|

In deze aflevering van dit omvangrijk artikel vervolgen we de bespreking van de
diverse planten en bomen, die we in het Hageland kunnen aantreffen.
Na de zeven streken, die de vorige maal reeds behandeld werden gaan we nu over
naar de achtste streek
VIII. VORSDONKBOS
Dit natuurgebied ligt net naast de spoorbaan. Het noordelijk deel is meer park;
de plaatsen X en XX zijn kastelen. Het bos is af en toe onderbroken door weiden,
waarvan er sommige nooit bemest zijn en later een verder onderzoek waard zijn.
De stippellijn duidt aan hoe ik voor de eerste maal door dit gebied trok. Kom
mee op verkenning.
We vertrekken aan het rondplein, springen in of over de beek en bevinden ons al
in een nat elzenbos met brede, evenwijdige sloten. We bemerken ook berk,
sporkehout, lijsterbes en veel moerasviooltjes. We trekken door een weide en
volgen de noordweg langs een canadabos met veel kamperfoelie, gele dovenetel, valse salie en gele lis. Tussen de canada's is veel ondergroei. Het wordt nog natter (A) en we bemerken bloeiende dotterbloemen, moerasspirea, veel gele lis en elzen. Hier moeten we al eens terug als
de grond onder de voeten snel wegzakt. Er verschijnt wilgenstruweel en, tussen
jonge canada's, de eerste verrassing: waterdrieblad (B); de tweede komt onder de
vorm van wateraardbei. Dan plots een open plaats en we ruiken een onmiskenbare geur: gagel; tussen de pollen pijpestrootje zakken we weg in veenmos; we bemerken veenpluis
en ratelpopulier, die de open plaats omringt.
Orchideeën groeien talrijk
in dit veengebied.
We vatten de terugtocht aan en hebben geluk een poeltje te vinden vol
waterzuring (C). Tussen de canada's zien we veel gele dovenetel, veel klimop en
bosanemonen. Dan weer een ander bos: hoge essen, wintereik, veel adelaarsvaren
en lelietjes-van-dalen. We komen weer op een open plaats (E) met nu struikheide
en aanplant van grove den. Tussen de heide is open ruimte met veel korstmossen. Plaats F is een beukenbos, dat al parkachtig aandoet. Door een
weide bereiken we weer de steenweg naar Betekom.
Vorsdonkbos is werkelijk een natuurgebied. Jammer dat de Moutlaak tussen de
Noordrand en de Demer een stinkende dode beek is.
IX. VAN NIEUWENHUIZENBOS
Dit is eigenlijk de heuvel van de Middelberg; de verkaveling loopt ook hier
dwars door. Nu blijft de plantengroei nog de moeite waard. De zuidkant tegen de
weg Aarschot-Leuven is een eiken-berkenbos met heidevelden, brem, grove den,
kruipbrem, ratelpopulier, bosbes, pijpestrootje en kamperfoelie. De noordkant
tegen de spoorweg heeft meer den en op plaats X, waar het vochtig is, veel
kruipbrem en rondbladige zonnedauw.
X. IJZERENBERG
Deel A bestaat uit vervallen en bijna verdwenen oude boomgaarden; het ganse deel
is overwoekerd door brem.
Deel B, dat ook al verkaveld wordt, is voorlopig nog
interessant. Tegen de spoorweg een hoog eiken-berken-bos, boven én op de steile zuidkant vliegdennen,
sporkehout en ongelooflijk veel kruipbrem. Verder de gewone soorten:
ratelpopulier, zomereik, brem, berk, sporkehout en veel bekermos. Ik vond ook
een nest van de rode bosmier.
XI. EIKELBERG
Deze rijst vlak naast de grote baan op aan de rechterkant, als je van Leuven
komt. Op de steile rand bemerk je veel heide en brem én één struik kruipbrem. De
rest van deze helling is begroeid met acacia en vogelkers, lijsterbes, kastanje,
beuk in struikvorm, kamperfoelie en bosbes. De zuidkant is interessanter met
enkele dennen tussen eerst nog vogelkers en acacia, maar naar de steile zuidpunt
toe echte heidevelden mét zomereik en berk, en kruipbrem in een hoeveelheid die
nergens meer op de kaart voorkomt.
XII. HET MOSTINGBOS
Hoewel dit, zoals zal blijken, een bos is hoofdzakelijk door mensen gevormd door
de vele aanplantingen, zelfs van sierstruiken, toch heeft dit bos grote waarde
omdat het delen bevat van zowat alle mogelijke bossoorten uit de streek.
Bovendien is het vrij uitgestrekt en ook vrij van alle weekendbewoning. Borden
als °privaat jachtgebied°° houden de mensen toch weg; ik ben er drie keer
geweest en nooit was er iemand te zien.
Deel A: grove den met ondergroei van vogelkers en veel bramen.
Deel B: acacia, berk en Amerikaanse eik,
Deel C: halfhoge essen, rode beuk aan de rand,
Deel D: lorken.
Deel E: kleine grove den, steeds groter naar het oosten toe.
Deel F: hoge eiken (3 soorten) mét gewone ondergroei, vooral sporkehout, rode beuk aan de rand.
G: hoge tamme kastanje.
H: lork en douglas-spar.
I: hoge kerstspar.
J: laag kreupelhout.
K: halfhoog loofbos van berk en zomereik.
L: lorken.
M: hoge Amerikaanse eik, tussen L en S aanplant van rododendrons met gele
welriekende bloemen; ook de wilde soort met paarse bloemen. Langs de dreef
heide, dopheide, tormentil (wijst op oppervlakkige verzuring), pijpestrootje en
dopheide. Het is wel jammer dat tussen de dopheide den en eik werd aangeplant.
N: zeer dicht kreupelhout met veel ratelpopulier.
0: kreupelhout, nogal ijl; berk, Amerikaanse eik, veel graspollen en nog
verdrogende struikheide; wat dopheide op de weg tegen P en tormentil.
P: canada met dichte ondergroei van vogelkers, vochtig met bron in het veld op
plaats X.
Q: hoge loofbomen met overwicht van es.
R: bosje lorken.
S: aanplant van jonge kerstspar.
Er blijven nog een paar onbezochte delen over.
N.B.: Ten Oosten van dit bos ligt het Tienbunder, nog een deeltje op de kaart,
minder aangenaam door de uitgestrekte delen den; het zal bovendien doorsneden
worden door de A2. Tussen de twee bossen ligt een park met weekendverblijven,
met getrokken wegen inbegrepen. Ten Zuiden ervan staan er nog meer, ook met
aangelegde aardewegen. Of deze wettelijk zijn is een andere vraag. Een deel bos
is nog te koop; er stond een bordje met het tel. nummer: 02/425.11.91. Wie belt
er eens naar?
Ten zuiden van het Mostingbos op de Houwaartseberg liggen aan weerszijden van
een aardeweg, waarlangs de weekendhuisjes kunnen bereikt worden, nog smalle
stroken bos. Ze bestaan uit Amerikaanse eik, tamme kastanje, berk, vogelkers,
veel kerstspar en lorken. Sporadisch nog struikheide langs de weg met
ratelpopulier en brem. Op deze diestiaanheuvel blijft van natuurlijke
plantengroei niet veel meer over.
De streek tussen Billaar en Aarschot (links vin de weg Rillaar-Aarschot) is
weinig interessant. Op het gehucht Biezenhuiskens blijven nog kreupelhoutbossen
over, maar de streek wordt verpest door het stort van Aarschot, net op de grens
met Billaar; een holle weg wordt er door opgevuld.
Het volgende heeft niets met natuur te maken, naar het heeft me getroffen. Toen
ik aan het stort kwam, zat daar een oude man tegen een klein hutje met half
opgerookte, zelfgerolde sigaret, en handen, die in geen weken meer gewassen waren. Hij kende
de streek, wat bleek na een kort gesprek. Een oude stoel diende hem tot
zitplaats. Ik vraag me nog af waarom hij daar blijkbaar dagen in die
verpestende geur komt zitten. Wat ik in die streek wel aantrekkelijk vind, zijn
de aardewegen van diestiaanzand, die het gebied een eigen karakter geven.
XIII. DE WIJNGAARDBERG
Deze ligt maar voor een deel op de kaart, de punt in het Westen ontbreekt en
daarmee het meest ongerepte deel. Iets valt echter dadelijk op: het plateau met
zijn perzikbomen ligt verlaten en de natuur keert langzaam terug. Ik was niet
verwonderd tussen de rotte perzikbomen al struikheide te vinden, maar het
verbaasde me dat op een paar plaatsen weer flink groeiende gaspeldoorns te
voorschijn kwamen.
Laten we nu eens de noordrand volgen in de richting van de
pijl: we vertrekken in een beukenbos op de spectaculaire helling, wat acacia en
veel mannetjes-varen door de vochtigheid van de lucht. We komen in F, een kloof
met wintereik en`dubbelloofvaren. Af en toe zien we zomereiken en berken, met
veel bosbes (weer de vochtigheid) en tamme kastanje. Bos G is veel lager met
wintereik, den, tamme kastanje, berk en een tapijt van bosbes. Het bos wordt'
nog ijler en nu zien we dopheide halfweg de helling samen met struikheide.
Op de zuidhelling liggen nog twee mooie stroken. R: zomereik, berk, heide, veel
pijpestrootje, ratelpopulier en bosbes. Alles is nog jong en er zijn nog
duidelijk sporen van brand.
Bos S is een wonder. Toen ik vanop de Beeninckxberg met mijn verrekijker keek,
leek het alsof de talrijke weekendverblijven alles vernietigd hadden. Toch
groeit hier nog heide, stekelbrem, en zelfs gaspeldoorn, naast berk, zomereik, den en acacia.
XIV. 'S HERTOGENHEIDE
Wie van Houwaart naar Aarschot rijdt langs de nieuwe weg, bemerkt links van de
weg, vlak voor de afzink naar Aarschot, een heidegebied zoals men die alleen mogelijk acht in de Kempen.
Er is zelfs meer: het reliëf. Deze heide is een dal riet twee steile heuvels aan
weerszij. Kom nu eere mee riet mij om deze streek te beleven zoals ik dat
beleefd heb op mijn eerste bezoek. We vertrekken tegen de nieuwe weg en moeten
eer talud af, onderaan weer dat blauwe gras zoals in de Bosberg. Oorspronkelijke vegetatie wisselt af met indringers: brem,
struikheide, bosbes,
grove den, maar deze vrij weinig; verder zomereik, en als indringers in de
vallei: vogelkers, esdoorn, lijsterbes, acacia. Weldra bemerken we ook
stekelbrem. De rechterhelling is vrij onnatuurlijk: lorkenaanplant, grove den in
rijen, acacia en rode en groene beuk. We gaan verder in de dalende vallei naast
een nu droge beek, maar het wordt vochtiger, en daar een kleine waterplas,
omringd door els en Amerikaanse eik. Even verder
gaat de vegetatie open en in de sloot zit het vol groene kikkers. We komen aan
een weide met renpaarden. Even verder bereiken we twee vijvers, lang geleden meegraven want de opgehoogde oeverwal is volledig opgegaan in de omgeving. Achter deze wal is het
moerassig, hier vormt zich over tientallen meters veenmos en er groeit zelfs
veenpluis. We bestijgen nu de zuidhelling tussen velden: heide en wintereik in struikvorm. Hier en daar zit er wat kleine beuk tussen. Verder berk,
den en weer stekelbrem, eveneens sporkehout. Op één plaats overheerst
ratelpopulier.
Een blik over deze zuidhelling toont overal heidevelden met veel stekelbrem.
Langs de steile zuidwestrand, helaas vol zomerverblijven, bereiken we het
Kloezebos. Dit is een bos van grove den, veel te kunstmatig, maar het middendeel
met oude dennen en ondergroei van vogelkers, lijkt interessanter. Over het
plateau gaan we weer oostwaarts; het is grotendeels braakliggend met
overblijfsels van boomgaarden. Brem krijgt hier de kans om alles te
overwoekeren, gemengd met vogelkers en struikheide. Links bemerken we een
aanplant van strobuspijnen. We naderen weer een bos met heide en braak omzoomd.
Hier zien we zomer- en wintereik, berk, acacia, lijsterbes en weldra komen we in
een bos waar vogelkers heer en meester is. We wandelen nu naar links, een stuk
van de weg af en daar toch een verrassing: een waterplas met grote (X) lisdodde
en daarrond weer heide en dopheide met ratelpopulier. Verder komen we aan
lupinen, hoe zijn die er geraakt! Nu weer een diepte met lisdodde en dan een
steile rand, we komen aan een kunstmatige vijver; het bos er rond bestaat uit berk; wintereik, acacia en vogelkers. Langs
een paardenweide komen we weer in de heide met naakte heuvels van stuifzand. En
daar is weer onze vertrekplaats.
XV. DE BEENINCKXBERG
Plaats X: heide, dopheide, brem en stekelbrem.
Bos A: berk e tamme kastanje, veel bosbes, heide, weinig zomer- en wintereik; er is geen verschil in vegetatie volgens de hoogte van deze steile helling.
Weldra ook dopheide; deze wordt stilaan talrijker. Er verschijnt ratelpopulier;
aan de voet vaal bramen.
Deel B: Alleen ratelpopulier, heide, berken die kleiner zijn en ongelooflijk
veel dopheide; soms hele vierkante meters. Hier groeit meer dan 80 % van alle
dopheide in het Hageland. Bosbes is ook talrijk door de relatieve vochtigheid
van de lucht. Hier vond Hugo, na verwoed zoeken, de grote wolfsklauw, de enige
plaats waar we ze gevonden hebben. Naar de zuidpunt toe verdwijnt door de
droogte alle dopheide en daar overheerst struikheide, gemengd met brem, berk en
ratelpopulier aan de onderkant. De zuidrand is een zee van heidevelden met berk,
weinig zomereik, ratelpopulier, brem en in de schaduw wat bosbes. c
Bos C: dichte berken, heide en kastanje.
Het smalle plateau: verrottende perzikbomen en terugkerende heide. Ook wat
aardbeien en appelaars.
(Wordt vervolgd)
WERKGROEP NATUURSTUDIE
A. ROELANTS
|