|

MEGALITHISCHE MONUMENTEN VAN BRETAGNE
CARNAC - LOCMARIAQUER - JULI 1976
Aan het einde van een smalle weg, die lichtjes bergop gaat en langswaar
gedurende eeuwen de karren van de eertijds Armorikaanse, later Bretoense boeren,
voortgetrokken werden, verheffen zich wit-grijsachtige massa's.
Op het eerste gezicht zou men denken dat het boomstronken zijn, maar naarmate
men dichterbij komt, is men verrast vast te stellen dat het om stenen gaat,
rechtop staand, enorm, min of meer afgerond, aan één zijde met mos bedekt, aan
de andere enigszins afbrokkelend en dissymmetrisch.
Deze stenen kolossen, hier in Carnac gemiddeld tweemaal hoger dan een volwassen
persoon, en reeds eeuwen lang de natuurelementen trotserend, strekken hun logge
massa's van gemiddeld 6 ton fier ten hemel. Ieder van deze stenen hier staat te midden van een 20
tot 30 cm. hoog bosje van gaspeldoorn, en, wanneer in het voorjaar deze
stekeldragende bremsoort bloeit, moet het geheel een prachtige aanblik bieden.
Men zou haast zeggen dat deze stenen hier geplaatst werden door een of andere
vereniging, die zich bezighoudt met de toeristische uitbating van de streek.
Dat is evenwel een valse redenering, want wat zien we als we even nader
toekijken. De basis van zulke steen zit enkele cm. diep in de grond; meer nog,
hij zit echt vast, "gecaleerd" als hij is door stenen, die er met een zware
krachtinspanning moeten ingeklopt zijn.
Moest. men één van deze vastzittende stenen. wegnemen, dan zou de grote steen of
monoliet, zoals men hem ook noemt, onvermijdelijk overhellen en vallen. Op de
bodem van het aldus vrijgekomen. gat zou men een ganse gamma van voorwerpen te
zien krijgen: afslag van silex, soms een gepolijste stenen bijl,, scherven van
ruw afgewerkte aarden potten, ja zelfs fragmenten van een primitieve graanmolen.
Het is evident dat deze rechtopstaande steen zich NIET van nature uit in die
positie bevindt, maar dat hij daar door mensenhanden werd geplaatst; het is een
monument, hoe ruw en onbehouwen het op het eerste gezicht ook moge lijken. De
enkele archeologische resten, gevonden aan de voet ervan, laten ons toe deze
monumenten te situeren in de rij van de opeenvolgende prehistorische
beschavingen.
De mensen die ze hebben opgericht, teelden reeds graangewassen, bakten keramiek,
polijsten de harde stenen, bezaten zelfs zeldzame metalen instrumenten, maar zij
bewerkten en kloven nog silex.
Vanaf het einde van de 18de.eeuw werden deze monolieten MENHIRS genoemd.
Menhir is in feite een Bretoens woord, wat niet wil zeggen dat menhirs
uitsluitend voorkomen in Bretagne. Niet alleen in Europa, waaronder in België,
worden ze aangetroffen, ook in andere werelddelen vindt men er; vast staat
evenwel dat de meeste en de bekendste in Bretagne weergevonden werden.
Men treft ze minder aan op de top dan op de helling van een heuvel. Maar ook in valleien, en dan vooral langs waterlopen of
stilstaande waters zijn er. Deze menhirs kunnen ofwel volledig alleenstaand
ofwel gegroepeerd voorkomen; soms zijn ze duidelijk verbonden met
grafmonumenten. Hun vorm varieert sterk en is klaarblijkelijk afhankelijk van de aard van hun gesteente. Meestal zijn ze
verticaal "uitgerekt".
Waar haalde men het materiaal voor deze menhirs?
In het eenvoudigste geval maakte men gebruik van een natuurlijk stenen blok, dat
door erosie of verwering van een rots geïsoleerd was; dit werd dan als dusdanig
genomen ofwel ruw bewerkt.
In sommige gevallen koos men een stuk van een rots, dat men vooraf aan de
moederrots had kunnen ontrukken: aan één zijde vertoont zulke menhir dan een
verse breuk, terwijl het oppervlak aan de andere kant verwoord is. Voor het
afscheiden ervan werd toen al hoogstwaarschijnlijk gebruik gemaakt van de
associatie van vuur en koud water, dank zij dewelke men een rots kon doen
kraken.
In Bretagne bestaan er talrijke menhirs die bewerkt
zijn; dit merkt men duidelijk aan hun regelmatige vorm. Over het algemeen zijn
het zeer grote monumenten, die kunnen dateren van het Oud- of Middenbrons
Tijdperk. De afmetingen variëren zeer sterk: zij gaan van enkele decimeters tot
meer
dan 20 meter, dit is de hoogte van de Grote Menhir van Locmariaquer, die,
spijtig genoeg, gevallen en hierbij in vier stukken gebroken is. Nabij
Dol-en-Bretagne (N. Bretagne) staat er een van 9,5 m., terwijl de hoogste, nog
rechtopstaande menhir zich in Plouarzel bevindt; hij meet.10
m.
Deze grote menhirs vertegenwoordigen enorme gewichten; deze van Locmariaquer zou
een 350 ton wegen! Tijdens de laatste Wereldoorlog werd er een vernietigd op het
Ile Melon; hij was 7 m hoog en woog 8.0 ton.
Het is logisch dat men voor het "maken" van een menhir een rots uitkoos, die
liefst zo dicht mogelijk bij de plaats lag, waar men hem wilde oprichten.
Inderdaad, in dit geval was de af te leggen weg zeer kort. Toch moet het steeds
weer een ware krachttoer geweest zijn.
Zo heeft men in sommige gevallen geologisch kunnen aanduiden uit welke rots een
bepaalde menhir afkomstig was; men heeft aldus kunnen vaststellen dat hij in een
bepaald geval liefst 3 km. verder opgesteld werd.
Hen heeft ook getracht zich een idee te vormen van de manier waarop deze
monolieten verplaatst werden. Het is praktisch zeker dat men hiervoor rollen
(bomen) gebruikte en dat men een weg zocht, die zo weinig mogelijk helde. Eens
het gat gegraven, deed men het blok er in overhellen, waarna men het vastzette
of caleerde.
Ogenschijnlijk komen eerder zelden gegraveerde afbeeldingen voor op de menhirs.
Men mag evenwel niet uit het oog verliezen dat deze stenen daar reeds duizenden
jaren staan en dat verwering misschien vele van deze tekeningen uitgewist heeft.
Heden ten dage zijn er echter nog slechts enkele, waaronder de menhir van Manio
te Carnac, waarop 5 serpenten gegraveerd zijn.
Zoals hoger reeds werd vermeld, komen de menhirs zowel geïsoleerd als
gegroepeerd voor. In het laatste geval vormen ze complexe gehelen, die men in
twee grote categorieën indeelt, en die men met de Franse woorden ALIGNEMENTS en
ENCEINTES aanduidt; deze nu kunnen ook samen voorkomen. Het valt op dat de
menhirs van de gegroepeerde categorie minder groot zijn dan de alleenstaande: hun vorm is eveneens minder sprekend.
De "enceintes" komen in Bretagne niet veel voor; vermelden we enkel de vierkante enceinte van Erdeven en de twee ovoïde of eivormige van het Ile d'Er.
Veel belangrijker in Bretagne zijn de ALIGNENIENTS, waartoe deze van Carnac
behoren, die de bekendste van de ganse wereld zijnen die we het geluk hadden te
kunnen bezoeken. Verschillende, praktisch parallelle rijen van honderden menhirs
vormden er één groot veld. Deze rijen vertrekken telkens loodrecht op een halve
cirkel of ovaal, gevormd door een
zeker aantal menhirs. Bij de Alignements van Ménec (in Carnac) telt men zo maar
eventjes 1.169 menhirs, waarvan er 70 in de halfcirkelvormige basis staan. De
overige 1.099 zijn verdeeld over 11 rijen: de gemiddelde breedte tussen de twee
buitenste rijen bedraagt 100 m, terwijl 1 rij 1.167 m. lang is.
Bij de Alignernents van Kermario, eveneens te Carnac, staan 1.029 menhirs
gegroepeerd in 10 rijen met een gemiddelde breedte van 100 m, op een lengte van
1.120 m, terwijl de hemicirkel als basis ontbreekt.
Bij deze van Kerlescan resten thans nog 594 menhirs, waarvan 39 in de basis en
555 in 13 rijen, met een gemiddelde breedte van 139 m en een lengte van 1.120 m.
Deze drie velden, die alle in Carnac gelegen zijn, bevinden zich respectievelijk
op 250 en 400 m van elkaar; hun oriëntatie verandert evenwel telkens.
Ook elders in Bretagne kunnen alignements voorkomen; die van Carnac zijn echter
veruit de belangrijkste.
Buiten deze alignements met parallelle rijen zijn er eenvoudige, gevormd hetzij
door één enkele rij, hetzij door verschillende rijen met telkens een andere
richting, met het gevolg dat ze mekaar kruisen. In Bretagne, trouwens overal in
Europa, waar er menhirs zijn, zijn er ook alignements; het merendeel bevat
slechts enkele stenen.
Betekenis
Wat is nu de betekenis, de zin van een menhir, van een alignement? Wat streefden
hun bouwers zowat 4000 tot 6000 jaar geleden na?
Welnu, deze stenen bewaren nog steeds hun geheim. Algemeen neemt men aan dat het
om religieuze monumenten gaat; zij zouden vooral geïnspireerd zijn door het
voornaamste embleem of zinnebeeld van de godheid bij de primitieve volkeren: de
zon, die iedere dag telkens weer opnieuw opstaat
en sterft. In het pantheon van de bouwers van de megalithische monumenten,
waartoe ook de menhirs behoren, moet de zon inderdaad een overwegende rol
gespeeld hebben, hetgeen men trouwens uit verschillende tekens heeft kunnen afleiden.
Daarnaast mag men niet vergeten dat ook de maan een eersterangsrol moet vervuld
hebben bij diezelfde primitieven.
Tenslotte doet de soms zeer suggestieve vorm van heel wat menhirs
veronderstellen, dat zij hoogstwaarschijnlijk ook de vruchtbaarheid
symboliseerden, die trouwens gemakkelijk kan geassocieerd worden aan de zon,
bron van alles.
(Wordt vervolgd)
WERKGROEP GESCHIEDENIS
R„ GEYSENS
|