Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1976,
nummer
  5
"
Het Hageland, geologie - bodem - plantengroei - vogels"

(Vervolg en slot)

Stafkaart Aarschot en onze gevederde vrienden

Ook op ornithologisch gebied is dit de interessantste kaart van het Hageland en er zaten eindelijk een paar verrassingen in.
Voor de veel voorkomende soorten geef. ik gewoon de aantallen, anders vervallen we in herhalingen.

1. Zeer talrijke vogels (boven 500 paar)

We volgen de volgorde van de invulkaarten: houtduif, tortelduif, veldleeuwerik, winterkoning, heggemus, zanglijster, merel, roodborst, zwartkop, tuinfluiter, grasmus, fitis, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, groenling, kneu, vink, huismus, ringmus, spreeuw, fazant.
De meeste van deze vogels voelen zich zowat overal thuis als er maar wat vegetatie is (de leeuwerik uitgezonderd, maar voor hem zijn er altijd wel velden genoeg), voor sommige kan men zelfs geen speciaal biotoop meer aanduiden.

2. Broedparen tussen 26 en 125

Patrijs:

hun aantal is in verhouding klein, wegens het minder voorkonen van uitgestrekte velden.

Waterhoen:

vrij talrijk door de brede, moerassige valleien en de vele vijvertjes van weekendverblijven.

Turkse tortel:

in de omgeving van kastelen overal te vinden.

Gierzwaluw:

alleen in Aarschot

Huiszwaluw:

zoals andere stafkaarten; kleine kolonies.

Oeverzwaluw:

hiervan twee kolonies: een op de Middelberg aan de spoorweg met een 50 paar; één in de afgraving van een nieuw huis te Aarschot, deze kolonie zal volgend jaar niet meer bestaan, een 30 paar.

Boompieper:

zekere vogel in de nabijheid van bosjes en bosranden,

Graspieper:

vooral in drogere weiden en braakgronden.

Witte kwik:

vrij verspreid.

Gele kwik:

komt voor in het zuidelijk deel van de kaart, vooral in de velden tussen Lubbeek en de weg Holsbeek - St.Pieters-Rode.

Grote luster:

is overal, maar nooit talrijk.

Nachtegaal:

in de vochtige bossen, ontbreekt op de diestiaanheuvels.

Bosrietzanger:

 talrijk in de brede Wingevallei met ruige moerasplanten.

Spotvogel:

in de nabijheid van kleine bossen steeds aanwezig.

Staartmees:

moet in het voorseizoen opgespoord worden; niet talrijk, maar toch overal voorkomend.

Grauwe gors:

vogel van leemstreken, ontbreekt in zandgebieden; daarom was het belangrijk na te gaan tot waar zijn verspreidingsgebied kwam; ik heb het precies gevonden: ten zuiden van de lijn (=-steenweg) Holsbeek, Kortrijk-Dutsel, St.Pieters-Rode, kasteel van Horst, Baronsheide en Houwaartse berg is hij nog vrij talrijk; ten noorden ontbreekt hij volledig.

Geelgors:

geregeld voorkomend.

Kauw:

kleine kolonies in de kastelen.

Ekster:

is veel talrijker in de streek van de Zuiderkempen, vooral in de dennenbossen; vrij schaars in Zuid-Hageland.

Gaai:

ontbreekt nergens, talrijk voor een vogel van zijn grootte.


3. Tussen 5 en 25 paar

Wilde eend:

had ik talrijker verwacht, maar uitgestrekte vijvers ontbreken•,of zijn propere visvijvers; bovendien zijn Demer en bijrivieren te vervuild; heeft wel gebroed in het Walenbos en Vorsdoonkbroek

Kievit

3 kolonies:
a) Demervallei in het gehucht Zallaken, ongeveer 5 paar
b) Veld omringd door bossen'te Dutsel, ongeveer 10 paar
c) Luttelkolen te Houwaart, ondanks het feit dat de nieuwe weg Aarschot-Winge er dwars doorheen gaat, waarschijnlijk 3 paar.
In het ganse Hageland broeden maar een 40 paar.

Holenduif:

schaars nabij oude bomen en parken

Koekoek:

weinig talrijk, vooral in de valleien aanwezig.

Steenuil:

onze talrijkste uil, lijkt iets talrijker in de zandstreek.

Groene specht:

nooit talrijk, maar in elk groot bos aanwezig.

Grote bonte:

ongeveer even talrijk.

Roodborsttapuit:

toestand zoals in de rest van het Hggeland; een zeldzame vogel, wat meer in het zandgebied; voor het ganse Hageland een 30 paar.

Zwarte roodstaart:

iets talrijker dan de vorige vogel.

Grauwe vliegenvanger:

leek me dit jaar minder talrijk.

Natkop

bevestiging van wat ik al een paar jaar heb vastgesteld: weinig algemeen; moet vochtige bossen hebben, komt vreemd genoeg ook voor op de Diestiaanheuvels. Talrijk in de winter, dus veel wintergasten die verkeerdelijk voor broedvogels aangezien worden.

Rietgors:

schaars in de ruige moerasbegroeiingen, had ik: talrijker verwacht.

Wielewaal:

geen verschil met andere kaarten, aanwezig in grote loofbossen.

Kraai:

woont vooral in brede en natte valleien, talrijker dan op andere kaarten.


4. Tussen 1 en 5 paar

Dit zijn natuurlijk de belangrijkste gevallen. Zoals gewoonlijk vallen hier de meeste uilensoorten onder. De bosuil komt voor in uitgestrekte bossen; er kunnen wel meer dan 5 paar zijn, maar wie kan dat op één seizoen uitmaken? Voor de kerkuil is de toestand net dezelfde. Van de ransuil heb ik dit keer een nest gevonden; het lag in een vlierstruik op een hoogte van 3 meter in een oud nest. Vrij onverwacht vloog de broedende uil weg toen ik voor de tweede maal onder de struik passeerde; was hij blijven zitten dan had ik hem nooit opgemerkt. Het kleine bos ligt in de omgeving van Zallaken. Ook van deze vogel kunnen er wel meer dan 5 paar zijn.
Dan heb je de torenvalk die volgens mij zeker vooruitgaat; ik weet dat er één gebroed heeft in de toren van het kasteel van Horst; er moeten ook een vijftal paar per stafkaart broeden. Met de kleine bonte specht sta ik ieder jaar voor hetzelfde verschijnsel: waarnemingen in de broedtijd maar geen echt bewijs; toch twijfel ik er niet aan dat er wel enkele paren broeden.
De ijsvogel wordt geregeld gezien in de omgeving van de blauwe molen; als er 5 paar per kaart zijn is dat veel. De grote gele kwik zit in het Hageland aan de rand van zijn broedgebied; aan de Blauwe Molen is er geregeld één te zien; waar watervallen zijn ontbreekt hij niet. Dan heb je de boomkruiper, een vogel gebonden aan oude eikenbossen, die heel moeilijk op te sporen is, maar 's winters veel meer kan gezien worden. Mogelijk zijn er ook meer paren dan ik opgeef, maar men heeft gezegd dat bij twijfel een lagere klasse moest opgegeven worden.

Elk jaar ook een probleem met de fluiter: ik twijfel er niet aan dat deze vogel in het Hageland broedt, maar er zijn er zeer weinig, dit jaar één zingend exemplaar op de noordzijde van de Wijngaardberg. Deze vogel stelt werkelijk veel eisen aan zijn biotoop. Langsheen de Ninglinspo in de Ardennen heb ik eens 10 zangposten geteld over een viertal kilometer. Deze streek leek veel op de noordkant van de Wijngaardberg: vochtig, hoge beuken, met enkele berken als ondergroei en zeker geen te dicht biotoop, de zon moet bij plekken de bodem kunnen verlichten; ook bosbessen groeien er steeds op de bodem. Dergelijke biotopen komen weinig voor.
Dan is er het goudhaantje, dat behoefte heeft aan hoge sparren, zangposten in het Mostingbos in een deel met uitsluitend hoge kerstsparren; in die grootte zijn ze in het Hageland zeer zeldzaam; één zangpost ook in Meetshovenbos, ook daar overwegend naaldbomen.
Nog een probleemvogel: de sprinkhaanrietzanger; ik heb nog geen positief bewijs gevonden, maar de waarnemingen van zangposten in volle broedseizoen zijn zo talrijk geworden dat het niet anders kan of hij moet hier broeden. Ik had 2 zangposten in de Wingevallei.
Eén van de grootste voldoeningen die je als ornitholoog kunt beleven is het eindelijk bewijs van de aanwezigheid van een zeldzame vogel, als alle twijfel eindelijk wegvalt. Daarom zal ik 20 juni nooit meer vergeten.
Die namiddag in het Walenbos gebeurde het: een waterralpaartje met jongen op één van de langzaam stromende beekjes aan het rietveld..
Datzelfde Walenbos herbergt ook een van de weinige houtsnippen in Brabant; verleden jaar in juni een alarmerend exemplaar boven ons hoofd, dit jaar een waarneming in broedtijd op een donkere beek.
Voor het voorlaatste geval wippen we even over naar de Middelberg, die nog voor een deel op de kaart ligt. Hier broedt de nachtzwaluw, het aantal paartjes op deze kaart is beperkt, tot één of twee. Ik heb opzettelijk drie avonden deze vogel proberen te vinden; alleen op de Middelberg waren er. Het gerucht deed de ronde dat hij ook op de Beeninckxberg broedde, maar geen spoor, evenmin in 's Hertogenheide. Het is me een raadsel waarom er op laatstgenoemde plaats geen zijn. Ik zie mogelijk op het ontbreken van hoge vliegdennen, ofwel is het mogelijk dat de nachtzwaluw in losse kolonies broedt.
Tenslotte is er het probleem van de wespendief in het Walenbos. We weten zeker dat daar vroeger de buizerd gebroed heeft. Midden juni vloog een buizerdachtige vogel over een open plaats in het Walenbos, ik noteerde buizerd. De dag nadien weer een waarneming van dergelijke vogel aan het rietveld, maar hij leek niet zwaar genoeg voor een buizerd. De volgende dag kreeg ik zekerheid: duidelijke waarneming op dezelfde plaats van een wespendief.
Ondertussen was de scherpe roep waargenomen door Hugo en Herman Stieperaere (conservator bij de B.N.V.R.). Toen deze trouwens voor het eerst in het Walenbos kwam, merkte hij op: "dit is een typisch biotoop voor de wespendief". Vorig jaar meende Hugo trouwens al de roep gehoord te hebben. De onzekerheid bleef echter. Bij een vierde bezoek heb ik de roep ook gehoord. Tenslotte had ik in september het geluk de twee boswachters aan te treffen. Beiden hebben trouwens het nest weten staan in een eik enkele jaren terug. De ene beweerde drie jaar geleden, de andere meende dat het langer geleden was. Een ervan heeft trouwens een wespennest zien leeghalen in de zomer in een nabije weide.
We zijn nu zeker: de wespendief broedt al jaren in het Walenbos.

Welke probleemvogels blijven er?

Volgend jaar ga ik proberen om van volgende vogels het broedbewijs te leveren: goudvink, distelvink en appelvink. Ik zeg wel proberen, want ondanks veel geruchten ben ik er niet van overtuigd dat ze hier broeden. Soms kom je wel eens iemand tegen die één van de drie ooit eens heeft weten broeden. Gewoonlijk gaat het om één afzonderlijk geval in één jaar en dan kunnen het ontsnapte kooivogels zijn.
Een probleem ook met de braamsluiper het is toch wel sprekend dat ik dit jaar deze vogel niet gezien, of horen zingen heb; zo een opmerkelijke zang moet toch opvallen. Ik wacht nog op het ogenblik dat iemand kan zeggen: "kijk, daar is het nest van de braamsluiper'".
We vermoeden ook dat ergens in ons Hageland de sperwer en de boomvalk zouden broeden; de laatste heb ik waargenomen tijdens de maand juli. In het Mostingbos vond ik een opgegeten bosduif, kan op een sperwer wijzen. Deze hebben we in het broedseizoen waargenomen in Vertrijk.

Slotwoord

Ik hoop dat al het voorgaande de lezer wat bijgebracht heeft over het enige Hageland. Veel natuur is er niet meer over, maar laten we er ons voor inspannen om dat weinige te behouden en waar het mogelijk is te herstellen.
 

WERKGROEP NATUURSTUDIE

A. ROELANTS

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany