Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1976,
nummer 1
"
Volksgeneeskunde - geneeskruiden van bij ons: de paardebloem."

Vanaf april zijn ze er weer: die knalgele, alom aanwezige paardebloemen van de, grote familie der Samengesteld-bloemigen (Composieten). Men vindt ze inderdaad zowat overal: op weilanden, velden, langs wegen, sloten en bermen; zelfs in het gebergte tot op een hoogte van 3.000 m.
Reeds in het vroege voorjaar had zich uit een korte wortelstok en een vlezige, de grond binnendringende, penwortel een wortelrozet ontwikkeld met langwerpige, lancetvormige, sappig-groene, getande bladeren. Uit de bladoksels groeiden daarna holle stengels, die thans aan hun einde grote, goudgele bloemhoofdjes of bloeiwijzen dragen, die 's avonds en bij donker weer dichtgaan.
Misschien heb je U al afgevraagd hoeveel (lint)bloempjes op zo één bloemhoofd (algemeen "bloem"
genoemd) staan: welnu, dat zijn er zo ongeveer tweehonderd. Deze bloemen zijn tweeslachtig.
De paardebloemen bloeien praktisch de ganse zomer door en als het weer gunstig is, komen ze in de herfst nog eens terug.
Niet lang meer en de gehele bloemkroon zal een pluisbol vormen; het zijn de vruchtjes van de paardebloem, die op de lange snavel een haarkroon dragen. Die pluisbollen worden ook wel parapluutjes, kaarsjes of lantarentjes genoemd.
Bij winderig weer ziet men ze overal zweven; waar ze een °parapluutje" landt, strandt meteen de kiem, die later een nieuw paardebloemleven kan doen ontstaan.
Velen onder jullie kennen 'het spelletje', waarbij de jongeren de natuur een handje toesteken door met volle borst de (lint)bloempjes weg te blazen. Het komt er in feite op neer in een minimum aantal 'blazen' een maximum aantal bloempjes de vrijheid te geven. Het succes is volledig wanneer er slechts één overschiet, wat dan meteen 'bewijst' dat men slechts één 'lief' heeft.

De huidige wetenschappelijke benaming van de paardebloem is "Taraxacum officinale"; de herkomst ervan is niet met zekerheid gekend, evenmin trouwens als van de Nederlandse benaming: paardebloem.
De middeleeuwse Latijnse benaming was: 'Leontodon taraxicum' of "Dens leonis"; deze was logisch, daar men hierbij verwees naar de meestal scherp getande bladeren. In het Duits is het nog steeds "Löwenzahn"; een vroegere Franse benaming luidde "bent de lion", waarvan het huidige Engelse "dandelion" afgeleid werd.
Een andere, eveneens veel voorkomende, ja zelfs meer verspreidde benaming is "pisbloem". Deze vindt haar oorsprong in de waterafdrijvende (pisbevorderende) eigenschappen van de paardebloem. Zo begrijpen we ook de officiële Franse benaming "Pissenlit" (= Pisse en lit) en het Duitse "Bettseicher". Soms neemt men de paardebloem wel eens: kettingbloem; deze komt voort van- het feit:dat de jeugd zich soms vermaakt, met het maken van kettingen van de stengels.
Andere namen zijn: suikerijbloem, akkerchichorei, wilde suikerij, beddepisser, pissebedden, melkplant, hondsbloem, hondsroos, hondsoor, hondssalade, leeuwetand, papenkruid (in Diest), schurftbloem, veldrijs., beddezeker, mollesalade, melkwied, ganzetongen, henselblaren, kruidkoek, oorringen, zeekbloem, koebloem, erdgalle, lantaarn, enz....

In de Oudheid gold de paardebloem als een anti-magisch middel en dan vooral tegen een huwelijksnachtbetovering. Het recept luidde: neem '7 planten zonder wortel, kook die bij afnemende maan, was u daarmede buiten het huis en treed dan zonder om te kijken naar binnen.
In de volksgeneeskunde gebruikt men ofwel de gehele plant, ofwel alleen de bladeren, ofwel enkel de wortels.
De gehele plant wordt in april en mei ingezameld; vóór het volledig openen der bloemen wordt de gehele plant uitgestoken. De planten worden dan eerst in een luchtige ruimte voorgedroogd, en daarna bij de kachel verder gedroogd.
De inzameltijd van de bladeren gaat van april tot augustus; men moet er wel voor zorgen dat de geplukte bladeren niet worden gekneusd. Ze worden in een dunne laag te drogen gelegd; een goed gedroogde plant heeft een nagenoeg lichtgroene kleur.
De wortels verzamelt men van september tot november. Van de uitgestoken plant verwijdert men de bladeren en de aanhangende worteldraden. Men reinigt de wortels door ze af te spoelen riet water en droogt ze kunstmatig. De temperatuur mag bij het drogen zeker niet boven de 70° C. komen.
Waarschijnlijk hebben velen onder 0 reeds de bittere smaak van de paardebloem ervaren. Deze wordt veroorzaakt door een bitterstof (taraxacine), die in de gehele plant, maar het meest in de wortel voorkomt. Trouwens vele volksnamen vinden hierin hun oorsprong; akkerchichorei, wilde suikerij, suikerijbloem, erdgalle, enz...
Dit bitterstofgehalte kan evenwel sterk verschillen.
Zo bezittende bladeren' in het voorjaar, de wortels in juli en augustus,. het grootste gehalte aan bitterstof,
In het melksap bevinden zich buiten de bitterstof nog andere belangrijke stoffen als choline, inositol en inuline; zelfs caoutchouc vindt men er in terug. De wortel bevat ook looistoffen, vluchtige oliën, harsen, zuren, inuline, enz... In alle delen van de plant treffen we verder een rijkdom aan mineralen aan, terwijl de bladeren naast gele kleurstoffen vooral vitaminen bevatten.
Vast staat dat de paardebloem al sinds de 13de eeuw in de geneeskunde,_ gebruikt wordt. Volgens de signatuurleer (zie Velpeleven) werd hij vanwege zijn gele bloemen tegen geelziekte gebruikt. Een uit de plant en wortel samengesteld water werd bij de gelaatsverzorging gebruikt.
Ook werd de plant lange tijd' als koortswerend middel benut. Het paardebloemen werden galziekten, leverzwellingen en waterzucht behandeld. Het. gebruik van jonge paardebloembladeren in de vorm van salade, bij voorjaarskuren, ziet men voor het eerst in de 19de eeuw.
Nadat de paardebloem in de laatste, tachtig jaar als geneeskruid enigszins aan belangstelling ingeboet had, komt hij thans op grond van nieuwe opzoekingen opnieuw volop in, de kijker te staan.
Twee eigenschappen maken van de paardebloem een waardevol geneeskruid:
- zij verhoogt de urineafscheiding aanzienlijk;
- zij bevordert de galafscheiding,
Maar ook omwille van haar bitterstof is zij zeer waardevol: de afscheidingswerkzaamheid van de maag en van de buikspeekselklieren wordt geprikkeld en daardoor de spijsvertering bevorderd.
De paardebloem is wellicht het werkzaamste, nuttigste en rijkste lentekruid dat wij ons kunnen wensen:, de bitterstof, choline en de grote mineralenrijkdom naast andere waardevolle bestanddelen als vitaminen verklaren haar weldoende werking. Bitterstof en choline werken respectievelijk ontspannend en stimulerend. Zij streven naar evenwicht en beïnvloeden daardoor gunstig de totale stofwisseling.
De mineralen van de paardebloem zijn al even nuttig: kalium zorgt voor waterafvoer door de nieren, kalk en mangaan verdrijven onrust en angstgevoelens, natrium ontzuurt, zwavel reinigt de huid, en kiezelzuur zorgt voor nieuw bindweefsel. Al deze eigenschappen maken van deze 'ordinaire' paardebloem een lentezuiveringskuur bij uitstek.

Samengevat: de paardebloem is maagversterkend, urineafdrijvend, galopwekkend, bloedzuiverend en licht laxerend. Paardebloem is aangewezen bij gebrek aan eetlust, bevordert de slechte spijsvertering, helpt bij nier- en leveraandoeningen, galstenen, geelzucht en hardnekkige huidziekten.

Men kan de groene bladeren onder gewone sla snipperen, of op de boterham, of gewoon elke dag een blaadje 'knabbelen'. De werking ervan kan nog versterkt worden door toevoeging van jonge brandnetelbladeren, veldsla en een kleine hoeveelheid duizendblad. Met wat. gesnipperde ui, azijn, olie en eventueel zout bekomt men een voorjaarssalade, die ook bij bloedreinigingskuren wordt gebruikt; men neemt hiervan liefst een bord per dag een maand, lang.

Een thee van paardebloenwortelen doet het even goed: één eetlepel van de gedroogde wortel wordt met drie kopjes koud water gemengd; men verhit tot kookpunt en na enkele minuten doet men het brouwsel door een zeeft. Aangeraden wordt één tas hiervan driemaal per dag warm uit te drinken, liefst voor de maaltijden.
Deze drinkkuur wordt ongeveer 6 weken toegepast, terwijl telkens na vier dagen een pauze van twee dagen wordt ingevoerd. Van de groene plant bereidt men een thee als volgt: men giet 2 koppen water op 1 eetlepel van de groene plant en men laat 2 uren koud trekken; hierna kookt men even op en voegt eventueel honing of kandijsuiker toe. Twee koppen hiervan, warm genomen, volstaan.
Sommigen halen het sap uit de gehele plant en nemen hiervan 2 tot 3 theelepels per dag.

Waarschijnlijk heb je al horen spreken van molsla; misschien heb je al het geluk gehad deze te mogen eten; welnu, molsla die zeer lekker is, is niets anders dan ondergronds gegroeide paardebloem, zoals bijv. onder molshopen; molsla is blank en zacht.

Alhoewel paardebloem bekend staat als gevaarloos geneeskruid, kunnen toch vergiftigingsverschijnselen optreden, vooral bij kinderen. Zo kunnen soms misselijkheid, braken en diarree voorkomen, wanneer kinderen het melksap uit de stengel opzuigen.

Tot besluit kunnen we gerust beweren en hopen dat de in grote hoeveelheden op weiden en elders groeiende paardebloem bij ons niet alleen als konijnenvoer zou moeten gebruikt worden, maar dat zij meer in de menselijke consumptie zou dienen opgenomen te worden. De jonge tere bladeren van de paardebloem vormen een vitaminerijke, licht bitter smakende salade, die onze totale stofwisseling gunstig beïnvloedt.

WERKGROEP NATUURSTUDIE                                              R. GEYSENS
 

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany