Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1975,
nummer
  6
"
De kunstenaar en zijn wereld, Pieter Bruegel II."

PIETERBRUEGEL II

LOCHT OP SPEELMlAN ENDE LATET WEL DUEREN

SOO LANGH ALS DE LUL GHAET EN DEN ROMMEL VERMACH

DOET LYSE WEL DAPPER HAER BILLEN RUEREN

WANT TEN IS VRY MET HAER GHEEN BRUYLOFT ALDEN DACH.

Mochten sommigen oordelen dat ik te veel naast mijn onderwerp praat, dan wil ik er op wijzen dat het belangrijk is de omstandigheden te kennen waarin een kunstwerk tot stand komt, want de kunstenaar is een spiegel van zijn tijd.
Al kunnen we ons de gemoedstoestand van toen niet indenken.
We gaan toch verder, want "mijn vuur is nog niet uitgepist" en al is het moeilijk, ik zal "er voor zorgen dat de zeug de tap niet uittrekt", want "wie de pap morst kan niet alles weer oprapen". Men siet so weynig stucken van hem die men wyslyk sonder lachen can aensien.

Hij deinsde er dan ook niet voor terug om dingen te schilderen die nu hoogst ongepast voorkomen. In zijn spreekwoorden -er zijn er bij de honderd- wordt voortdurend gescheten, op vele andere prenten ziet men zelfs op het voorplan iemand op zijn hurken zitten en zijn behoefte doen, met al de onderdelen er keurig bij.
Welnu ook wij zagen destijds in de velden 't allen kanten broeken zakken en rokken opheffen (gedeeltelijk dan!), zonder dat men de beschutting van een korenveld zocht. Spelende kinderen verloren geen tijd door naar huis te rennen.
De voetwegjes die de gemeente doorkruisen waren de aangewezen plaatsen en zelfs Leuven had zijn "schijtbergske". Voor Bruegel was dat alles dus heel gewoon, hij schilderde wat hij zag. Dat W.C-en gelul - zoals Jan zaliger het zou gezegd hebben - bestond bij de gewone man niet; van schaamte was er dan ook geen sprake.

Wie hem desondanks voor een viezerik houdt, leze maar eens de oorspronkelijke uitgave van het Boek 'Gargantua' van zijn tijdgenoot, de Franse schrijver François Rabelais, en hij zal wat anders voorgeschoteld krijgen. Maar genoeg, want "twee zotten in een huis is te veel".
Peer den drol, zoals men hem noemde, is ons vooral bekend door zijn boertige braspartijen,
waardoor het begrip 'Bruegeliaans' is ontstaan. Maar is die betekenis wel juist?

Hij heeft veel geschilderd en nog meer getekend, maar de meeste van zijn werken zijn in het geheel niet schalks, integendeel, het merendeel ervan is echt dramatisch. Ziehier enkele voorbeelden; de kruisdraging van Christus, de vlucht naar Egypte, de volkstelling te Bethlehem, de ekster aan de galg, de kreupelen, de blinden, de alchemist, de val der engelen, de moord op de onnozele kinderen, de triomf van de dood, de beeldstormers, Dulle Griet, vele deugden en ondeugden zoals gierigheid, gramschap, hovaardigheid, gulzigheid, gerechtigheid.

Aan die opsomming zou haast geen einde komen.

Hij schilderde ook veel in de natuur: landschappen, rivier- en zeezichten, de jagers in de sneeuw, konijnenjacht, de terugkeer van de kudde, de hooioogst, de pikkers, de zomer, de lente, enz. enz….
U zult er mee instemmen dat er niet veel plezierigs bij is. Maar hoe dan die braspartijen' uitgelegd, vooral gezien in een tijd waarin honger, ziekte en angst troef waren?
Het moet ons niet verwonderen dat mensen, die eens per jaar en misschien slechts een paar keer in hun leven, de kans kregen om te feesten, het onderste uit de kan wilden halen en tot het uiterste gingen; dat hongerende, zwoegende stumpers van een luilekkerland droomden met veel gebak, drank en zalig niets doen. Maar laat u niet bedriegen door die zo aanlokkelijk geschilderde taarten; het waren meestal pannenkoeken op lage teiltjes en gevuld met stroop of platte kaas.

