|

(Vervolg en slot)
Stafkaart Aarschot en onze gevederde vrienden
Ook op ornithologisch gebied is dit de interessantste kaart van het Hageland en
er zaten eindelijk een paar verrassingen in.
Voor de veel voorkomende soorten geef. ik gewoon de aantallen, anders vervallen
we in herhalingen.
1. Zeer talrijke vogels (boven 500 paar)
We volgen de volgorde van de invulkaarten: houtduif, tortelduif, veldleeuwerik,
winterkoning, heggemus, zanglijster, merel, roodborst, zwartkop, tuinfluiter,
grasmus, fitis, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, groenling, kneu, vink, huismus,
ringmus, spreeuw, fazant.
De meeste van deze vogels voelen zich zowat overal thuis als er maar wat
vegetatie is (de leeuwerik uitgezonderd, maar voor hem zijn er altijd wel velden
genoeg), voor sommige kan men zelfs geen speciaal biotoop meer aanduiden.
2. Broedparen tussen 26 en 125
|
Patrijs: |
hun aantal is in verhouding klein, wegens het minder voorkonen van uitgestrekte velden. |
|
Waterhoen: |
vrij talrijk door de brede, moerassige valleien en de vele vijvertjes
van weekendverblijven. |
|
Turkse tortel: |
in de omgeving van kastelen overal te vinden. |
|
Gierzwaluw: |
alleen in Aarschot |
|
Huiszwaluw: |
zoals andere stafkaarten; kleine kolonies. |
|
Oeverzwaluw: |
hiervan twee kolonies: een op de Middelberg aan de spoorweg met
een 50 paar; één in de afgraving van een nieuw huis te Aarschot, deze kolonie
zal volgend jaar niet meer bestaan, een 30 paar. |
|
Boompieper: |
zekere vogel in de nabijheid van bosjes en bosranden, |
|
Graspieper: |
vooral in drogere weiden en braakgronden.
|
|
Witte kwik:
|
vrij verspreid. |
|
Gele kwik: |
komt voor in het zuidelijk deel van de kaart, vooral in de velden
tussen Lubbeek en de weg Holsbeek - St.Pieters-Rode. |
|
Grote luster: |
is overal, maar nooit talrijk. |
|
Nachtegaal: |
in de vochtige bossen, ontbreekt op de diestiaanheuvels. |
|
Bosrietzanger: |
talrijk in de brede Wingevallei met ruige moerasplanten. |
|
Spotvogel: |
in de nabijheid van kleine bossen steeds aanwezig. |
|
Staartmees: |
moet in het voorseizoen opgespoord worden; niet talrijk, maar toch
overal voorkomend. |
|
Grauwe gors: |
vogel van leemstreken, ontbreekt in zandgebieden; daarom was het
belangrijk na te gaan tot waar zijn verspreidingsgebied kwam; ik heb het precies
gevonden: ten zuiden van de lijn (=-steenweg) Holsbeek, Kortrijk-Dutsel, St.Pieters-Rode,
kasteel van Horst, Baronsheide en Houwaartse berg is hij nog vrij talrijk; ten
noorden ontbreekt hij volledig. |
|
Geelgors: |
geregeld voorkomend. |
|
Kauw:
|
kleine kolonies in de kastelen. |
|
Ekster: |
is veel talrijker in de streek van de Zuiderkempen, vooral in de
dennenbossen; vrij schaars in Zuid-Hageland. |
|
Gaai: |
ontbreekt nergens, talrijk voor een vogel van zijn grootte. |
3. Tussen 5 en 25 paar
|
Wilde eend: |
had ik talrijker verwacht, maar uitgestrekte vijvers ontbreken•,of
zijn propere visvijvers; bovendien zijn Demer en bijrivieren te vervuild; heeft
wel gebroed in het Walenbos en Vorsdoonkbroek
|
|
Kievit |
3 kolonies:
a) Demervallei in het gehucht Zallaken, ongeveer 5 paar
b) Veld omringd door bossen'te Dutsel, ongeveer 10 paar
c) Luttelkolen te Houwaart, ondanks het feit dat de nieuwe weg Aarschot-Winge
er dwars doorheen gaat, waarschijnlijk 3 paar.
In het ganse Hageland broeden maar een 40 paar. |
|
Holenduif: |
schaars nabij oude bomen en parken |
|
Koekoek: |
weinig talrijk, vooral in de valleien aanwezig. |
|
Steenuil: |
onze talrijkste uil, lijkt iets talrijker in de zandstreek. |
|
Groene specht: |
nooit talrijk, maar in elk groot bos aanwezig. |
|
Grote bonte: |
ongeveer even talrijk. |
|
Roodborsttapuit: |
toestand zoals in de rest van het Hggeland; een zeldzame vogel,
wat meer in het zandgebied; voor het ganse Hageland een 30 paar. |
|
Zwarte roodstaart: |
iets talrijker dan de vorige vogel. |
|
Grauwe vliegenvanger: |
leek me dit jaar minder talrijk. |
|
Natkop |
bevestiging van wat ik al een paar jaar heb vastgesteld: weinig
algemeen; moet vochtige bossen hebben, komt vreemd genoeg ook voor op de Diestiaanheuvels. Talrijk in de winter, dus veel wintergasten die verkeerdelijk
voor broedvogels aangezien worden. |
|
Rietgors: |
schaars in de ruige moerasbegroeiingen, had ik: talrijker verwacht. |
|
Wielewaal: |
geen verschil met andere kaarten, aanwezig in grote loofbossen. |
|
Kraai: |
woont vooral in brede en natte valleien, talrijker dan op andere kaarten. |
4. Tussen 1 en 5 paar
Dit zijn natuurlijk de belangrijkste gevallen. Zoals gewoonlijk vallen hier de
meeste uilensoorten onder. De bosuil komt voor in uitgestrekte bossen; er kunnen
wel meer dan 5 paar zijn, maar wie kan dat op één seizoen uitmaken?
Voor de
kerkuil is de toestand net dezelfde. Van de ransuil heb ik dit keer een nest gevonden; het
lag in een vlierstruik op een hoogte van 3 meter in een oud nest. Vrij
onverwacht vloog de broedende uil weg toen ik voor de tweede maal onder de
struik passeerde; was hij blijven zitten dan had ik hem nooit opgemerkt. Het
kleine bos ligt in de omgeving van Zallaken. Ook van deze vogel kunnen er wel
meer dan 5 paar zijn.
Dan heb je de torenvalk die volgens mij zeker
vooruitgaat; ik weet dat er één gebroed heeft in de toren van het kasteel van
Horst; er moeten ook een vijftal paar per stafkaart broeden. Met de kleine bonte
specht sta ik ieder jaar voor hetzelfde verschijnsel: waarnemingen in de
broedtijd maar geen echt bewijs; toch twijfel ik er niet aan dat er wel enkele
paren broeden.
De ijsvogel wordt geregeld gezien in de omgeving van de blauwe
molen; als er 5 paar per kaart zijn is dat veel. De grote gele kwik zit in het Hageland aan de rand van zijn broedgebied; aan de Blauwe Molen is er geregeld
één te zien; waar watervallen zijn ontbreekt hij niet. Dan heb je de
boomkruiper, een vogel gebonden aan oude eikenbossen, die heel moeilijk op te
sporen is, maar 's winters veel meer kan gezien worden. Mogelijk zijn er ook
meer paren dan ik opgeef, maar men heeft gezegd dat bij twijfel een lagere
klasse moest opgegeven worden.
Elk jaar ook een probleem met de fluiter: ik twijfel er niet aan dat deze vogel
in het Hageland broedt, maar er zijn er zeer weinig, dit jaar één zingend exemplaar
op de noordzijde van de Wijngaardberg. Deze vogel stelt werkelijk veel
eisen aan zijn biotoop. Langsheen de Ninglinspo in de Ardennen heb ik eens 10
zangposten geteld over een viertal kilometer. Deze streek leek veel op de
noordkant van de Wijngaardberg: vochtig, hoge beuken, met enkele berken als
ondergroei en zeker geen te dicht biotoop, de zon moet bij plekken de bodem
kunnen verlichten; ook bosbessen groeien er steeds op de bodem. Dergelijke
biotopen komen weinig voor.
Dan is er het goudhaantje, dat behoefte heeft aan hoge sparren, zangposten in
het Mostingbos in een deel met uitsluitend hoge kerstsparren; in die grootte
zijn ze in het Hageland zeer zeldzaam; één zangpost ook in Meetshovenbos, ook
daar overwegend naaldbomen.
Nog een probleemvogel: de sprinkhaanrietzanger; ik heb nog geen positief bewijs
gevonden, maar de waarnemingen van zangposten in volle broedseizoen zijn zo
talrijk geworden dat het niet anders kan of hij moet hier broeden. Ik had 2
zangposten in de Wingevallei.
Eén van de grootste voldoeningen die je als ornitholoog kunt beleven is het
eindelijk bewijs van de aanwezigheid van een zeldzame vogel, als alle twijfel
eindelijk wegvalt. Daarom zal ik 20 juni nooit meer vergeten.
Die namiddag in het Walenbos gebeurde het: een waterralpaartje met jongen op één van
de langzaam stromende beekjes aan het rietveld..
Datzelfde Walenbos herbergt ook een van de weinige houtsnippen in Brabant;
verleden jaar in juni een alarmerend exemplaar boven ons hoofd, dit jaar een
waarneming in broedtijd op een donkere beek.
Voor het voorlaatste geval wippen we even over naar de Middelberg, die nog voor
een deel op de kaart ligt. Hier broedt de nachtzwaluw, het aantal paartjes op
deze kaart is beperkt, tot één of twee. Ik heb opzettelijk drie avonden deze
vogel proberen te vinden; alleen op de Middelberg waren er. Het gerucht deed de
ronde dat hij ook op de Beeninckxberg broedde, maar geen spoor, evenmin in 's
Hertogenheide. Het is me een raadsel waarom er op laatstgenoemde plaats geen
zijn. Ik zie mogelijk op het ontbreken van hoge vliegdennen, ofwel is het mogelijk
dat de nachtzwaluw in losse kolonies broedt.
Tenslotte is er het probleem van de wespendief in het Walenbos. We weten zeker
dat daar vroeger de buizerd gebroed heeft. Midden juni vloog een buizerdachtige
vogel over een open plaats in het Walenbos, ik noteerde buizerd. De dag nadien
weer een waarneming van dergelijke vogel aan het rietveld, maar hij leek niet
zwaar genoeg voor een buizerd. De volgende dag kreeg ik zekerheid: duidelijke
waarneming op dezelfde plaats van een wespendief.
Ondertussen was de scherpe roep waargenomen door Hugo en Herman Stieperaere
(conservator bij de B.N.V.R.). Toen deze trouwens voor het eerst in het Walenbos
kwam, merkte hij op: "dit is een typisch biotoop voor de wespendief". Vorig
jaar meende Hugo trouwens al de roep gehoord te hebben. De onzekerheid bleef
echter. Bij een vierde bezoek heb ik de roep ook gehoord. Tenslotte had ik in
september het geluk de twee boswachters aan te treffen. Beiden hebben trouwens
het nest weten staan in een eik enkele jaren terug. De ene beweerde drie jaar
geleden, de andere meende dat het langer geleden was. Een ervan heeft trouwens
een wespennest zien leeghalen in de zomer in een nabije weide.
We zijn nu zeker:
de wespendief broedt al jaren in het Walenbos.
Welke probleemvogels blijven er?
Volgend jaar ga ik proberen om van volgende vogels het broedbewijs te leveren:
goudvink, distelvink
en appelvink. Ik zeg wel proberen, want ondanks veel geruchten ben ik er niet
van overtuigd dat ze hier broeden. Soms kom je wel eens iemand tegen die één
van de drie ooit eens heeft weten broeden. Gewoonlijk gaat het om één
afzonderlijk geval in één jaar en dan kunnen het ontsnapte kooivogels zijn.
Een probleem ook met de braamsluiper het is toch wel sprekend dat ik dit jaar
deze vogel niet gezien, of horen zingen heb; zo een opmerkelijke zang moet toch
opvallen. Ik wacht nog op het ogenblik dat iemand kan zeggen: "kijk, daar is
het nest van de braamsluiper'".
We vermoeden ook dat ergens in ons Hageland de sperwer en de boomvalk zouden
broeden; de laatste heb ik waargenomen tijdens de maand juli. In het Mostingbos
vond ik een opgegeten bosduif, kan op een sperwer wijzen. Deze hebben we in het
broedseizoen waargenomen in Vertrijk.
Slotwoord
Ik hoop dat al het voorgaande de lezer wat bijgebracht heeft over het enige
Hageland. Veel natuur is er niet meer over, maar laten we er ons voor inspannen
om dat weinige te behouden en waar het mogelijk is te herstellen.
WERKGROEP NATUURSTUDIE
A. ROELANTS
|