 |
|
 |
 |
| |
|
|
Artikel: Jaargang 1976,
nummer 1
"De kunstenaar en zijn
wereld, randbeschouwingen." |
|

Van op de veldweg hadden wij een goed zicht op het
boerderijtje van "Dikke Soo", dat we wilden schilderen. Nauwelijks waren we aan
onze schets begonnen, of Soo kwam nieuwsgierig kijken naar wat die rare vogels
daar wel konden uitvoeren. Eerst aarzelend, maar ziende dat onze schildersezels
geen mitrailleurs waren, met een flinke stap. Met een hoge, naar het mij
toescheen, wat spottende, maar in ieder geval zelfverzekerde stem, riep hij:
"zijde film aan 't maken meneer?".
Toen ik daar met een "ja Soo" op antwoordde, was mijn
vriend zodanig geschrokken dat hij zijn palet liet vallen. Hij was iemand uit de
stad en kende onze pappenheimers niet. Ik integendeel zou mij wel wachten Soo
tegen te spreken, overtuigd dat hij er alles van wist, en zie! Toen ik hem een
paar bijzonderheden over de andere zijde van zijn huis vroeg, er aan toevoegend
dat ik dat ook wel zou willen schilderen, zei Soo kordaat: "Da kunde gij niet!".
En met een eeltige vinger naar mijn doek wijzend: "daar kunde gij geen twee
kanten tegelijk op zetten!"
Tegen zo een keiharde logica was inderdaad niets in te brengen en Soo genoot van
zijn overwinning. Hij gunde ons kladderwerk verder geen blik,
vond heel dat gedoe tijdverspilling, had alleen oog voor onmiddellijk
gewin en met de vraag of het iets opbracht, ging hij hoofdschuddend huiswaarts.
Rond diezelfde tijd las ik in een dagblad het verslag van een
toespraak die gehouden werd bij de opening van een
kunsttentoonstelling. De redenaar drukte zich uit als volgt. "Tot het ideeënrijk
van deze kunstenaar behoren de grilligste ontboezemingen van de productieve
intelligentie en dikwijls staan zij aan zij de fijngevoelige bekoringen van een
selectief maniërisme naast het brutale, fantastische en het diabolische, dat
sinds Bosch tot aan de Daliaanse strekkingen in het hedendaagse surrealisme, de
mens heeft aangegrepen en verontrust. De radheid en lenigheid van zijn tekenpen
stellen hen in staat met volledige preciesheid de exteriorisatie van de
sensitieve werking van zijn doorlichtende opmerkingen, feilloos en doeltreffend
te verwezenlijken" Oef!
Dat alles zonder lachen, zich te verslikken of zijn amandelen te bezeren!
Had de schilder enig vermoeden van zijn overdonderend meesterschap? Of was hij
uit hetzelfde leer gesneden als zijn bewieroker? ik weet het niet. Maar hiermee
sta ik zelf tussen twee uitersten. Tussen de zelfzekere en niets-wetende Soo, en
de alles-wetende, hoog boven de wolken drijvende spreker.
U zult zeggen op de gulden middenweg, Juist! Op de weg van Jan Middelmaat' U
noot dan ook geen hoogdravend betoog verwachten. Ik had mij voorgenomen over het
wezen van de kunst te praten, maar zal het nu bij enige randbeschouwingen laten.
En dat is al geen gemakkelijke karwei in een tijd waar alle waarden afgebroken
worden, alles onderste boven gekeerd en belachelijk gemaakt wordt.
Opgezweept door slogans en reclame durft men nauwelijks nog een eigen mening te
hebben, uit vrees van als achterlijk bestempeld te worden. En dan maar huilen
met de wolven om te laten zien dat men IN is!
Een eerste dooddoener die men algemeen hoort, wanneer iemand in het nauw
gedreven wordt, is; "Ieder zijn goesting". Volkonen waar, maar toch bestaat er
zo iets als een slechte of een goede smaak! Wie zal daarover oordelen? Over
kleuren en geuren twist non immers niet!
Kijk naar de mode: hoeveel vrouwen zijn er niet die, om toch maar niet achter te
blijven, spullen aantrekken die hen voorwaar geen voordeliger voorkomen geven.
Indien Jan verlekkerd is op wat Piet afstotend vindt, zijn hun zenuwen of
klieren er wellicht de oorzaak van?
Verstandelijke begaafdheid, opvoeding, het milieu waarin men leeft, kunnen het
gedrag in zekere mate beïnvloeden, maar wie of wat maakt iemand gevoelig voor de
luister van een zonsondergang, het kabbelen van een beekje, het betoverend kwelen
van een nachtegaal op een stille meiavond, of het met goud bekladde bos in
herfsttooi?
Er zijn de esthetische normen die in de loop der tijden, na moeilijk zoeken,
door talloze kunstenaars werden vastgelegd, maar die ook voortdurend
veranderden. Eenieder kan kiezer, tussen een of ander onderwerp, zijn voorkeur
geven ven aan landschappen, stillevens of bloemstukken, taferelen uit het
dagelijks leven, mythologische, militaire of godsdienstige afbeeldingen. De mens
begon er reeds mee in voorhistorische tijden, toen hij zijn eerste tekeningen
grifte in rotsen of grotwanden en die we nu, tienduizend jaar later, nog kunnen
bewonderen.
De echte ontplooiing van de kunst begon ca. 5.000 jaar geleden in Egypte en Mesopotamië, en dat zowel met schilderen, als met
beeldhouwen, muziek en poëzie.
Het oude Griekenland is beroemd voor zijn nooit overtroffen beeldhouwwerk en
werd gevolgd door Italiaanse en Byzantijnse mozaïek.
In de Middeleeuwen was er een sterke achteruitgang; men trachtte stuntelige
mensenbeelden en monsters te verfraaien door ze net verf te bestrijken, het zg..
Polychrome, nu nog gebruikt op plaasteren heiligenbeeldjes of kitsch plastiek.
Na 1400 komt dan de geweldige heropleving van de renaissance, een uitbarsting
van weelderig naakt en kostbare gewaden, een hoogtij dat bij ons aanvangt met de
Vlaamse Primitieven, en dat zijn hoogtepunt bereikt met Jordaens, Rubens en Van
Dijck.
In Nederland zijn het Rembrandt, Ruysdael en Adriaan Brouwer, die de toon
aangeven. Maar de top ligt in Italië met Leonardo da Vinci, Michelangelo en
Titiaan. Overal zijn ze omgeven door een zwerm van bijna gelijke meesters. Een
geheimzinnige stroom die hen gedurende bijna een eeuw mede sleurt, en die
uitmondt in de weelderige Barok en het overdadige Rococo.
Na het tijdperk, dat ons de prachtige Gotische, Renaissance en Barokkerken,
stadhuizen en kastelen naliet, ging de kunst moeilijk tastend verder, tot in het
begin van onze eeuw een nieuwe revolutie uitbarstte. De ene opvatting verdrong
de andere. Jugendstijl en impressionisme moesten wijken voor expressionisme en
kubisme; dezen weer voor fauvisme, dadaïsme en surrealisme, enz ... langs
abstract tot on-figuratief en popart, hoeveel vergeet ik er?
En dan blijven we nog in de naaste familie, waar zijn de Arabische kunsten, de
Perzische tapijten, het Chinees porselein, het Japans lakwerk, de
schoonheidsidealen van Maya's, van Inca's, van Eskimo's, negers en Hottentotten?
Een lijst zonder einde
Zij die vernieuwing veroordelen zullen hun vergissingwol inzien. Vermits de
kunst een spiegel is van de cultuur en van het milieu waarin ze ontstaat ', en
dus, zoals alles in de wereld verandert, kan zij niet achterblijven, tenzij wij
altijd hetzelfde blijven maken.
Al heb ik zelf een hekel aan vele van de hedendaagse uitingen, toch kan ik
begrijpen dat vele jongeren er warm voor lopen, op voorwaarde dat men het opvat
als een zoeken naar vernieuwing, en zo mogelijk verbetering, maar niet met
hoogdravende theorieën en hol gepraat gaat uitbazuinen dat dit nu het toppunt is
en al het vroegere, oude rommel. Zij die zulke taal gebruiken en daarbij met de
hand op het hart en een lichte buiging zeggen "wij artiesten", verbergen meestal
hun onkunde achter een gordijn van grootspraak.
Het is immers gemakkelijker vierkante mannetjes te tekenen en ze te bekladden
met verf zoals ze uit de tuben komt, papierknipsels te plakken, nagels in
planken te slaan of oude zakken op te hangen, dan het gespierde lichaam van een
atleet of het broze fluweel van een meisjeswang te schilderen, zonder dan nog te
spreken over de samenstelling van een tafereel.