Zie het kind dat op de grond gezeten tussen allerlei potten. en pannen, met een zuinige vingertop - als wilde het zijn genot zo lang mogelijk rekken - de laatste restjes uit de pan veegt; daar zaten beslist geen vanille of chocoladecrème in.
Rijst en andere vreemde specerijen waren schaars en kwamen alleen bij de rijken op den dis, zelfs onze gewone dagelijkse patat was onbekend.
Grondbezitters konden op hun magere akkers wat graan oogsten en in het beste geval een varkentje vetmesten, maar de melkgifte van hun koetjes bedroeg nog geen 10 % van de huidige……
Wat at de gewone man dan? Rapen, wortelen, boekweit, half bedorven vis, noten, kastanjes en bruine bonen, met soms een magere kip, een gestroopt konijn of een gevangen vogel.
De lijst is niet lang, hoogstens kunnen we er wat honing, braambessen en een zure appel aan toevoegen.
Van het fluitjesbier konden alleen ondervoede mensen dronken worden en tot drinken werden ze gedwongen door het vele zout dat ze gebruikten om die fletse kost wat smaak te geven en omdat, alles wat aan bederf onderhevig was slechts gepekeld of gerookt bewaard kon blijven.

Het is van oudsher bekend dat de Vlamingen altijd in het hoofdpeloton der veelvraten reden! Zo werden op de Bruegelkermis van Velpeleven maar eventjes 250 porties rijstpap verorberd, samen met... pensen…. brochettes… pekelharing... broden…taarten... Dat alles overgoten met liters bier en frisdrank. Prosit: !

Bruegel leefde tussen twee hoogtepunten van de kunst; vóór hem waren er de Vlaamse Primitieven met Van Eyck, Memlinck, Dirk Bouts, Rogier Vanderweyden en anderen; zij behandelden bijna uitsluitend religieuze onderwerpen. Na hem kwam de school van Rubens en de Renaissance.

De invloed van de eersten vindt men nog in zijn werken: de val der engelen, de bekoring van St.Antonius en Dulle Griet, waar hij stijve, magere en misvormde lichamen tekende, daarbij gebruik makend van talloze gedrochten, zoals Jeroen Bosch hem voordeed. Het zijn de onwezenlijkste monsters die men zich kan indenken, gesproten uit de verbeelding van de deels nog middeleeuwse mens, die gebukt ging onder de angst voor duivels, heksen en tovenaars. Hedendaagse surrealisten zoals een Salvator Dali en menig andere, komen er niet toe om in hun fantastische, ziekelijke nachtmerries zulke afstotelijke onwezens te scheppen.

En dan komt Bruegel, die als eerste de gewone man tekent, met zijn boeren ten tonele, lomp, vretend, dronken, maar overvloeiend van levensdrang, niet vervaard om in billen te knijpen en smakkende zoenen te geven.

Hij vond een paar knepen, die hem toelieten van grote menigten op een klein doek samen te brengen, want zijn schilderijen zijn niet groot; 50 cm tot 1 meter.
Het is alsof hij van op een toren een breed panorama overziet, wat hem veel ruimte bood. Zijn perspectief is bijna volmaakt, al worden sommige personages er wel door verwrongen. Zeker heeft hij die manier van zien geleerd bij zijn reizen door de Alpen. Het blijft echter een raadsei hoe hij het vermocht van aan die kleine figuurtjes, de levende diepgevoelde uitdrukkingen van pijn en ziekte, de gulle lach of het lummelachtige van een dronkemanstronie te geven. Portretten heeft hij niet gemaakt, tenzij een zelfportret - of wat er voor doorgaat - men ziet hem met een ruwe baard en lange verwilderde haren; misschien dacht hij zoals Voltaire, die het een schande vond dat jongelui zich kamden. Kijkend naar de tegenwoordige hippies, beseft men dat de mode een komen en gaan is.

Naakte figuren komen ook niet voor - tenzij billen in overvloed -. In heel zijn werk heb ik maar één naakte vrouw gevonden, op het paneel de ontucht, en dan nog ver op het tweede plan.

Het is vanzelfsprekend voor een weinig bevoegde een onbegonnen taak om in een korte verhandeling zulk ontzaglijk werk te willen ontleden, tenzij men druk bij anderen gaat afschrijven. "Het is gemakkelijk riemen sn1jd,en. uit andermans leer". Maar er is reeds zoveel over geredetwist door geleerde kunstkenners, die er zelf niet veel van begrijpen. Niemand is bekwaam om de talloze zinspelingen te doorgronden; overal heerst tegenspraak en ieder verdedigt zijn eigen theorie; en interpretatie! Voor ongeneeslijke kwalen bestaan er immers de meeste geneesmiddelen!

Bruegel tekende niets op of, zoals men beweert, verbrandde al zijn nota's voor zijn dood, wat doet vermoeden dat ze niet zo onschuldig waren en gevaarlijk voor zijn familie.

Laten we hen dus maar praten, wel wetend: "dat paardenkeutels geen vijgen zijn" en dat het onmogelijk is "tegen de stroom op te zwemmen". Ik ga dan ook "mijn huis niet in brand steken om mij aan de kolen te warmen" en dan later "met een pakje te lopen".

Een voorbeeld maar: Dulle Griet; algemeen wordt aangenomen dat het een onversaagd vrouwmens is die een aanval wil doen op de hel. Men ziet haar vastberaden, met grote schreden in de richting van de gapende muil van de onderwereld gaan, terwijl heel de horizon in vuur en vlam staat, haar stevige arm met een lang zwaard gewapend. Haar met haat gevulde ogen en grijnzende mond verzekeren ons dat zij voor niets zal terugdeinzen. Maar waarom zou iemand die ten strijde trekt zich zwaar beladen, met aan de linkerarm een grote korf volgepropt met allerlei keukengerief?
Ze geeft veeleer de indruk van een wijf dat op roof uit is en de hulp van de hel niet schuwt! In één woord, die haar duivels ontketent, die dan ook van alle kanten en in de onwaarschijnlijkste gedaanten komen opduiken.
En zie, op het tweede plan dringen vrouwen met geweld de huizen binnen of komen er zwaarbeladen weer uit; er dient gezegd dat een paar onder hen duivels vastbinden.
Waarom staat een groepje soldaten op de achtergrond rustig in afwachtende houding? Zullen ze tijdig: een handje toesteken of misschien die "Dolle Mina's" in toom trachten te houden?
Men kan ook de zaak omkeren. En zeggen dat Satan de muil opengesperd houdt om hen op te' slokken dat ze in paniek verkeren en dat Griet alleen vastberaden haar goed en have wil verdedigen.
Wat betekent verder de heks die in volle vaart over de menigte vliegt en zich zelf aanvuurt door met een soort mattenklopper op haar bloot achterste te slaan? Kan iemand een verklaring vinden voor de talrijke allegorieën en schrikaanjagende beelden die het doek vullen. Laat ons zeggen dat het geheel en Griiet in het bijzonder meesterlijk geschilderd is, en er dan onze onmachtige pen bij neerleggen.

Samenvattend kunnen we er aan toevoegen dat tussen een groot aantal werken er drie of vier zijn die hem de naam van 'Peer don Drol' bezorgden, en die als zinnebeeld gelden voor onze eigen fuiven.

Pieter Bruegel overleed in 1569 en werd te Brussel in de Kapellekerk dicht bij de vlooienmarkt begraven.

Zijn oudste zoon Pieter, Bruegel de Jongere, genoemd, schilderde voornamelijk het werk van zijn vader na, terwijl de tweede zoon, Jan, de fluwelen Bruegel, prachtige bloemstukken en landschappen naliet .

Laten we de meester in vrede rusten, een half dozijn doeken volstaan om hem een eeuwige roem te verzekeren.

J.. R..

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany