|
Zoals in vorig artikel reeds vermeld,
namen een aantal leden van "Velpeleven" op 30 mei 11. deel aan de
tocht, die door Hona ingericht werd naar de Bolderberg, Zolder en
Dilsen. Het doel van deze tocht bestond uit het verzamelen van fossielen
uit deze streek.
De Bolderberg zou ons deze gelegenheid bieden. Aan de zuidkant van
deze getuigenberg (= een heuvel die bij het wegtrekken der vroegere
zeeën niet afgevlakt werd zoals de rest van het landschap, maar integendeel
overeind bleef om zo te herinneren aan een ver verleden) konden wij
met het onderzoek starten. Aangezien deze flank over een groot stuk
was uitgegraven, konden wij nauwkeurig de verschillende lagen bepalen.
Onder de plantengroei zouden al spoedig de sporen opduiken van de
zanden van de Diestiaanse zee, die hier 15 miljoen jaar geleden het
land binnendrong en een donkerbruine laag achterliet van ijzerhoudende
zanden net op sommige plaatsen limoniet (=ijzerzandsteen).
Men veronderstelt dat het Diestiaan gepaard ging met een doorbraak
van het Kanaal, zodat Engeland los van het continent kwam te liggen.
Overal op de getuigenheuvels in het zuiden van Vlaanderen, vindt men
de ijzerzandsteenkoppen, ontstaan door oxidatie van de glaukonietrijke,
maar fossielarme zanden van Diest, die tussen Leuven en Diest ook
worden afgezet in een zee met sterke getijdenstroming (bv. Kesselse
Bergen, Wijngaardberg, Benningsberg, enz..).
Onder het Diestiaan ligt dan een laag met basisgrind en fossielen
met daaronder dan de witte en gele zanden van de Bolderberg (het Bolderiaan),
Typisch zijn o.a. het waaiervormig koraaltje Flabellum appendiculatum,
het slakkenhuisje ven Oliva dufresnei, en de talrijke stukken schelpen
van Isocardia harpa, enz., alle kenmerkend voor het Mioceen (begin:
23 miljoen jaar geleden).
In de namiddag drongen wij dieper "de Limburg" binnen. Daar zouden wij
dan een kiezelgroeve van dichtbij gaan bekijken, waar berggrind wordt
uitgegraven boven op het Kempisch Plateau, Het gaat hier over dat
grind, bestaande uit keien ven allerlei grootte, dat ondermeer gebruikt
wordt om wegen te verharden. Toen wij in de kiezelgroeve "Vos"' waren
aangekomen, werden wij getroffen door de grootheid van het schouwspel.
De mens had hier inderdaad enorme gedeelten van het Kempisch Plateau
weggegraven. Aan de wanden konden wij opnieuw de geschiedenis van
deze streek aflezen. Bovenop, 1 à 2 m dekzanden, achtergelaten door
de wind; daaronder wel 10 m. grind met rotsblokken, keien en kriskras
gelaagd rivierzand. Hierin silexstenen uit het Krijt, kwarts en
kwartsieten
(o.a. met kubusholten, waarin zich vroeger pyriet bevond) uit het
Cambrium en zandsteen uit het Devoon van de Ardennen en de Hoge Venen,
hier afgezet door de Maas.
Hoe is dit alles daar nu gekomen? De Maas, die eens
zelf een bijrivier van de Rijn was, heeft zich gedurende duizenden
jaren een weg gegraven door onze Ardennen, rotsen afbrekend en stenen
en grond meeslepend in haar vaart. Nu is het ze dat een rivier in
de loop der eeuwen haar bedding gaat verplaatsen. Zij gaat zich steeds
meer kronkelen (meanders vormen) om uiteindelijk een nieuwe weg te
kiezen, en zo wordt het landschap in alle richtingen uitgegraven en
wordt het afgebroken materiaal op andere plaatsen achtergelaten. Als
de stroming snel genoeg is gaat de rivier zoveel mogelijk materiaal mee naar
zee slepen. Als het debiet echter vermindert, dan gaat zij overal
haar rotsblokken, keien en zand achterlaten. En dat is nu juist hier
gebeurd. Wij moeten er bovendien op wijzen dat de snelheid van de
stroming zich onder invloed van het klimaat herhaaldelijk wijzigde.
Tijdens de ijstijden werd het zeepeil enorm verlaagd en zo werd de
eroderende (= afbrekende) kracht van rivieren
als de Maas enorm verhoogd. Tijdens de tussenijstijden, wanneer het
zeepeil fel was gestegen en het water dieper het land binnendrong,
verminderde bijgevolg de snelheid van de stroming en dit bracht een
grotere afzetting van grind teweeg. Als gevolg hiervan ziet men nu
in de Noord-Oosthoek van Limburg, tussen Maastricht en Lommel, een
reeks dikke keiterrassen ontstaan, die wijzen op de oude beddingen
, die de Maas er in die periode heeft gevolgd.
Dat de rivieren een belangrijke rol vervullen in de afbraak van het
land, wordt door het volgend voorbeeld aangetoond. Gedurende één jaar
hebben geleerden dagelijks kunnen vaststellen dat de Maas zomaar met
haar 20.000 kubieke meter water per dag, gemiddeld 3.000 ton (hetzij
150 spoorwegwagons) opgeloste zouten vervoert, daarbij nog 700 ton
(35 wagons) materiaal in onopgeloste toestand, zwevend in het stromend
water, en daarbij worden dan niet gerekend de massa's keitjes die
over de bodem meerollen! Dat materiaal maakt het ook noodzakelijk
dat jaar in jaar uit dagelijks baggerschepen op onze Maas en Schelde
ijverig aan het werk zijn om diepe vaargeulen voor de schepen vrij
te houden.
Enkele dagen na deze tocht, toen onze meegebrachte stenen zorgvuldig
gereinigd waren, gingen wij hun structuur onder de microscoop bekijken.
Wonderlijk mooi was de ervaring toen wij in spleten en holten van
bepaalde kwartsieten (= zandsteen, die onder invloed van druk er.
temperatuur herkristalliseerde tot een vaster gesteente) de prachtige
vormen van kwartskristallen konden waarnemen. Met het blote oog nauwelijks
zichtbare kenmerken werd nu door de vergroting in al zijn pracht getoond.
Bij een van onze volgende tentoonstellingen zult ook u de gelegenheid
krijgen om dit te bewonderen en om binnen te dringen in de wereld
van het onzichtbare en van het oneindig kleine.
WERKGROEP GESCHIEDENIS
H. DELVAUX
|