|
In
onze bossen, parken en arboreta komen vooral de Spaanse Aak, de Noordse-, de Gewone-, de Rode- en de
Pennsylvanische Esdoorn voor.
Het woord "aak" is een dialectische wisselvorm van de naam "eik".
De boom kreeg die naam doordat het hout ervan veel gelijkenis
vertoont met het eikenhout.
De Spaanse aak en de Gewone Esdoorn of ahorn leveren een hout,
dat hard is en sterk gewaardeerd wordt voor fijn beeldhouwwerk.
Het hout dient onder meer om bogen te maken.
De bladeren van de Gewone Esdoorn worden in de zomer gebruikt om
boter in te pakken:.
In Canada en in de Verenigde Staten van America levert de Witte
Esdoorn de grondstof voor een suikerindustrie; Hier komen we later
uitvoerig op terug.
Op (volks)geneeskundig gebied is de Esdoorn of
Ahorn niet zo interessant. Alhoewel de schors van alle
Esdoornsoorten rijk is aan looistoffen, wordt hiervan toch geen
gebruik gemaakt. Esdoorn wordt momenteel niet meer aangewend in de
geneeskunde.
Vroeger echter maakte de esdoorn of ahorn wel deel uit van het
geneesmiddelenarsenaal en werd ondermeer gebruikt tegen leverkwalen.
Zo schrijft Dodoens in zijn "Cruydeboeck" (1644) het volgende :
"De wortel van Acer (= Esdoorn) ghestooten ende op den buyck aan
de stede van de lever gheleydt, de pijne ende weedom van de selve sekerlijck ende haestelijck doet
vergaan".

De belangrijkste van alle esdoornsoorten is ongetwijfeld de Witte
Esdoorn of Acer Saccharinum. Men noemt hem echter bij voorkeur:
de suikerahorn of suikerboom. In het Frans spreekt men van "Erable
saccharin", in het Duits van "Zuckerahorn", en in het Engels van "Sugar
Maple". Telkens vinden we het woord "suiker" terug, en dat is
logisch, want de witte esdoorn of suikerahorn bevat een sap dat
rijk is aan suiker. In Canada en in de Verenigde Staten, waar de
suikerahorn inheems is, ligt deze boom aan de basis van een
belangrijke suikerindustrie: deze levert de zogenaamde
AHORNSUIKER.
Het is in dit verband misschien wel nuttig even de winning van
ahornsuiker te schetsen. Ze gelijkt veel op die van natuurlijke
rubber, van sommige harsen en van opium.
Het sap wordt geoogst tijdens het zogenaamde 'suikerseizoen', dat
gaat van 15 maart tot eind april. Daartoe brengt men, op ongeveer
1 m. boven de grond, een insnijding aan van 1 cm. breedte en van 3
tot 4 cm. diepte in de schors van de. ahornboom. Bij bijzonder
robuuste bomen kan men verschillende inkepingen aanbrengen op
voorwaarde dat ze zich op voldoende afstand van elkaar bevinden.
Het sap loopt uit de aangebrachte wonden en wordt opgevangen
in potten. Het uitdruppelen van het sap wordt nog gunstig
beďnvloed door de weersomstandigheden; tijdens het suikerseizoen
wisselen vorst en dooi elkaar af.
Het aldus bekomen sap bevat ongeveer 96,5 % water,
3 % sacharose of suiker (kaliumzouten en eiwitachtige stoffen).
Dit sap gist evenwel snel, en het moet dan ook snel behandeld
worden. Op open vuur wordt het sap verdampt tot de Baumé-areometer
35,5 graden aangeeft bij een temperatuur van 60° C.
Aldus bekomt men de AHORNSTROOP, die warm wordt gefiltreerd. Deze
stroop mag niet meer dan 35 % water bevatten.
Om de ahornsuiker te bekomen, drijft men het koken op; men klaart
met melk, en men bekomt een bruin mengsel "tire d'érable" of
"ahornloog".
Warmt men nog verder tot 132 ŕ 134° C, soms zelfs tot 137°,
temperatuur waarbij praktisch alle water verdampt, dan bekomt men
tenslotte de AHORNSUIKER.
De ahornstroop is min of meer sterk gekleurd, al naargelang de
snelheid van de verdamping; een te traag koken levert een donker
gekleurd product.
De ahornstroop heeft een aangename smaak, die te wijten is aan de
aanwezigheid van een essence of vluchtige olie. Ahornstroop wordt
door de Europese tabaksindustrieën ingevoerd, waar de stroop
aangewend wordt in de fabricage van sigaretten met de
typisch-Amerikaanse sigarettensmaak.
De ahornloog of "tire d'érable" wordt onmiddellijk verbruikt; zij
bevat ten hoogste 15 % water.
De AHORNSUIKER heeft een ambere kleur en een aangename smaak, die
sterk gewaardeerd wordt. Ahornsuiker bevat maximum 10 % water.
|