesmiddel

In de klassieke en ook in de volksgeneeskunde werd en wordt de maretak nog tamelijk veel gebruikt: meestal verzamelt men de bladeren, die saponinen, choline, acetylcholine, viscotoxine, enz; bevatten. Sommigen echter, verzamelen de gehele plant. Men kan zich het ganse jaar door bevoorraden.

Het verzamelen gebeurt aldus: de breekbare maretakken worden met lange stokken afgeslagen ofwel klimt men in de bomen en met een (gouden?) mes snijd"t men de gehele tak af. De aldus verkregen plant wordt in kleine stukken gesneden en daarna gedroogd bij kamertemperatuur zonder dat de zonnestralen eraan te pas komen, dus liefst in het donker.

Voor een eventuele verbruiker van maretak weze opgemerkt dat de werkzame stoffen gedeeltelijk vernietigd worden door de warmte; daarom hem liefst gebruiken in de vorm van een koud aftreksel.

Het gebruik van de maretak als geneesmiddel is oeroud.
In 1644 schreef Dodoens in zijn beroemd Cruydeboeck het volgende; " De lijmigheydt ofte taye vettigheydt die uit de Maretakken ghedouwt is, van buyten ghebruyckt, kan de humeuren oft vochtigheden uyt de diepten des lichaems naer haer trecken, niet alleen de dunne maer oock de dicke, deselve met ghewelt scheydende ende verteerende. Doch met herst ende soo veel wachs vermengt maeckt morw ende rijp oft doet slincken alle harde geschwillen ende sweeringhenende klieren die achter d'oore komen ende ook de puystkens oft sweerkens Epinyctides geheeten die den mensche meest des nachts pleghen te quellen. Dan binnen den lijve gebruyckt is dit Viscum hinderlijck. Men seydt oock dat het hout van de Marentacken seer goedt is tegen de vallende sieckten."

Gedurende de laatste 50 jaren heeft de wetenschap zich intens beziggehouden met de marentak. Zijn actieve stoffen werden opgezocht en afgezonderd. Men onderzocht op streng wetenschappelijke wijze hoe deze stoffen werkten bij mens en dier. Dit onderzoek is nog steeds niet afgesloten: men staat voortdurend voor nieuwe raadsels.

Zo heeft de maretak in de eerste plaats een bloeddrukverlagende werking. Welnu, op dit ogenblik is nog niet uitgemaakt welke stof de bloeddruk doet dalen, nadat men maretak langs de mond heeft ingenomen; acetylcholine, choline en histamine, alle die producten die inderdaad de bloeddruk verlagen, worden, immers bij hun gang door de maag grondig afgebroken en zijn slechts werkzaam bij rechtstreekse inspuiting in de bloedbaan.

Aan de andere kant echter, hebben proeven op mensen langdurige en zeer duidelijke genezingen teweeggebracht. Bij de proeven bleek verder dat bij de passage door het maag- en darmkanaal de in de maretak aanwezige schadelijke stoffen voor hart en ademhaling, krachteloos en zelfs vernietigd werden.

Maretak is op de eerste plaats een middel dat de bloeddruk doet dalen en de kramptoestanden van de bloedvaten opheft, eigenschappen welke 'ten goede' komen bij hoge bloeddruk en aderverkalking, met de daarmee gepaard gaande ziekteverschijnselen als hoofdpijn, migraine, krampen, duizeligheid, benauwingen, hartklem, enz. Hij verhoogt de waterafscheiding, is dus een diureticum. Hij is 'tevens een harttonicum; hij vertraagt, versterkt en regelt de samentrekkingen van het hart.Het is een geneesmiddel dat veel diensten bewijst in alle gevallen waar de (arterische) druk hoger is dan normaal; tijdens de menopauze, bij aderspatten en bloedingen.

De: volksgeneeskunde stelt nog steeds vertrouwen in de maretak voor de behandeling van vallende ziekte, kinkhoest en krampen bij kinderen.

DOSIS; een vierde theelepel van de verpulverde of zeer fijn gesneden plant of bladeren wordt met één glas water op kamertemperatuur, ‘s morgens vroeg op de lege maag of twee uren na het ontbijt ingenomen.
Men kan ook een koud aftreksel maken: daartoe laat men 50 gram bladeren gedurende 5 tot 8 uren in 1 liter water trekken; hiervan drinkt men 3 tot 4 tassen per dag.
Sommigen hebben liever een wijnmaceraat: :x 40 gram bladeren laat men trekken in 1 liter wijn: hiervan neemt men 1 madeiraglas bij de maaltijd.
Maretakthee bestaat ook: over 1 theelepel van de kleingesneden, gedroogde plant giet men 1 kop kokend water. laat dit 20 minuten staan en zeef. Deze hoeveelheid wordt eveneens 's ochtends op de nuchtere maag of t.wee uren na het ontbijt gedronken.
Omdat de werkzaamheid van de maretak nogal verschilt naargelang zijn oorsprong en bewaring, neemt men dikwijls zijn toevlucht tot bereidingen met een gekende werkzaamheid, en die in de handel te krijgen zijn, zoals het vloeibaar extract; hiervan neemt men 3 maal per dag 20 tot 30 druppels vóór dé maaltijden. Deze druppels moeten gedurende ongeveer 4 maanden worden ingenomen. Hierbij is het aangeraden na 2 maanden een pauze van 2 tot 4 weken in te schakelen.
Tegen convulsies (stuipen) bij kinderen geeft men alle 2 uren een halve tot een hele gram poeder in een aangepaste drank. Tenslotte weze nog vermeld dat geen vergiftigingsverschijnselen te vrezen zijn en zeker niet bij toediening langs de mond. Slechts bij zeer hoge dosissen kunnen braakzucht, diarree, hevige dorst, convulsies, e.a. optreden.

WERKGROEP FOLKLORE - VOLKSGENEESKUNDE

door GEYSENS R.

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany