Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1976, nummer 3
"Volksgeneeskunde - geneeskruiden van bij ons: Gagel en Zonnedauw."

Op zondag 30 mei ll, was '"Velpeleven" actief op twee fronten. Aan de ene kant reed een afvaardiging naar het "Hof van Bautersem`° in Zandhoven, en aan de andere kant namen sommige leden deel aan de tocht, ingericht door HONA, naar de Bolderberg, zolder en Dillen. Waar de eersten eerder het relatief jonge verleden van onze gemeente gingen napluizen, was de opdracht bij de laatsten veelzijdig, er werd gegraven in de getuigeberg - de Bolderberg - naar fossielen, stille getuigen van een heel ver verleden (Diestiaans). In de late namiddag gebeurde hetzelfde in de kiezelgroeve te Dilsen. Dit gedeelte ven de trip wordt verder in dit nummer behandeld door H. Delvaux.
Tussendoor werd een bezoek gebracht aan het prachtig Heemkundig Museum van Zolder en werd de speciale flora van het vochtige heidelandschap van Zolder onder de loupe genomen. Het is deze bijzondere plantengroei die mij aangezet heeft tot het schrijven van dit artikel.
Typisch voor deze plaats zijn de gagel, de zonnedauw, de dopheide en het veenpluis. Vooral de gagel en de zonnedauw stonden in de kijker.

GAGEL (Myrica gale L.)

De gagel komt vooral voor op natte heide en op veengrond; ook in de kalkarme duinen bij Bergen en op de Noordzee-eilanden vindt men er. De drassige, moerassige grond rond de vijvers van Zolder is een ideaal terrein voor deze plant. Anderzijds is het zo dat men de gagel niet terugvindt in het Hoogveen, waar men daarentegen: wél de zonnedauw, het veenpluis en het veenmos aantreft.
Gagel is een klein struikgewas. De bloemen in katjes kunnen éénhuizig of tweehuizig zijn: ze verschijnen vóór de bladeren. Deze zijn langwerpig, gezaagd, met de grootste
breedte nabij de top; zij vallen af in het najaar. De gagel heeft geen honingklieren, wat meebrengt dat de bloemen niet bezocht worden door de bijen. Bloemen, takken en bladeren zijn bezet met goudgele of rode kliertjes, die een sterk aromatisch geurende stof afscheiden.
Dit geurig struikgewas werd en wordt' nog gebruikt voor het maken van bezems; vandaar de naam "bessemhout".
De sterke reuk verjaagt luizen, vlooien er motten; vroeger legden sommigen riet dat doel bladeren en takken van de gagel onder hun beddezak. Dit verklaart meteen de volksnamen: mottekruid, vlooienhout.
Gagel wordt ook nog steeds gebruikt in de keuken, namelijk bij het klaarmaken van mosselen; vandaar de naam `°mosselkruid'.
Momenteel wordt gagel niet meer gebruikt in de volksgeneeskunde. Vroeger viel het evenwel in de smaak van bierdrinkers. Zo schreef Dodoens in 1644 : "De vrucht wordt op verscheyden plaetsen in bier ghesoden oft ghebrouwt ende maeckt den mensche seer haest droncken".

R0NDE Z0NNEDAUW (Drosera Rotundifolia L.)

De zonnedauw is weeral een buitenbeentje in het plantenrijk (vroeger hadden we het reeds over de maretak). Men vindt de zonnedauw op heiden, in vennen en op moerasachtige weilanden. Het is een overblijvende plant met vezelachtige wortels.
De bladeren zijn roodgroen en lepelvormig; zij vormen een rozet dat grondstangig is, De bladeren zijn van onderen glanzend groen en van boven zijn zij dicht bezet met lange roodgesteelde kliertjes. In juli en augustus verheft zich uit het bladrozet een 10-20 cm, hoge bloeiwijze, die 7 tot kleine, witte, 5-tallige bloemen draagt.
De kliertjes op de bovenkant van de bladeren scheiden een kleverig, draderig, in het zonlicht als dauw uitziende vlooi

"Selfs in 't heetste van de sonne ende in den middagh is het met een vochtigheydt en met kleyne droppelkens van water aan de hayrkens van de bladeren Gheladen ende als net een dauw besproeyt". Dit schreef de bekende plantkundige Dodoens in 1844. Dat verklaart ook voldoende de naam: zonnedauw.
Deze kliertjes hebben een zeer belangrijke taak te vervullen. Het is een feit dat de zonnedauw geen stikstof (in de vorm van nitraten of nitrieten) langs zijn wortels kan opnemen. Wat heeft de zonnedauw nu gedaan? Hij heeft zich wonderwel weten aan te passen aan die zeer uitzonderlijke situatie.
Kan hij geen stikstof krijgen uit de grond, dan het maar elders zoeken: hij zal gaan insecten eten?? Hoe dat? Zodra een klein insect aangetrokken wordt door de glans van de kleverige vloeistof en met de rode klierhaartjes in aanraking komt, blijft het eraan kleven; de bladranden krullen tezamen en het diertje wordt tenslotte door het blad helemaal omsloten en op enkele restjes na door de eiwitafsplijtende stoffen van de klierafscheiding, die ongeveer als ons maagsap werkt, verteerd.
Het gemis aan stikstofhoudende voedingsstoffen van de moerasgrond was voor de zonnedauw dus aanleiding, de bladeren tot vangorganen om te bouwen en de mogelijkheid te ontwikkelen eiwit te verteren, om zo voldoende stikstof bevattend voedsel te verkrijgen via dierlijk voedsel.
Deze bijzondere eigenschap van de zonnedauw verklaart meteen ook de volksnaam: vliegenvanger.
Het bloeiend kruid wordt verzameld tijdens de maanden juli en augustus. De ingezamelde plant (dwz. het bloeiend kruid met inbegrip van de wortels) wordt in een luchtige, schaduwrijke ruimte in een dunne laag uitgelegd.
De reeds vermelde Dodoens schreef in 1644, "liet cruydt wordt hier te lande loopigheruydt ghenoemt omdat net vee door het eten oft smaecken van dit cruydt ritsigh ende heet (dat is loopigh) pleegh te worden'".. En zo spreekt men nu nog in Schilde van: lopigkruid.

Zonnedauw, inheems in Europa, Azië en Noord-Amerika, was reeds in de 13de eeuw aan de alchimisten bekend; zij geloofden uit de zonnedauw een geneesmiddel voor alles, ja zelfs goud eruit te kunnen vervaardigen.
Al in de 17de eeuw schreef Dodoens: "Dit ghewas ende 't water daar van, wordt binnen den lijve ghegeven teghen de ghebreken van de longen ende zonder schade". Reeds toen was bekend dat zonnedauw de slijmafscheiding bevordert en dat deze plant een kalmerende, zwak krampstillende werking uitoefent. Op grond van deze eigenschappen is hij dan ook nu nog aanwezig in talrijke hoestdrankjes en druppels; dikwijls is hij hierbij vergezeld van tijm.
Het is inderdaad, ook nog in de moderne geneeskunde, een gewaardeerd en doelmatig geneesmiddel bij hoest, kinkhoest, prikkelhoest van zenuwachtige oorsprong, en bij bepaalde vormen van bronchitis en astma. Deze werking dankt de zonnedauw aan een gomhars. De zonnedauw wordt aangewend onder vorm van een thee of van een tinctuur, die in de handel voorradig is.
Bij bereiding van thee giet men over 2 theelepels zonnedauw een halve liter kokend water en laat dit 10 minuten trekken. Men zeeft en zoet eventueel aan met suiker of honing. Deze al dan niet gezoete thee drinkt men met slokjes over de gehele dag.
Van de zonnedauwtinctuur geeft men aan volwassenen
2 tot 3 maal daags 15 tot 20 druppels; aan kinderen elke 2 tot 3 uren 3 tot 5 druppels met wat suikerwater.
Ook het sap van de klierhaartjes wordt soms gebruikt tegen wratten en eksterogen. Die bijtende eigenschap was ook al in de 15de eeuw bekend: "Van buyten ghebruycct is dit cruydt seer scherp ende brandend ende maeckt blaeskens oft bleynen op de huyt".
Tenslotte nog dit: Drosera of zonnedauw is niet giftig en veroorzaakt geen narigheden.

WERKGROEP NATUURSTUDIE

R. GEYSENS

 

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany