|
De
ouders vergezelden het te huwen paar tot aan de kerkpoort, alwaar het huwelijk
zou ingezegend worden. De trouwers werden uitgenodigd elkander de rechterhand te
reiken en hun ja-woord te zeggen, waarbij de priester zich aansloot als
bedienaar van de Kerk met de woorden: "Ego vos conjugo etc.".
De oorsprong van deze nu nog gebruikelijke
woorden "geeft elkaar de rechterhand"
is duister; de Romeinen zagen in deze daad een zich verbinden door een onverbreekbare band. Gewoonlijk was het de priester die deze rechterhanden
samenbracht; bovendien legde hij de stool er over of wentelde hem er omheen. Zo
de bruid nog niet eerder gehuwd was geweest, geschiedde dit met de blote hand,
in het andere geval met gedekte hand.
Het omleggen of omwinden van de stool is van Ambrosiaanse afkomst en bleef
bewaard tot aan de vernieuwing van de liturgie in de laatste jaren.
Na de instemming kwam het aansteken van de ring.
In algemene regel werd in de kerkprovincie Reims de ring, in opdracht van de
priester, aangestoken aan de hand van de bruid door de bruidegom, die hierbij
ondersteund en geleid wordt door de priester.
In het Prinsbisdom Luik, dat deel uitmaakte van de Kerkprovincie Keulen en
waartoe ook Boutersem destijds behoorde, was het de priester die de ring aan de
wijsvinger van de bruid stak, aan de rechter- of linkerhand, al naargelang de
plaatselijke gewoonten, en dit met de zeer eenvoudige formule: "ontvang deze
ring tot teken van de huwelijkstrouw Christus Jezus, In de naam van de Vader, enz..."
Samen met de ring zullen in sommige streken "denieren" (zie voetnota) gewijd
worden; elders vindt men de "arras" (Fr. arrhes), ttz. een soort bruidsschat, en
nog elders is er spraak van de dottalia of de schenkingen door de bruidegom aan
de bruid, en die door de priester aan de bruid overhandigd worden.
Waar het de gewoonte was denieren te schenken, moest de priester, die de ring
zou wijden, eerst 13 denieren vragen. Daarna gaven bruidegom en bruid elkander
de rechterhand en het jawoord en ontving de bruidegom uit de handen van de priester de ring en
drie denieren, de andere tien bleven bestemd voor de priester of dienden om
uitgedeeld te worden aan de armen.
De bruidegom hield de ring tussen duim en wijsvinger en het geld in de palm van
de hand en zei:"N....., met deze ring neem ik U tot vrouw en met dit geld eer ik
U en mijn lichaam schenk ik U".
Hij stak de ring aan de hand van de bruid en gaf haar het geld.

Vanwaar kwam deze gewoonte?
De Galliërs vierden de sponsalia (= de verloving) door het betalen van één pond
en één denier; dit was hen voorgeschreven door de Salische wet. Toen Clovis
gezanten stuurde naar Gundebald, koning van Bourgondië, om de hand te vragen van
zijn dochter Clothildis, droegen zij één pond en één denier met zich om, zoals
het de gewoonte was bij de Franken, daarmede te verloven.
|
VOETNOTA : Denier : bij de Oude Romeinen "denarius" : was de munteenheid van
zilver; het was een klein zilveren muntstuk dat eerst tien 'as', daarna 16 waard
was. (Een as was bij de Romeinen eer koperen geldstuk). Later werd de denier een
oude Franse munt, waarvan de waarde. het twaalfde van een 'sou' bedroeg (denier tournois; denier parisis).
De denieren waarvan sprake is in dit artikel, waren geen gewone, maar speciaal
daartoe geslagen muntstukken; zij werden uitsluitend gebruikt bij het huwelijk. |
Zoals we in vorige bijdrage schreven; kende de prehistorische mens de ring een
magische kracht toe. In het Christendom werd het huwelijk verheven tot de orde
van de sacramenten en daardoor kreeg de ring een diepere betekenis. Krachtens
een speciaal gebed en wijding wordt de ring gesteld tot teken van de bescherming
, die God de vrouw wil verlenen omwille van haar zwakheid (?), en de zegening;
en door de besprenkeling met wijwater een middel om de duivel te verdrijven.
Waarom één ring, bestemd voor de bruid? Waarom eerst aan de rechterhand en
later aan de linkerhand?
Waarom aan de wijsvinger?
In de westerse kerk werd slechts één ring gebruikt, om daarmede te betekenen de
ene en onverdeelde liefde van man tot vrouw en omgekeerd. Bestemd voor de
vrouw, omdat de vrouw uiteraard zwak is en meer geneigd tot ontrouw (???), en de
ring, krachtens de speciale wijding, een middel is om de vrouw te helpen
beschermen; zij is de meest kwetsbare en het grootste slachtoffer bij overspel.
Zo weten we dat, wanneer de middeleeuwse ridders voorzagen lange tijd
afwezig te zijn, zij hun vrouwen de kuisheidsgordel omdeden, om te beletten dat
zij omgang zouden hebben met anderen. De ceintuur die de priesters vroeger
droegen, alsook de singel waarmede de albe, kleed van de zuiverheid, werd
samengehouden, vermaant toch ook: "dat door geen prikkel der onzuiverheid de
albe losgeknoopt zou worden".
De ring bleef de vrouw er dus voortdurend aan herinneren dat ze gehuwd was,
zoals de toog dat iemand priester was. De Griekse Kerk daarentegen gebruikte
twee ringen, een gouden ring voor de man en een zilveren voor de vrouw.
Oorspronkelijk aan de rechterhand, ook te Rome, en volgens de verklaring van
paus Nicolaas I aan de ringvinger van de bruid.
Bijbelse teksten zullen wel aan de basis liggen van deze doenwijze, alhoewel
moet gezegd worden dat de rechterhand van oudsher beschouwd werd als de meest
eervolle.
Toen men de trouwring is gaan versieren met edelstenen is men begonnen de
trouwring te dragen aan de linkerhand. Dit is vooral gebeurd tijdens de
Renaissanceperiode en zelfs vroeger. Deze stenen werden in verband gebracht met
de maanden - geboortestenen -, maar kregen ook een symbolische betekenis als
bijvoorbeeld de smaragd, symbool van de liefde en de trouw. Het dragen van
dergelijke ringen aan de rechterhand werd hinderlijk bij het werk en zelfs
gevaarlijk; vandaar dat de ring verhuisde naar de linkerhand. Dit wil weerom
niet zeggen dat dit universeel werd, aangezien er bisdommen waren waar men
verder de ring is blijven dragen aan de rechterhand. Sommigen lossen het nog
eenvoudiger op: het is natuurlijk, zeggen zij, aangezien het aansteken met de
rechter- aan de linkerhand een vanzelfsprekend gebaar is en ook gemakkelijker.
Anderen beweren dat de linkerhand rustiger is, omdat die hand minder betrokken
wordt bij het werk en daardoor minder opvalt en dus meer onttrokken blijft aan
de onkiese blikken van sommige lieden.
De wijsvinger werd beschouwd als de vinger die rechtstreeks in betrekking staat
met het hart, dat beschouwd werd als de zetel van de liefde.
In dit verband citeren we het Hooglied 3 van Isaias, H. 3, v. 16-24.
"Ja, de dochters van Sion zijn ijdel,
ze lopen rond met geheven hoofd en lonkende ogen, in trippeldans, rinkelende
ringen aan de voeten. daarom scheert de Heer de dochters van Sion kaal, stelt
Jahwe haar bloot in al haar schaamte.
Op die dag zal mijn Heer wegrukken al haar tooisel: voetringen, stangen en
maantjes, haarbanden, enkelkettinkjes. strikjes en reukflesjes,
ringen voor de oren., de vingers en de neus, feestkleren, mantels, doeken en
tasjes, spiegeltjes, zijden kleren, banden en sluiers voor het hoofd,....
Eens de eigenlijke huwelijksplechtigheden achteraan de kerk beëindigd, werden de
trouwers binnengeleid in de kerk voor het misoffer. De zegening van de
pasgehuwden geschiedde tijdens de mis, namelijk tussen het "pater noster" on het "pax
vobis". Het zegeninggebed werd meestal gezongen terwijl een viertal personen
de purperen maagdensluier boven het hoofd hielden van de trouwers en de priester
de handen uitstrekte boven hun hoofden in gebedsgebaar. Dit gebeurde evenwel
alleen maar wanneer de vrouw nog niet eerder deze zegening had ontvangen.
De H. Ambrosius, bisschop van Milaan, riep indertijd de gehuwden toe: "moge de
vool u blijvend eraan herinneren de vlam en de integriteit van het huwelijk te
bewaren".
Na deze zegening bood de priester de vredeskus aan de bruidegom die hem doorgaf
aan de bruid.
Zo zij te communie gingen, gebeurde dit onder een gedaante, maar de gehuwden
ontvingen onmiddellijk nadien gewone wijn als ablutie, waarna de glazen beker
waaruit zij dronken, gebroken word.
Toen, wegens de wet op het nuchter zijn, niet meer
gecommuniceerd werd tijdens de
huwelijksplechtigheid, bood de priester nadien gewone wijn aan de trouwers. Of
er werd wijn en brood gezegend. Dit gebeurde niet noodzakelijk in de kerk, maar
ook thuis bij de pasgehuwden, en eigenaardig genoeg te Parijs aan de
toegangsdeur tot het huis. Hier at eerst de priester, schonk brood en wijn aan
de echtgenoot die doorgaf aan zijn vrouw. Na hen aten ook de genodigden.
Vlak voor het verlaten van de kerk zette de priester, en onder de aanwezige
priesters de hoogste in rangorde, de gehuwden een kroon op, speciaal daartoe
bewaard in de kerk. Op sommige plaatsen geleken deze kroontjes op torens; op
andere plaatsen waren het olijftakken versierd met witte en purperen steeksels.
Dit was maar gebruikelijk met degenen, die voor de eerste maal huwden. Toen de
gewoonte doorbrak ook weduwenaren en weduwen te kronen, kwam hiertegen fel
verzet.
Aan de basis van deze gewoonte ligt het Hooglied H, 16, dat
in vorig nummer van "Velpeleven" verscheen (2de Jrg., blz. 120).
Op sommige plaatsen was het de gewoonte het slaapvertrek te wijden; dit gebeurde
na de plechtigheid in de kerk. De priester ging met de pasgehuwden het
slaapvertrek binnen. De vrouw ging aan het hoofdeinde en de man aan het
voeteneinde van het bed staan, of gewoonweg op het bed zitten. Toen bad de
priester het gebed dat de priesters nu nog bidden wanneer zij een ziekenkamer
binnengaan.
Op sommige plaatsen kwam de wijding van het brood en de wijn pas na de wijding
van de slaapkamer. Toen presenteerde de priester deze wijn en dit brood aan de
nieuwe echtgenoot, zeggende : "N..., eet en geef aan uw vrouw haar latende delen
in dit eten en de trouw die gij van haar verwacht".
Daarna aten ook de andere aanwezigen.
BIBLIOGRAFIE : H. SCHRIFT - Boek Genesis
H. ISIDORUS : "De Divinis Officiis"
L. VANHEULE Tijdschrift "Bachten de Kupe"
WERKGROEP VOLKSKUNDE - FOLKLORE
R. GEYSENS
|