 |
|
 |
 |
| |
|
|
Artikel: Jaargang 1976,
nummer 1
"De kunstenaar en zijn
wereld, de Vlaamse school." |
|

De schitterende feesten van het
Bourgondische hof
zijn voldoende bekend. Overvloedige. smulpartijen, waar pastei en fazant,
begeleid door edele wijnen, werden opgediend in zwaar zilveren tafelgerei,
waartussen fonteintjes geurig rozenwater spoten. Fijn geborduurde en fel
gekleurde kleding streelde het oog, terwijl het oor gevleid werd door de zachte
muziek, die in onze tijd door kenners gewaardeerd en
beoefend wordt onder de naam van "Musica antiqua". Maar al die weelde bleef het
voorrecht van een dunne bovenlaag. Het rijke
Vlaanderen bestond alleen voor adel en machtige kooplui. De gewone, in lompen
gehulde, man moest voortdurend tegen de hongersnood vechten en zich tevreden
stellen met een homp ruw korenbrood, wat wortelen of gezouten haring.
Het was in dienst van de hogere klassen dat de schilders, de zogenaamde "Vlaamse
Primitieven", werkten. Hun producten waren bestemd om paleizen, kerken of
stadhuizen te versieren. In Brugge waren Van Eyck, met zijn beroemd drieluik
"Het Lam Gods", en Memlinck, met fraaie portretten, de meesters. Terwijl in
Leuven Dirk Bouts de toon aangaf naast Vander Weyden, Metsijs en anderen. Van
uit verre landen kwam men bij hen de kunst van het schone schilderen leren. De
onderwerpen waren bijna uitsluitend van godsdienstige aard. Heiligen, engelen en
aanbidders waren, in navolging van de hofkledij en de kerkgewaden, in prachtige
breedgeplooide mantels gehuld, bezaaid met een overvloed van juwelen, waarvan de fonkeling
tot in de kleinste bijzonderheden was weergegeven. Van de bloemen die de
grasperken sierden, kon men de kroonblaadjes tellen en het krulhaar der engelen
was haartje bij haartje getekend. Maar de lichamen, met zoveel zorg en geduld
gepenseeld, waren mager en lelijk; kinderen hadden te dikke hoofden en miezerige
ledematen. Alles was stijf en onbeweeglijk op een vlak geplaatst. Tussen de
zo-even geschetste en de daarop volgende school gaapt een kloof van bijna een
eeuw, waarin Bruegel vrijwel alleen de aandacht trekt. Maar met hem komt er een
volledige ommekeer. In zijn vroegste werken vindt men nog de invloed van zijn
voorgangers. Maar weldra voert hij de gewone man ten tonele; beweeglijke massa's
van dansende en feestvierende boeren, die niets meer gemeen hadden met de
vroegere stijve personages. De teloorgang van die eerste school was te wijten
aan het algemeen verval van Vlaanderen. Brugge en Damme verloren hun zeehavens
door de verzanding van het Zwin, en de uitbuiting door de Spaanse bezetters gaf
de genadestoot.
Maar rond 1600 keerde het tij toen onze gewesten overgedragen werden aan de
Aartshertogen Albrecht en Isabella. Noord en Zuid waren gescheiden door het
Protestantisme. Antwerpen breidde zijn haven uit, werd rijk en bood een nieuwe
voedingsbodem voor het kunstleven.
In Italië ontstond een nieuwe stroming: "De Renaissance".
Deze was een herontdekking van de Griekse naaktkunst, een vernieuwde
natuurcultus. Talrijke Vlaamse schilders togen er heen, ondermeer: Van Orley, Otho
Venius, Van Voort, Jordaens en Rubens. Deze laatste bezocht Florende, Rome,
Venetië en Parma, waar hij Rafaël, Veronese, Titiaan en andere meesters leerde
kennen, en in wier gezelschap hij jarenlang werkte. Toch bleef er bij hun
terugkeer weinig van de zuiderse opvatting over. Zij waren immers mannen van een
ander ras, een ander klimaat, een andere geschiedenis. Zij stichtten een andere
school, die ze tot een hoogtepunt wisten te leiden. De noorderlucht waaronder ze
werkten, was niet doorschijnend, de grond niet rotsachtig of verbrand, de dingen
niet strak omlijnd zoals in het Zuiden. Het uitspansel is zelden blauw, het
wolkendek wisselt aanhoudend, ragfijne sluiers van vederwolken rijker van de ene
einder tot de andere. Reusachtige witte stapelwolken drijven door de lucht, door
het zonnelicht met tedere pastelkleuren getooid; zware loodgrijze regenwolken
slepen log over de akkers, woelen dooreen, of worden door de winden aan flarden
gescheurd, terwijl de avondzon er een gloed van vuur en bloed of de feeërie van
een regenboog op tovert. Nevels vervagen de lage horizont boven drassige weiden,
die hun fel groen afwisselen met rossige rietvelden en moerassen, waar de lucht
in spiegelt. Vette modderige velden, door talrijke overstromingen opgehoogd,
spreiden hun kleed van bruine of gele okers, soms dooraderd met witgele
zandstroken, paarse heide of zwarte bossen. Om nog niet te spreken over
bloeiende lentes, bontgekleurde herfst en wijde winterlandschappen. Het is een
dooreen wemelen van kleurvlekken, een rijk gevuld palet dat tot schilderen
nodigt.
Wanneer Rubens, geboren in 1567, op het toneel verschijnt, is Antwerpen reeds in
volle bloei, en van de arme maar schalkse Bruegel komen wij terecht bij een
aanzienlijk heerschap, dat een groot deel van zijn leven doorbracht aan
koningshoven en in prinselijk gezelschap. Hij diende hen niet alleen als
schilder, maar vervulde ook talrijke diplomatieke zendingen bij andere
regeringen. Zijn beroep had hij geleerd bij Van Voort en bij Otho Venius, maar
zijn meesterschap verkreeg hij na een lang verblijf in Italië. Zijn verbeelding
en uitvoeringskracht kenden geen grenzen en in een dertigjarige loopbaan schiep
hij niet minder dan 1.500 werken. Vele daarvan zijn eerder van klein formaat, 1
tot 2 m., andere zijn nooit geschilderd en alleen als waardevolle tekeningen
bewaard, maar hoeveel zijn er ook niet van 4 tot 5 m groot, besteld door kerken
om het hoofdaltaar te versieren en die van ver in het middenschip gezien moesten
worden.
Alleen reeds in het "Luxemburgpaleis" te Parijs maakte, hij een twintigtal grote
doeken over het leven van de koningin, Maria de Médici, die bestemd waren om de
muren en plafonds te bedekken. Men zegt wel eens geringschattend dat veel van
zijn werk door zijn leerlingen gemaakt werd; daar is evenwel niets vreemds aan.
Schilderen was immers een ambacht; de schilder stelde zijn werken niet ten toon
in zalen of galerijen zoals nu, maar werkte op bestelling tegen een van te voren
vastgestelde prijs, die natuurlijk bepaald werd door de omvang van het werk en
door de faam van de schilder.
Elke meester had een aantal helpers die bij hem hun beroep leerden, maar het was
hij die de ontwerpen schiep, aanwijzingen gaf, de bijzonderste onderdelen zelf
schilderde en aan het geheel de eindtoets gaf, die er zijn werk van maakte.
Het kan natuurlijk de bedoeling niet zijn het ontzaglijke oeuvre van Rubens te
beschrijven of in zo een kleine bijdrage zijn schildertechniek te beoordelen;
dat is werk voor geoefende deskundigen. Neen, het is eerder een oppervlakkige
kennismaking; toch durf ik enige indrukken weergeven, die me bij het bekijken
van zijn werken opvielen.
Het is algemeen bekend dat de ongetwijfeld met eigen hand gemaakte portretten
van edellieden zijn faam niet bevestigden. Hij kon er zich kennelijk niet in
uitleven, de onderwerpen begeesterden hem blijkbaar niet. Het .zijn veeleer
modeportretten, gemaakt ore de opdrachtgevers te behagen. Alle in dezelfde
trant, schoon, lief, met grote ogen en fijn gekrulde lippen, dezelfde met
vermiljoen dooraderde wangen. Alsof er tussen die lieden geen lelijken of
misvormden waren -wie het boek over het leven aan het hof van Lodewijk XIV
gelezen heeft weet wel beter. Al die prinsessen en eredames hebben iets van de
schoonheid van zijn eerste vrouw Isabella Brant, of van de lieftalligheid van
zijn tweede echtgenote Helena Tourment, die menigmaal tot model dienden en in
menig van zijn werken terug te vinden zijn. Hij was er zo door begeesterd, dat,
wanneer men één van zijn werken ziet waar een vrouw in voorkomt, men al de
andere dadelijk herkent.
Rubens' volle kracht lag in het samenstellen van grootse taferelen, met
krachtpatsers en woestelingen overvloeiend van leven, gespierde reuzen met
ongeëvenaarde lenigheid en zwier. Hij was niet alleen de leider van een groot
"bent" kunstenaars die hem omringden, maar kon zelf al de instrumenten bespelen,
van de zachte viool tot de zware bombardon, maar liefst als solist waar hij
saxofoon of klarinet kon doen huilen, lachen of wenen!
Vreselijke folteringen, zwierige jachtpartijen, Bruegeliaanse kermissen of
mythologische taferelen met goden en godinnen lagen in zijn aard. Zijn werk dat
hoofdzakelijk een godsdienstige bedoeling had, straalt een heidense geest uit.
Tussen het half dozijn doeken dat in het Museum voor Schone Kunsten te Brussel
hangt, kies ik er een paar uit. Zo de marteldood van Sint-Lievens, een
stuiptrekkende, bloedspuwende heilige, van wie men de tong uittrekt, maar vooral
de beulen waarvan er één met bebloed mes tussen de tanden, terwijl de andere met
een zware tang de bloederige lap vlees aan de honden geeft; een gruwelijke
voorstelling, waarvan de wreedheid verdoezeld wordt door de lichtende klare
achtergrond, witte vlekken van honden en paarden en de rijk met goud geborduurde
kazuifel van de bisschop; zilver; licht en azuur, die met een feestelijk decor
de moordpartij dekken.
Wat verder hangt het reusachtige doek "De bestijging van de calvarieberg.
Christus, de vrouwen en de getrouwen, die hem tot het einde vergezellen, trekken
nauwelijks de aandacht. Maar het onstuimig steigerend paard op de voorgrond,
bereden door een wachter in schitterend harnas, doen de droevige stoet vergeten.
Dezelfde indruk ondergaat men bij het bekijken van het meters grote werk "De
lanssteek", in het museum van Antwerpen. De drie kruisen zijn in een schuine
lijn geplaatst, met de berouwvolle moordenaar op de achtergrond, en een
lijkbleke Christus in het midden. Maar op de voorgrond: de slechte moordenaar!
Wat een prachtige woestaard die kronkelt en wringt, met elke pees en spier
gespannen in een laatste poging om zich van het schandhout te bevrijden. Wat een
kracht en hartstocht!!! Men hoort, hem zowaar vloeken en tieren!!! Heel het
overige drama verzinkt er bij in het niets.
Alhoewel uit dit alles Rubens' voorliefde spreekt, zijn er toch uitzonderingen,
ondermeer zijn onbetwiste en wereldberoemde meesterwerken in de Onze-Lieve-Vrouwkerk
te Antwerpen: "de kruisiging" en "de kruisafdoening"; vooral dan het laatste dat
vrijwel aan, iedereen bekend is door de talrijke afdrukken die ervan verspreid
zijn.
Dit is maar een greep uit het omvangrijke werk van Rubens. Veel is er te
bekijken in het prachtige Rubenshuis, zijn vroegere woonst en werkplaats. Een
deel van zijn werk wordt bewaard in de belangrijkste musea van het land, maar
het grootste aantal bevindt zich in de rijkste verzamelingen, over heel de
wereld.
Onder zijn tijdgenoten noem ik alleen Jordaens, met zijn prachtig maar ietwat
overladen werk "De koning drinkt", om dan nog maar eens de Rubense geest aan te
tonen bij zijn meest begaafde leerling, Antoon Van Dyck; gevoeliger en
verfijnder is deze laatste vooral bekend om zijn levendige en kleurrijke
portretten. Maar bekijk het tafereel van Sint-Maarten, waar deze zijn mantel met
de armen deelt. In heel dat meesterwerk is er geen schijn van medelijden of
offervaardigheid te bekennen. Integendeel, de rijkgeklede "dandy", die fier op
zijn sterke schimmel troont, verraadt de "fils à papa", die ongetwijfeld
meerdere mantels in voorraad heeft, en met deze lap zeker niet aan "Spullenhulp"
doet. De half-naakte bedelaars gelijken meer op struikrovers die met geweld het
kledingstuk willen bemachtigen, dat door zijn bezitter in twee wordt gehakt met
een zwaardslag om zich van die boeven te ontdoen. Het toont nogmaals de
tweespalt aan tussen de bedoeling en de geest waarin het werk uitgevoerd werd.
Vergeten wij uit die periode niet de talrijke minder bekende kunstenaars:
bouwmeesters, beeldhouwers, glazeniers, tapijtwevers, edelsmeden, drukkers en
bekwame vakmensen, die zich vanuit de Vlaamse streken over heel West-Europa
verspreid hebben en er de hoofdsteden met tot nu bewaarde kunstwerken verrijkt
hebben.
Stilaan echter ging de prachtige Barokstijl over in de overdadige Rococo,
waarbij hij tenslotte tegen het midden van de zeventiende eeuw ten onder ging.
Velen werden inmiddels reeds vergeten, maar drie namen: VAN EYCK, BRUEGEL en
RUBENS, volstaan om de Vlaamse school een eeuwige roem te verzekeren
J. R..
|
|
|
|
 |
|
 |
 |
|