De lucht is mistig, zwaar en grijs,
op ied're beek een laagje ijs;
de winter dekt het koude land;
zachtjes wemelend 't alle kant,
dalen in fijne brokken,
sneeuwvlokken.
Wat een pret is 't voor de kinderen,
scherpe kou kan hen niet hinderen;
ze glijden baantje, bibberend;
als diamanten schitterend,
smelten in hun' lokken
sneeuwvlokken.
Voor mus en rôoborst is het nood,
treurig kijken z' om wat brood;
ook arme liéden beven,
en hard gevroren, kleven
aan hun versleten blokken,
sneeuwvlokken.
De noorderwind is bits en guur;
hoe lekker bij het ronkend vuur;
en, wijl groot vâ dan vertelt,
vallen buiten op het veld,
op toren en op klokken,
sneeuwvlokken.
: J.. .R..