Ik wil geenszins de spot drijven met karikaturen in de pers, tekeningen in
kinderboeken en sprookjesverhalen, waar door een samenspel van lijnen en kleuren
echte meesterwerkjes verwezenlijkt worden. Het is lachwekkend te horen hoeveel mensen een werk slechts waarderen nadat zij het afgebeelde herkennen. "Waar
staat die kerk of dat pachthof?" Is hun eerste vraag! Alsof ze vrezen dat het
een namaaksel zou zijn. Hoeveel schilders zijn er niet die nooit hun atelier
verlaten en al hun doeken zelf samenstellen. Heeft hun werk daarom minder
waarde? Of zouden ze om een tijgerjacht te schilderen naar India moeten gaan? Is
alles geen namaaksel? De kunstenaar weet dat hij nooit de natuur zal evenaren,
hij wil het trouwens niet; hij laat opzettelijk onbelangrijke onderdelen
wegvallen en doet andere scherper uitkomen. Hij weet oordeelkundig te ziften en
aan het geheel zijn eigen inzicht en stijl te geven, die er een meesterwerk of
een prul zullen van maken. Toen Rubens zijn Hercules, Tarzans of andere
geweldenaars tekende, naast mals gevleesde en rooskleurige nimfen, vond hij er
tussen de mensen uit zijn omgeving geen 5 % die aan dit uiterlijk beantwoordde,
en zeker hadden zij de houdingen niet die hij hun gaf. Dat alles bestond slechts
in zijn verbeelding.
De "schone blauwe Donau" is in Wenen net zo vuil als
de Schelde in Antwerpen. Misschien zag Strauss hen op een schone zomerdag
terwijl de blauwe lucht er zich in spiegelde...
Men moet een goed geoefend oor bezitten om in "Ochtendgloren" het tintelen van
het zonlicht of het gekweel van vogels te herkennen. Maar biedt een Symfonie nr
..
zoveel minder genoegen omdat zij geen naam draagt? Misschien oordelen
sommigen
zoals Leopold II, die zei dat muziek alleen maar een dure manier van
lawaaimaken is
75 jaar later, in een tijd van jazz en rock-'n-roll, is zo een oordeel niet
helemaal verkeerd.
Naar wat is een naam? Wat is kunstwaarde? Heeft een goed gemaakt liedje er niet
meer dan een mislukte opera?!
Waarom is een schilderij voor velen slechts waardevol wanneer het "op doek en in
olieverf" is uitgevoerd Alsof die vod bepalend zou zijn voor wat er op staat.
Eeuwen geleden begon men muren te beschilderen -fresco's- met gekleurde kalk.
Toen rond 1400 de olieverf bekend werd, streek men die op houten panelen. Durer
en Rembrandt tekenden op papier en hun pentekeningen blijven kostbaarheden,
sommige waterverven of krijttekeningen zijn fortuinen waard. Is een goede afdruk
van een meesterwerk niet te verkiezen boven vele moderne onbenulligheden, die
sommige huizen "sieren".
Een beeld in gips kan evenveel kunstwaarde hebben als één in brons of ivoor,
alhoewel een fraai marmer of edelhout de luister ervan kan verhogen en de
duurzaamheid verzekeren.
Wie een hedendaags werk niet kan waarderen omdat hij de boven- van de onderkant
niet kan onderscheiden en die, zoals Soo, oordeelt dat alles echt moet zijn,
moet ook geen film gaan bekijken, want de moorden die daarin gebeuren, zijn ook
bedrog.
Hebben acteerkunst en beeldopnamen dan geen waarde? Wie een echt landschap wil,
neme liefst een kleurenfoto, en wie behagen schept in een vuurgloed -die
prachtig kan zijn-, kan nog altijd zijn huis in brand steken en als gevaarlijk
pyromaan in een gevangenis of gekkenhuis terecht komen; nooit echter zal zo
iemand als kunstenaar gevierd worden.
Tenslotte, al wie aan kunst doet, kan geen meester zijn, naar liefhebbers en
zondagsschilders hebben een boeiende hobby, die hen zelf en anderen veel
genoegen kan schenken en waarbij ze de schoonheid van hun streek doen waarderen.
Hoevelen zijn er. niet die hun leven doorbrengen zonder het mooie van hun
omgeving te zien; zo kennen alleen de schaduwzijde, de modder, de slechte weg of
de regen. Maar ook die dingen kunnen schoon zijn; het volstaat dat een schilder
er zijn ezel komt planten en de nieuwsgierige omstanders slaken oh's en ah's,
kijken eerst ongelovig en dan verwonderd rond en ontdekken plotseling het schone
waar ze vroeger nooit van genoten.
J. R..
|
|
|
|
 |
|
 |
 |
|