|
Ik heb in mijn jeugd steeds met veel bewondering opgekeken naar het oud
mannetje, dat thuis in de buurt als knecht aan de kost kwam. Rikske moet
afkomstig geweest zijn van Blanden of Haasrode, want daar had hij, naar zijn
zeggen, nog wat verre familie.
Hij was één van Gods braafste mensen, die bij
zijn bazin werkte als er wat te doen was en verder voor een pakje pruimtabak of
een fooi allerlei karweitjes opknapte. Bij ons thuis kwam hij nog al eens over
de vloer en dan wist mijn vader dat hij niet zou,. weggaan vooraleer hij zijn
borrel had gekregen. Op den duur was het zelfs zo dat Rikske zijn eigen
druppelglas had. Toch was er één avond in het jaar dat Rikske langer bleef dan
gewoonlijk. Dat was met Hei-kermis, een wijkkermis, die op donderdagavond zijn
beslag kreeg, en die door mijn ouders vast geen enkele keer gemist is geweest,
dank zij Rikske, die voor de gelegenheid trouw over ons waakte ,
In de vooravond, en dat was mij reeds na een paar keren opgevallen, zag ik
telkens mijn vader jenever overgieten van de ene fles Hertekamp in de andere,
totdat er zo ongeveer een zes of zeven borrels in zaten. De fles, samen met een
pakje Stadiontabak, was de vergoeding in natura die het mannetje kreeg om een
nacht onze behoeder en bewaker te zijn Die avonden zijn voor Rikske ongetwijfeld
van de heerlijkste geweest die hij heeft beleefd. In de grote zetel zitten, met
de fles naast zich en zware verse tabak in zijn pijp en de belangrijkheid
aanvoelend van zijn opdracht, erover te waken dat wij braaf zouden zijn.
Dat Rikske met dat braaf zijn van ons nooit de minste last heeft gehad, lag nu
niet bepaald aan ons, maar daar had Rikske zijn eigen medicatie voor. Nog maar
pas waren onze ouders de deur uit, of het pientere ventje gooide het met ons op
een akkoord. Als wij braaf waren, dan zou hij ons iets vertellen uit zijn "jonge
tijd". En Rikske hield woord en vertelde met zijn eigen simpele woorden, want
lezen of schrijven kon hij niet. Hij bezat werkelijk de gave om ons mee te
slepen met wat hij als verhaal voordroeg.
Maar kom, het is de bedoeling dat wij
Rikske laten vertellen en dat deed hij in deze zin: "Tijdens de strenge winter van 97-98 heeft mijn moeder zaliger twee zware klappen gekregen. Mijn vader stierf in de nieuwjaarsmaand van
een fleuris en onze Louis, 14 jaar en twee jaar jonger dan ik, leed al van in
het begin van de winter aan een vreemde ziekte en dat werd steeds maar erger.
Tevoren was onze Louis thuis altijd de kwiekste geweest, die kon lopen en
ravotten dat iedereen er plezier in had, maar nu uren lang kon hij zitten dromen
en zuchten tegen de gevelmuur, om dan plots te gaan huilen als een hond en dan
lijk ne klot neer te vallen. Mijn moeder was al naar Stien geweest, omdat die
zowat alles en nog wat kon genezen met haar kruiden. Stien had haar wat
gedroogde planten meegegeven om er thee van te maken, maar het hielp allemaal
geen zier. Met onze Louis werd het met de dag erger en op den duur was hij met
geen stokken meer van de muur weg te krijgen. Daarbij begon hij nog met zijn
armen in de lucht te slaan en van alle zotte dingen te razen, die niemand
verstond. Op een middag, ik zat juist aan tafel, kwam ons moeder al snikkend
naar binnen en liet zich op een stoel aan tafel vallen, met haar hoofd op haar
armen. Blijf van onze Louis weg, zei ze, want hij springt rond op handen en
voeten en hij huilt en vloekt, dat het schuim uit zijn mond vliegt. Ik spring
naar buiten en ik zie hem op zijn rug liggen, en aldoor maar huilen en vloeken
en afschuwelijke dingen zeggen. Ik weet niet waarom ik het gedaan heb, maar in
een wip was ik bij hem en heb ik hem twee, driemaal ferm in zijn gezicht
geslagene Tot mijn grote verwondering werd onze Louis heel stil en ineens zei
hij .... danke Rik .... en 't was voorbij. Hij stond op en ging het huis binnen
alsof er niets gebeurd was. Ik heb hem nadien nog een paar keren op dezelfde
manier gekalmeerd. Op ne zekere dag, 't kon al wel juni geweest zijn, kwam er
thuis een leurder voorbij, zo één van die venten die lint en nestels en garen en
reukwerken verkopen, precies op het moment dat onze Louis weer zo nen aanval
kreeg. De man, die achteraf gezien veel te goed gekleed was om een leurder, te
zijn, zette zijn kist op de grond en liep recht op onze Louis af. Hij ging er te
paard over zitten, pakte zijne kop. tussen zijn twee.handen en riep dan een
vreemd woord, dat ik nog nooit vroeger had gehoord. Onze Louis stond op,. zo
kalm als ik hem de laatste tijd niet meer gezien had. Tegen de leurder zei hij:
mijnheer, gij zijt een geleerd man. Ja, dat is zo, zei de leurder, en tegen ons
moeder zei hij: uw zoon zal genezen, vrouwtje, en ons moeder begon te wenen.
Maar dan gebeurde er plots iets vreemd. Terwijl de leurder nog tegen ons moeder
aan 't spreken was, kwam onze Louis bij ons staan. In zijn handen had hij een. stuk of tien keien, die hij links en rechts
had opgeraapt. Kijk eens hier moe wat ik kan, zei hij. Hij zette zich op één
knie en rolde een kei voor zich uit. De kei had nog maar amper de de grond
geraakt of hij veranderde: in een muis, die haastig wegritste. Een tweede en
een derde kei en dan nog vijf of zes tegelijk rolden weg en veranderden allemaal
in muizen. Wij stonden als van de hand Gods geslagen, maar voor onze Louis was het precies de doodgewoonste zaak van de
wereld.
Toen stelden wij, tot onze even grote verbazing, vast dat de leurder
zo maar verdwenen was. Ik ben nog de weg afgelopen tot op de. straat, maar hij
was nergens meer te zien. Niemand van ons drie heeft ooit met iemand gesproken
over wat er die dag thuis is voorgevallen, tot In de patattentijd gingen wij mee
rapen bij Jef Veeckmans, en Tille, zijn vrouw, had toen gezien dat onze Louis
een paar patatten wegrolde. Nog erg geschrokken en onder de indruk van wat zij
gezien had, is Tille die avond met ons moeder komen klappen. Wat er toen tussen
die twee bedisseld en bedongen is, weet ik niet, maar toen ze weg was zei ons.
moeder tegen mij: Tille zegt dat ik met onze Louis naar Leuven moet gaan, naar de
Witte Paters, en daar zeggen dat hij muizen kan maken. Wanneer Tille dan een
paar dagen nadien kwam navragen, moest zij vernemen dat er niks van in huis
gekomen was, omdat onze Louis doodgewoon niet naar Leuven wilde gaan. Tille is
dan naar de pastoor gegaan en die heeft ne Witte Pater bij ons thuis doen komen.
Nooit vergeet ik die dag dat de pastoor en die pater bij ons binnen kwamen. Het
was op een donderdagnamiddag en onze Louis was hee1 de voormiddag al zodanig
onrustig geweest, dat wij een nieuwe aanval van zijn ziekte vreesden. Toen de
twee geestelijken binnenkwamen kroop onze Louis als in paniek achter de grote
rieten zetel weg en wij konden hem horen hijgen en kreunen. De pater schonk er
weinig of geen aandacht aan en na een tijdje met ons over allerhande dingen
gepraat te hebben, deed hij een soort armband rond de mouwvan zijn jas, maakte
een kruisteken en stapte recht op de zetel af, waarachter onze Louis zich
verstoken had. Met één ruk trok de pater de zetel opzij en wij zagen onze Louis
liggen beven op de vloer. Een paar minuten lang gebeurde er niets, doch plots
kroop onze Louis recht, zijn ogen star op de armband gericht. De pater ging
langzaam achteruit en zo de goei kamer binnen en het was precies alsof hij onze
Louis meetrok. Toen zij binnen waren deed de pastoor de deur van de kamer dicht
en wij moesten mee naar buiten gaan. Al biddend zijn wij drie, de pastoor
voorop, enkele keren rond ons huis gegaan. Wij waren juist' terug aan de
voordeur als de pater buitenkwam en precies als in de kerk zei hij 'Deo gratias'.
Wij mochten toen terug naar binnen.
Onze Louis. zat in de zetel en hij zag zo bleek als de gekalkte muur achter hem.
Geef hem maar een goei kom zoete melk, zei de pater, dan is hij morgen ne
nieuwe.
Meer waarheid kon de pater voorzeker niet spreken, want 's anderendaags was onze
Louis er terug volledig bovenop.
In de goei kamer was er een vaas kapot op de schouw en een familieportret was
van de muur gevallen. Dat had onze Louis gedaan, maar de pater zei dat het niet
met opzet gebeurd was en dat Louis er niks kon aan doen. Onze Louis is na die dag nooit meer ziek geweest
en hij is ne straffe werker geworden. Maar muizen maken kon hij niet meer; hij
heeft het ten andere niet meer geprobeerd. Vier jaar geleden is hij gestorven,
besloot Rikske zijn zonderling verhaal, hij was 76 jaar, is nooit getrouwd
geweest en zijn leven is als een kaarsvlammeke uitgegaan.
M. D. B. |