Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1976, nummer 3
"De evolutie van de bevolking van Boutersem."

Aan de hand van de cijfers, ons verstrekt door het Nationaal Instituut van de Statistiek, afhangende van het Ministerie van Economische Zaken, brengen we U in een reeks bijdragen de evolutie van de bevolking van Boutersem.

De volkstelling van 1831, de eerste na de onafhankelijkheid van België, gaf een totale bevolking van 611 inwoners.

Negen jaren later waren dit er 713 en dat aantal steeg tot 822 in 1846.

Van 1846 tot 1857 kwamen er nauwelijks 11 inwoners bij: dus 833; 25 personen, waarvan 10 van het mannelijk, en 15 van het vrouwelijk geslacht, waren ingeweken. Maar, juist geteld 25 Boutersemnaren weken uit: 14 mannen en 14 vrouwen. Datzelfde jaar stierven 15 personen (7 mannen en 8 vrouwen), terwijl 21 baby's het levenslicht mochten aanschouwen; 11 jongens en 10 meisjes.

De algemene volkstelling van 1866 gaf een totaal van 851 inwoners, waarvan 424 mannen en 427 vrouwen Hoe zag onze bevolking er toen uit?

Men noteerde toen 140 jongens en 142 meisjes, jonger dan 15 jaar In de leeftijdsklasse tussen 15 en 55 jaar waren er 221 mannen tegenover 213 vrouwen, terwijl in de leeftijdsgroep van 55 jaar en meer, 63 mannen het moesten afleggen tegen 72 vrouwen. De lichte meerderheid van het vrouwelijk geslacht was dus hoofdzakelijk het gevolg van het overwicht in de derde leeftijd. Terwijl 24 personen (14 mannen en 10 vrouwen) het elders gingen wagen, verkozen 21 anderen (11 mannen en 10 vrouwen) Boutersem als nieuwe woonplaats.

14 jongens en en II meisjes zagen het levenslicht; 18 Boutersemnaren, evenwel, verlieten ons voor altijd; 11 mannen en 7 vrouwen.

Onze bevolking was toen in hoofdzaak agrarisch, m.a.w. ze kwamen aan de kost met de landbouw. Het aantal bedrijven lag hoog: 157 in 1846; 153 in 1866.

Bij de graan- en meelgewassen spande de rogge de kroon: liefst 115 ha in 1846 en 102 ha in 1866. Tarwe kwam toen nog op de tweede plaats: 99 ha (1846) en 72 ha (1866). Haver was de derde teelt: 61 ha (1846) en 32 ha (1866). Opvallend voor de Algemene Landbouwtelling van 15 oktober 1846 was het feit dat nog liefst 22,5 ha boekweit geteeld werden; dit grote aantal was 20 jaren later gedaald tot ongeveer 2 hectaren. De zomer- en wintergerst begonnen maar pas geteeld te worden: 2 ha (1846) en ongeveer 4 ha in 1866.

( wordt vervolgd)

WERKGROEP GESCHIEDENIS

GEYSENS R.
 

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany