|
Op zondag 30 mei ll, was '"Velpeleven"
actief op twee fronten. Aan de ene kant reed een afvaardiging naar het "Hof van Bautersem`° in Zandhoven, en aan de andere kant namen sommige leden deel aan de
tocht, ingericht door HONA, naar de Bolderberg, zolder en Dillen. Waar de
eersten eerder het relatief jonge verleden van onze gemeente gingen napluizen,
was de opdracht bij de laatsten veelzijdig, er werd gegraven in de getuigeberg -
de Bolderberg - naar fossielen, stille getuigen van een heel ver verleden (Diestiaans).
In de late namiddag gebeurde hetzelfde in de kiezelgroeve te Dilsen. Dit
gedeelte ven de trip wordt verder in dit nummer behandeld door H. Delvaux.
Tussendoor werd een bezoek gebracht aan het prachtig Heemkundig Museum van
Zolder en werd de speciale flora van het vochtige heidelandschap van Zolder
onder de loupe genomen. Het is deze bijzondere plantengroei die mij aangezet
heeft tot het schrijven van dit artikel.
Typisch voor deze plaats zijn de gagel, de zonnedauw, de dopheide en het veenpluis. Vooral de gagel en de zonnedauw stonden in de kijker.
GAGEL (Myrica gale L.)
De gagel komt vooral voor op natte heide en
op veengrond; ook in de kalkarme duinen bij Bergen en op de Noordzee-eilanden
vindt men er. De drassige, moerassige grond rond de vijvers van Zolder is een
ideaal terrein voor deze plant. Anderzijds is het zo dat men de gagel niet
terugvindt in het Hoogveen, waar men daarentegen: wél de zonnedauw, het
veenpluis en het veenmos aantreft.
Gagel is een klein struikgewas. De bloemen in katjes kunnen éénhuizig of
tweehuizig zijn: ze verschijnen vóór de bladeren. Deze zijn langwerpig, gezaagd,
met de grootste
breedte nabij de top; zij vallen af in het najaar. De gagel heeft geen
honingklieren, wat meebrengt dat de bloemen niet bezocht worden door de bijen.
Bloemen, takken en bladeren zijn bezet met goudgele of rode kliertjes, die een
sterk aromatisch geurende stof afscheiden.
Dit geurig struikgewas werd en wordt' nog gebruikt
voor het maken van bezems; vandaar de naam "bessemhout".
De sterke reuk verjaagt luizen, vlooien er motten; vroeger legden sommigen riet
dat doel bladeren en takken van de gagel onder hun beddezak. Dit verklaart
meteen de volksnamen: mottekruid, vlooienhout.
Gagel wordt ook nog steeds gebruikt in de keuken, namelijk
bij het klaarmaken van mosselen; vandaar de naam `°mosselkruid'.
Momenteel wordt gagel niet meer gebruikt in de volksgeneeskunde. Vroeger viel
het evenwel in de smaak van bierdrinkers. Zo schreef
Dodoens in 1644 : "De vrucht wordt op verscheyden plaetsen in bier ghesoden oft
ghebrouwt ende maeckt den mensche seer haest droncken".
R0NDE
Z0NNEDAUW (Drosera Rotundifolia L.)
De zonnedauw is weeral een buitenbeentje in
het plantenrijk (vroeger hadden we het reeds over de maretak). Men vindt de
zonnedauw op heiden, in vennen en op moerasachtige weilanden. Het is een
overblijvende plant met vezelachtige wortels.
De bladeren zijn roodgroen en lepelvormig; zij vormen een rozet dat grondstangig
is, De bladeren zijn van onderen glanzend groen en van boven zijn zij dicht
bezet met lange roodgesteelde kliertjes. In juli en augustus verheft zich uit
het bladrozet een 10-20 cm, hoge bloeiwijze, die 7 tot kleine, witte, 5-tallige
bloemen draagt.
De kliertjes op de bovenkant van de bladeren scheiden een kleverig, draderig, in
het zonlicht als dauw uitziende vlooi
"Selfs in 't heetste van de sonne ende in den middagh is het met een
vochtigheydt en met kleyne droppelkens van water aan de hayrkens van de bladeren
Gheladen ende als net een dauw besproeyt". Dit schreef de bekende plantkundige
Dodoens in 1844. Dat verklaart ook voldoende de naam: zonnedauw.
Deze kliertjes hebben een zeer belangrijke taak te vervullen. Het is een feit
dat de zonnedauw geen stikstof (in de vorm van nitraten of nitrieten) langs zijn
wortels kan opnemen. Wat heeft de zonnedauw nu gedaan? Hij heeft zich wonderwel
weten aan te passen aan die zeer uitzonderlijke situatie.
Kan hij geen stikstof krijgen uit de grond, dan het maar elders zoeken: hij zal
gaan insecten eten?? Hoe dat? Zodra een klein insect aangetrokken wordt door de glans van de kleverige vloeistof en met de rode klierhaartjes in
aanraking komt, blijft het eraan kleven; de bladranden krullen tezamen en het
diertje wordt tenslotte door het blad helemaal omsloten en op enkele restjes
na door de eiwitafsplijtende stoffen van de klierafscheiding, die ongeveer als
ons maagsap werkt, verteerd.
Het gemis aan stikstofhoudende voedingsstoffen van de moerasgrond was voor de
zonnedauw dus aanleiding, de bladeren
tot vangorganen om te bouwen en de mogelijkheid te ontwikkelen
eiwit te verteren, om zo voldoende stikstof bevattend voedsel te
verkrijgen via dierlijk voedsel.
Deze bijzondere eigenschap van de zonnedauw verklaart meteen ook de volksnaam:
vliegenvanger.
Het bloeiend kruid wordt verzameld tijdens de maanden juli en augustus. De
ingezamelde plant (dwz. het bloeiend kruid met inbegrip van de wortels) wordt in
een luchtige, schaduwrijke ruimte in een dunne laag uitgelegd.
De reeds vermelde Dodoens schreef in 1644, "liet cruydt wordt hier te lande
loopigheruydt ghenoemt omdat net vee door het eten oft smaecken van dit cruydt
ritsigh ende heet (dat is loopigh) pleegh te worden'".. En zo spreekt men nu nog
in Schilde van: lopigkruid.
Zonnedauw, inheems in Europa, Azië en Noord-Amerika, was reeds in de 13de eeuw
aan de alchimisten bekend; zij geloofden uit de zonnedauw een geneesmiddel voor
alles, ja zelfs goud eruit te kunnen vervaardigen.
Al in de 17de eeuw schreef Dodoens: "Dit ghewas ende
't water daar van, wordt binnen den lijve ghegeven teghen de ghebreken van de
longen ende zonder schade". Reeds toen was bekend dat
zonnedauw de slijmafscheiding bevordert en dat deze plant een kalmerende, zwak
krampstillende werking uitoefent. Op grond van deze eigenschappen is hij dan ook
nu nog aanwezig in talrijke hoestdrankjes en druppels; dikwijls is hij hierbij
vergezeld van tijm.
Het is inderdaad, ook nog in de moderne geneeskunde, een gewaardeerd en
doelmatig geneesmiddel bij hoest, kinkhoest, prikkelhoest van zenuwachtige
oorsprong, en bij bepaalde vormen van bronchitis en astma. Deze werking dankt de
zonnedauw aan een gomhars. De zonnedauw wordt aangewend onder vorm van een thee
of van een tinctuur, die in de handel voorradig is.
Bij bereiding van thee giet men over 2 theelepels zonnedauw een halve liter
kokend water en laat dit 10 minuten trekken. Men zeeft en zoet eventueel aan met
suiker of honing. Deze al dan niet gezoete thee drinkt men met slokjes over de
gehele dag.
Van de zonnedauwtinctuur geeft men aan volwassenen
2 tot 3 maal daags 15 tot 20 druppels; aan kinderen elke 2 tot 3 uren 3 tot 5
druppels met wat suikerwater.
Ook het sap van de klierhaartjes wordt soms gebruikt tegen wratten en
eksterogen. Die bijtende eigenschap was ook al in de 15de eeuw bekend: "Van
buyten ghebruycct is dit cruydt seer scherp ende brandend ende maeckt blaeskens
oft bleynen op de huyt".
Tenslotte nog dit: Drosera of zonnedauw is niet giftig en veroorzaakt geen
narigheden.
WERKGROEP NATUURSTUDIE
R. GEYSENS
|