Vanaf
april zijn ze er weer: die knalgele, alom aanwezige paardebloemen van de, grote
familie der Samengesteld-bloemigen (Composieten). Men
vindt ze inderdaad zowat overal: op weilanden, velden, langs wegen, sloten en
bermen; zelfs in het gebergte tot op een hoogte van 3.000 m.
Reeds in het vroege voorjaar had zich uit een korte wortelstok en een vlezige,
de grond binnendringende, penwortel een wortelrozet ontwikkeld met langwerpige,
lancetvormige, sappig-groene, getande bladeren. Uit de bladoksels groeiden
daarna holle stengels, die thans aan hun einde grote, goudgele bloemhoofdjes of
bloeiwijzen dragen, die 's avonds en bij donker weer dichtgaan.
Misschien heb je U al afgevraagd hoeveel (lint)bloempjes op zo één bloemhoofd
(algemeen "bloem"
genoemd) staan: welnu, dat zijn er zo ongeveer tweehonderd.
Deze bloemen zijn tweeslachtig.
De paardebloemen bloeien praktisch de ganse zomer door en als het weer gunstig
is, komen ze in de herfst nog eens terug.
Niet lang meer en de gehele bloemkroon zal een pluisbol vormen; het zijn de
vruchtjes van de paardebloem, die op de lange snavel een haarkroon dragen. Die
pluisbollen worden ook wel parapluutjes, kaarsjes of lantarentjes genoemd.
Bij winderig weer ziet men ze overal zweven; waar ze een °parapluutje" landt,
strandt meteen de kiem, die later een nieuw paardebloemleven kan doen ontstaan.
Velen onder jullie kennen 'het spelletje', waarbij de jongeren de natuur een
handje toesteken door met volle borst de (lint)bloempjes weg te blazen. Het komt
er in feite op neer in een minimum aantal 'blazen' een maximum aantal bloempjes
de vrijheid te geven. Het succes is volledig wanneer er slechts één overschiet,
wat dan meteen 'bewijst' dat men slechts één 'lief' heeft.
De huidige wetenschappelijke benaming van de paardebloem is "Taraxacum
officinale"; de herkomst ervan is niet met zekerheid gekend, evenmin trouwens
als van de Nederlandse benaming: paardebloem.
De middeleeuwse Latijnse benaming was: 'Leontodon taraxicum' of "Dens leonis";
deze was logisch, daar men hierbij verwees naar de meestal scherp getande
bladeren. In het Duits is het nog steeds "Löwenzahn"; een vroegere Franse
benaming luidde "bent de lion", waarvan het huidige Engelse "dandelion" afgeleid
werd.
Een andere, eveneens veel voorkomende, ja zelfs meer verspreidde benaming is
"pisbloem". Deze vindt haar oorsprong in de waterafdrijvende (pisbevorderende)
eigenschappen van de paardebloem. Zo begrijpen we ook de officiële Franse
benaming "Pissenlit" (= Pisse en lit) en het Duitse "Bettseicher". Soms neemt
men de paardebloem wel eens: kettingbloem; deze komt voort van- het feit:dat de
jeugd zich soms vermaakt, met het maken van kettingen van de stengels.
Andere namen zijn: suikerijbloem, akkerchichorei, wilde suikerij, beddepisser,
pissebedden, melkplant, hondsbloem, hondsroos, hondsoor, hondssalade, leeuwetand,
papenkruid (in Diest), schurftbloem, veldrijs., beddezeker, mollesalade,
melkwied, ganzetongen, henselblaren, kruidkoek, oorringen, zeekbloem, koebloem,
erdgalle, lantaarn, enz....
In de Oudheid gold de paardebloem als een anti-magisch middel en dan vooral
tegen een huwelijksnachtbetovering. Het recept luidde: neem '7 planten zonder
wortel, kook die bij afnemende maan, was u daarmede buiten het huis en treed dan
zonder om te kijken naar binnen.
In de volksgeneeskunde gebruikt men ofwel de gehele plant, ofwel alleen de
bladeren, ofwel enkel de wortels.
De gehele plant wordt in april en mei ingezameld; vóór het volledig openen der
bloemen wordt de gehele plant uitgestoken. De planten worden dan eerst in een
luchtige ruimte voorgedroogd, en daarna bij de kachel verder gedroogd.
De inzameltijd van de bladeren gaat van april tot augustus; men moet er wel voor
zorgen dat de geplukte bladeren niet worden gekneusd. Ze worden in een dunne laag te drogen gelegd; een goed
gedroogde plant heeft een nagenoeg lichtgroene kleur.
De wortels verzamelt men van september tot november. Van de uitgestoken plant
verwijdert men de bladeren en de aanhangende worteldraden. Men reinigt de
wortels door ze af te spoelen riet water en droogt ze kunstmatig. De temperatuur
mag bij het drogen zeker niet boven de 70° C. komen.
Waarschijnlijk hebben velen onder 0 reeds de bittere smaak van de paardebloem
ervaren. Deze wordt veroorzaakt door een bitterstof (taraxacine), die in de
gehele plant, maar het meest in de wortel voorkomt. Trouwens vele volksnamen
vinden hierin hun oorsprong; akkerchichorei, wilde suikerij, suikerijbloem,
erdgalle, enz...
Dit bitterstofgehalte kan evenwel sterk verschillen.
Zo bezittende bladeren' in het voorjaar, de wortels in juli en augustus,. het
grootste gehalte aan bitterstof,
In het melksap bevinden zich buiten de bitterstof nog andere belangrijke stoffen
als choline, inositol en inuline; zelfs caoutchouc vindt men er in terug. De
wortel bevat ook looistoffen, vluchtige oliën, harsen, zuren, inuline, enz... In
alle delen van de plant treffen we verder een rijkdom aan mineralen aan, terwijl
de bladeren naast gele kleurstoffen vooral vitaminen bevatten.
Vast staat dat de paardebloem al sinds de 13de eeuw in de geneeskunde,_ gebruikt
wordt. Volgens de signatuurleer (zie Velpeleven) werd hij vanwege zijn gele
bloemen tegen geelziekte gebruikt. Een uit de plant en wortel samengesteld water
werd bij de gelaatsverzorging gebruikt.
Ook werd de plant lange tijd' als koortswerend middel benut. Het paardebloemen
werden galziekten, leverzwellingen en waterzucht behandeld. Het. gebruik van
jonge paardebloembladeren in de vorm van salade, bij voorjaarskuren, ziet men
voor het eerst in de 19de eeuw.
Nadat de paardebloem in de laatste, tachtig jaar als geneeskruid enigszins aan
belangstelling ingeboet had, komt hij thans op grond van nieuwe opzoekingen
opnieuw volop in, de kijker te staan.
Twee eigenschappen maken van de paardebloem een waardevol geneeskruid:
- zij verhoogt de urineafscheiding aanzienlijk;
- zij bevordert de
galafscheiding,
Maar ook omwille van haar bitterstof is zij zeer waardevol: de
afscheidingswerkzaamheid van de maag en van de buikspeekselklieren wordt
geprikkeld en daardoor de spijsvertering bevorderd.
De paardebloem is wellicht het werkzaamste, nuttigste en rijkste lentekruid dat
wij ons kunnen wensen:, de bitterstof, choline en de grote mineralenrijkdom
naast andere waardevolle bestanddelen als vitaminen verklaren haar weldoende
werking. Bitterstof en choline werken respectievelijk ontspannend en
stimulerend. Zij streven naar evenwicht en beïnvloeden daardoor gunstig de
totale stofwisseling.
De mineralen van de paardebloem zijn al even nuttig: kalium zorgt voor
waterafvoer door de nieren, kalk en mangaan verdrijven onrust en angstgevoelens,
natrium ontzuurt, zwavel reinigt de huid, en kiezelzuur zorgt voor nieuw
bindweefsel. Al deze eigenschappen maken van deze 'ordinaire' paardebloem een
lentezuiveringskuur bij uitstek.
Samengevat: de paardebloem is maagversterkend, urineafdrijvend, galopwekkend,
bloedzuiverend en licht laxerend. Paardebloem is aangewezen bij gebrek aan
eetlust, bevordert de slechte spijsvertering, helpt bij nier- en
leveraandoeningen, galstenen, geelzucht en hardnekkige huidziekten.
Men kan de groene bladeren onder gewone sla snipperen, of op de boterham, of
gewoon elke dag een blaadje 'knabbelen'. De werking ervan kan nog versterkt
worden door toevoeging van jonge brandnetelbladeren, veldsla en een kleine
hoeveelheid duizendblad. Met wat. gesnipperde ui, azijn, olie en eventueel zout
bekomt men een voorjaarssalade, die ook bij bloedreinigingskuren wordt gebruikt;
men neemt hiervan liefst een bord per dag een maand, lang.
Een thee van paardebloenwortelen doet het even goed: één eetlepel van de
gedroogde wortel wordt met drie kopjes koud water gemengd; men verhit tot
kookpunt en na enkele minuten doet men het brouwsel door een zeeft. Aangeraden
wordt één tas hiervan driemaal per dag warm uit te drinken, liefst voor de
maaltijden.
Deze drinkkuur wordt ongeveer 6 weken toegepast, terwijl telkens na vier dagen
een pauze van twee dagen wordt ingevoerd. Van de groene plant bereidt men een
thee als volgt: men giet 2 koppen water op 1 eetlepel van de groene plant en men
laat 2 uren koud trekken; hierna kookt men even op en voegt eventueel honing of
kandijsuiker toe. Twee koppen hiervan, warm genomen, volstaan.
Sommigen halen het sap uit de gehele plant en nemen hiervan 2 tot 3 theelepels
per dag.
Waarschijnlijk heb je al horen spreken van molsla; misschien heb je al het geluk
gehad deze te mogen eten; welnu, molsla die zeer lekker is, is niets anders dan
ondergronds gegroeide paardebloem, zoals bijv. onder molshopen; molsla is blank
en zacht.
Alhoewel paardebloem bekend staat als gevaarloos geneeskruid, kunnen toch vergiftigingsverschijnselen optreden, vooral bij kinderen.
Zo kunnen soms misselijkheid, braken en diarree voorkomen, wanneer kinderen het
melksap uit de stengel opzuigen.
Tot besluit kunnen we gerust beweren en hopen dat de in grote hoeveelheden op
weiden en elders groeiende paardebloem bij ons niet alleen als konijnenvoer zou
moeten gebruikt worden, maar dat zij meer in de menselijke consumptie zou dienen
opgenomen te worden. De jonge tere bladeren van de paardebloem vormen een
vitaminerijke, licht bitter smakende salade, die onze totale stofwisseling
gunstig beïnvloedt.
WERKGROEP NATUURSTUDIE
R. GEYSENS