Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1976,
nummer   4
"Verhaal: Het muizenmakertje."

Ik heb in mijn jeugd steeds met veel bewondering opgekeken naar het oud mannetje, dat thuis in de buurt als knecht aan de kost kwam. Rikske moet afkomstig geweest zijn van Blanden of Haasrode, want daar had hij, naar zijn zeggen, nog wat verre familie.
Hij was één van Gods braafste mensen, die bij zijn bazin werkte als er wat te doen was en verder voor een pakje pruimtabak of een fooi allerlei karweitjes opknapte. Bij ons thuis kwam hij nog al eens over de vloer en dan wist mijn vader dat hij niet zou,. weggaan vooraleer hij zijn borrel had gekregen. Op den duur was het zelfs zo dat Rikske zijn eigen druppelglas had. Toch was er één avond in het jaar dat Rikske langer bleef dan gewoonlijk. Dat was met Hei-kermis, een wijkkermis, die op donderdagavond zijn beslag kreeg, en die door mijn ouders vast geen enkele keer gemist is geweest, dank zij Rikske, die voor de gelegenheid trouw over ons waakte ,
In de vooravond, en dat was mij reeds na een paar keren opgevallen, zag ik telkens mijn vader jenever overgieten van de ene fles Hertekamp in de andere, totdat er zo ongeveer een zes of zeven borrels in zaten. De fles, samen met een pakje Stadiontabak, was de vergoeding in natura die het mannetje kreeg om een nacht onze behoeder en bewaker te zijn Die avonden zijn voor Rikske ongetwijfeld van de heerlijkste geweest die hij heeft beleefd. In de grote zetel zitten, met de fles naast zich en zware verse tabak in zijn pijp en de belangrijkheid aanvoelend van zijn opdracht, erover te waken dat wij braaf zouden zijn.
Dat Rikske met dat braaf zijn van ons nooit de minste last heeft gehad, lag nu niet bepaald aan ons, maar daar had Rikske zijn eigen medicatie voor. Nog maar pas waren onze ouders de deur uit, of het pientere ventje gooide het met ons op een akkoord. Als wij braaf waren, dan zou hij ons iets vertellen uit zijn "jonge tijd". En Rikske hield woord en vertelde met zijn eigen simpele woorden, want lezen of schrijven kon hij niet. Hij bezat werkelijk de gave om ons mee te slepen met wat hij als verhaal voordroeg.
Maar kom, het is de bedoeling dat wij Rikske laten vertellen en dat deed hij in deze zin: "Tijdens de strenge winter van 97-98 heeft mijn moeder zaliger twee zware klappen gekregen. Mijn vader stierf in de nieuwjaarsmaand van een fleuris en onze Louis, 14 jaar en twee jaar jonger dan ik, leed al van in het begin van de winter aan een vreemde ziekte en dat werd steeds maar erger. Tevoren was onze Louis thuis altijd de kwiekste geweest, die kon lopen en ravotten dat iedereen er plezier in had, maar nu uren lang kon hij zitten dromen en zuchten tegen de gevelmuur, om dan plots te gaan huilen als een hond en dan lijk ne klot neer te vallen. Mijn moeder was al naar Stien geweest, omdat die zowat alles en nog wat kon genezen met haar kruiden. Stien had haar wat gedroogde planten meegegeven om er thee van te maken, maar het hielp allemaal geen zier. Met onze Louis werd het met de dag erger en op den duur was hij met geen stokken meer van de muur weg te krijgen. Daarbij begon hij nog met zijn armen in de lucht te slaan en van alle zotte dingen te razen, die niemand verstond. Op een middag, ik zat juist aan tafel, kwam ons moeder al snikkend naar binnen en liet zich op een stoel aan tafel vallen, met haar hoofd op haar armen. Blijf van onze Louis weg, zei ze, want hij springt rond op handen en voeten en hij huilt en vloekt, dat het schuim uit zijn mond vliegt. Ik spring naar buiten en ik zie hem op zijn rug liggen, en aldoor maar huilen en vloeken en afschuwelijke dingen zeggen. Ik weet niet waarom ik het gedaan heb, maar in een wip was ik bij hem en heb ik hem twee, driemaal ferm in zijn gezicht geslagene Tot mijn grote verwondering werd onze Louis heel stil en ineens zei hij .... danke Rik .... en 't was voorbij. Hij stond op en ging het huis binnen alsof er niets gebeurd was. Ik heb hem nadien nog een paar keren op dezelfde manier gekalmeerd. Op ne zekere dag, 't kon al wel juni geweest zijn, kwam er thuis een leurder voorbij, zo één van die venten die lint en nestels en garen en reukwerken verkopen, precies op het moment dat onze Louis weer zo nen aanval kreeg. De man, die achteraf gezien veel te goed gekleed was om een leurder, te zijn, zette zijn kist op de grond en liep recht op onze Louis af. Hij ging er te paard over zitten, pakte zijne kop. tussen zijn twee.handen en riep dan een vreemd woord, dat ik nog nooit vroeger had gehoord. Onze Louis stond op,. zo kalm als ik hem de laatste tijd niet meer gezien had. Tegen de leurder zei hij: mijnheer, gij zijt een geleerd man. Ja, dat is zo, zei de leurder, en tegen ons moeder zei hij: uw zoon zal genezen, vrouwtje, en ons moeder begon te wenen. Maar dan gebeurde er plots iets vreemd. Terwijl de leurder nog tegen ons moeder aan 't spreken was, kwam onze Louis bij ons staan. In zijn handen had hij een. stuk of tien keien, die hij links en rechts had opgeraapt. Kijk eens hier moe wat ik kan, zei hij. Hij zette zich op één knie en rolde een kei voor zich uit. De kei had nog maar amper de de grond geraakt of hij veranderde: in een muis, die haastig wegritste. Een tweede en een derde kei en dan nog vijf of zes tegelijk rolden weg en veranderden allemaal in muizen. Wij stonden als van de hand Gods geslagen, maar voor onze Louis was het precies de doodgewoonste zaak van de wereld.
Toen stelden wij, tot onze even grote verbazing, vast dat de leurder zo maar verdwenen was. Ik ben nog de weg afgelopen tot op de. straat, maar hij was nergens meer te zien. Niemand van ons drie heeft ooit met iemand gesproken over wat er die dag thuis is voorgevallen, tot In de patattentijd gingen wij mee rapen bij Jef Veeckmans, en Tille, zijn vrouw, had toen gezien dat onze Louis een paar patatten wegrolde. Nog erg geschrokken en onder de indruk van wat zij gezien had, is Tille die avond met ons moeder komen klappen. Wat er toen tussen die twee bedisseld en bedongen is, weet ik niet, maar toen ze weg was zei ons. moeder tegen mij: Tille zegt dat ik met onze Louis naar Leuven moet gaan, naar de Witte Paters, en daar zeggen dat hij muizen kan maken. Wanneer Tille dan een paar dagen nadien kwam navragen, moest zij vernemen dat er niks van in huis gekomen was, omdat onze Louis doodgewoon niet naar Leuven wilde gaan. Tille is dan naar de pastoor gegaan en die heeft ne Witte Pater bij ons thuis doen komen.
Nooit vergeet ik die dag dat de pastoor en die pater bij ons binnen kwamen. Het was op een donderdagnamiddag en onze Louis was hee1 de voormiddag al zodanig onrustig geweest, dat wij een nieuwe aanval van zijn ziekte vreesden. Toen de twee geestelijken binnenkwamen kroop onze Louis als in paniek achter de grote rieten zetel weg en wij konden hem horen hijgen en kreunen. De pater schonk er weinig of geen aandacht aan en na een tijdje met ons over allerhande dingen gepraat te hebben, deed hij een soort armband rond de mouwvan zijn jas, maakte een kruisteken en stapte recht op de zetel af, waarachter onze Louis zich verstoken had. Met één ruk trok de pater de zetel opzij en wij zagen onze Louis liggen beven op de vloer. Een paar minuten lang gebeurde er niets, doch plots kroop onze Louis recht, zijn ogen star op de armband gericht. De pater ging langzaam achteruit en zo de goei kamer binnen en het was precies alsof hij onze Louis meetrok. Toen zij binnen waren deed de pastoor de deur van de kamer dicht en wij moesten mee naar buiten gaan. Al biddend zijn wij drie, de pastoor voorop, enkele keren rond ons huis gegaan. Wij waren juist' terug aan de voordeur als de pater buitenkwam en precies als in de kerk zei hij 'Deo gratias'. Wij mochten toen terug naar binnen.
Onze Louis. zat in de zetel en hij zag zo bleek als de gekalkte muur achter hem. Geef hem maar een goei kom zoete melk, zei de pater, dan is hij morgen ne nieuwe.
Meer waarheid kon de pater voorzeker niet spreken, want 's anderendaags was onze Louis er terug volledig bovenop.
In de goei kamer was er een vaas kapot op de schouw en een familieportret was van de muur gevallen. Dat had onze Louis gedaan, maar de pater zei dat het niet met opzet gebeurd was en dat Louis er niks kon aan doen. Onze Louis is na die dag nooit meer ziek geweest en hij is ne straffe werker geworden. Maar muizen maken kon hij niet meer; hij heeft het ten andere niet meer geprobeerd. Vier jaar geleden is hij gestorven, besloot Rikske zijn zonderling verhaal, hij was 76 jaar, is nooit getrouwd geweest en zijn leven is als een kaarsvlammeke uitgegaan.
 

M. D. B.

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany