INLEIDING.
De dood is een onderwerp dat de mens in alle eeuwen sterk
heeft beziggehouden, omdat iedereen er ook dikwijls mee in aanraking kwam.
Vroeger werden er meestal filosofische,
theologische en later sociologische studies over geschreven. Deze handelden
vooral over vreemde culturenvolkeren. Sedert enkele jaren wijdt eveneens de
psychologie aandacht aan de belevingen rond het sterven.
Omdat het duidelijk wordt dat deze levensfase, als
menselijke ervaring nog niet de aandacht kreeg die zij verdient kozen wij dit
onderwerp voor studie. Het is alsof de gemeenschap zich automatisch sluit voor
"mee"-leven op het ogenblik dat de dood in het zicht komt. De mens, die in al
zijn levensfasen omringd werd door anderen sterft meestal nog zijn
dood alleen. Misschien kunnen wij hierna aantonen dat ook die levensperiode geen
volledige eenzaamheid moet betekenen, noch voor de stervende, noch voor de
nabestaanden.
Een reden meer voor onze keuze, vinden wij in onze
studenten, waarvan er velen, tijdens hun stageperiode met bejaarden,
zwaarzieken of familieleden in contact komen. Zij ervaren hierbij regelmatig
moeilijkheden met een gewenste aanpak of zelfs houding. Langs deze weg hopen wij
hen eveneens enige hulp te kunnen aanbieden.
Wij zochten eerst naar de oudst bekende informatie.
Zo kwamen we tot de bedenking dat heel wat gebruiken tot nu
overgeërfd werden en dat vele gedragingen gegroeid zijn uit het veranderende
levenspatroon, mensbeeld en de milieubeïnvloeding.
Op deze basis vonden we tevens een onderscheid tussen de
Verenigde Staten en West Europa.
Uiteindelijk wilden wij de menselijke belevenissen rond het
sterven (zowel van de stervende als van de nabestaande) proberen in te vullen
en de noden hieromtrent belichten.
A. HISTORISCHE FRAGMENTEN
I DE DOODSBELEVING IN DE VERSCHILLENDE CULTUREN.
In elke cultuur, hoe primitief ook, werd er
aandacht besteed aan de dodenbezorging.
De primitieve mens bezat meer de mogelijkheid om mensen te
zien sterven, doch hij kwam niet tot het besluit van het onvermijdelijke van
de dood. Voor hem was de mens niet bestemd om te sterven. Dit gebeurde alleen
als resultaat van een daad of slechte invloed van de vijand (menselijk of
geestelijk). Vandaar zijn reacties: woede en vrees.
- woede omdat de afgestorvene de maatschappij
aantastte in het geloof in zichzelf (met als gevolg, de idee van de
zielsverhuizing), en de illusie van de onsterfelijkheid ontnam.
- vrees omdat de dode in minder gunstige levensvoorwaarden vertoefde en jaloers kom worden. Zij stelden hem dus tevreden en
verjoegen de geest.
Door de droom, spiegelbeelden, schaduwen en echogeluiden
ontstond de dualistische voorstelling van de mens.
Naarmate de ontwikkeling vorderde, ging de vrees over in
verering, maar de vorm groeide gewoon uit de ritus van de vrees voort.
De Australische volkeren, een weinig gevorderd
cultuurvolk, droegen hun doden ambivalente gevoelens toe: genegenheid en
afkeer.
Al was het een trekkersvolk, toch besteedden zij enige
zorg aan de dodenbezorging: alle vormen zijn er terug te vinden: begraven,
verbranden, blootstellen aan de lucht, mummificeren, kannibalisme (om zich
zijn kracht toe te eigenen). De dode krijgt er steeds voedsel mee om maar
niet terug te keren.
Bij de Arctische volkeren heerste er een echte dodenvrees.
Alles wat met de dode in aanraking komt, mag niet meer gebruikt worden. Ook de
stervenden moeten uit het huis verwijderd worden. Met het lijk maken zij een
kleine wandeling om de geest het spoor bijster te maken.
In Centraal, Oost en Zuid Azië is de idee van
zielsverhuizing levendig. De Mongolen en Tibetanen gooien de lijken voor de
honden, omdat de grond te hard en het hout te kostbaar is voor begraving, maar
niettemin wordt er lang gerouwd.
II IDEEEN EN MENSELIJKE GEDRAGINGEN, VOORAL
IN ONZE STREKEN.
In het oude testament ontmoet men de angst voor
de dood en de idee van het overleven van de ziel. De schuld van de
sterfelijkheid van de mens wordt aan god toegeschreven, hij belette de mens van
de levensboom te eten.
Het nieuwe testament predikt de overwinning van
de dood. Paulus, die in Rome werkte, waar in die tijd uit angst pillen verkocht werden
om niet te moeten sterven, verklaarde dat én de ziel én lichaam zouden opstaan.
In Nederland en de landen langs de kusten tot
Noorwegen werden veel Hunebedden blootgelegd. Deze dateren van ongeveer 2.000
jaar voor Christus. Het is een` bewijs dat er toen ook een soort sociale organisatie
rond de dood bestond. De uitgesleten deuropeningen herinneren aan een
voortdurende dodendienst.
De dode werd beschouwd als levend, maar in veel
slechtere levensomstandigheden. Opdat hij niet afgunstig zou worden moest men
hem helpen en goedgezind stemmen.
Tussen het stenen en het bronzen tijdperk
werden de lijken verbrand en begraven onder een menhir. Van die periode getuigen
de talrijke urnevelden.
De Germanen verbrandden eveneens hun doden.
In de 8ste eeuw werd voor het eerst een kist
gebruikt; er werden uitgeholde dodenbomen teruggevonden.
Buiten deze uitzonderingen, gebruikte men meestal doeken, matten.
Tijdens de middeleeuwen leefden de mensen
voortdurend onder de bedreiging van de dood; niet alleen fysisch door pest en
oorlogen, doch eveneens wegens de toen heersende opvattingen; de kerk schrikte
het volk af van de dood door de bedreiging vet de eeuwige hel; overal werden
geraamten geschilderd langs de straat; uit die periode stammen de ontelbare
afbeeldingen van de dodendans. In de kerk begon de zwendel van aflatenverkoop.
De kerk eiste een deel van iedere erfenis op. Hier vinden talrijke nu nog te
herkennen gebruiken, die de angst voor de dood weerspiegelen hun oorsprong.
Sterven, begraven en rouwen kan niet in
de privé-sfeer: de buren, de leden van de gilden of de cellebroers stonden in
voor de begrafenis en de gebeden voor de ziel.
De Renaissance wilde schoon schip maken met deze mentaliteit
en riep de ontkenning van ieder nabestaan uit. Dit ontlastte blijkbaar velen van
de angst voor het oordeel na de dood.
Tegelijkertijd trachtten Luther en de gereformeerde kerk de
misbruiken uit de kerk te verdrijven. Dit is en echter niet volledig gelukt.
Integendeel, de begrafenissen werden in de 17de, 18de en 19de eeuw ondanks
verzet, steeds plechtiger, met meer praal en steeds duurder,
Er werden bidsters betaald, aansprekers dit de droeve
tijding ronddroegen; de kloosters kregen giften om voor de overledene te bidden.
De rouwkleding die steeds kostbaarder werd, moest door de rouwende familie voor
het hele gevolg van de lijkbaar gehuurd worden. Na de begrafenis werden er rijke
maaltijden aangeboden, die meestal op uitspattingen eindigden. In de loop van de
tijd heeft ook de kerkelijke overheid naast de openbare macht hierop herhaalde
malen moeten reageren.
Anderzijds stelde men vast dat de
kerkhoven niet werden geëerbiedigd: geschenken in de graven werden gestolen, de
markt werd op het kerkhof gehouden, groot en klein hield er zijn spelen, de
was werd er gedroogd...
Maar de begrafenis bleef toch nog een
sociale plicht, kennissen en buren hielpen aarde op de kist brengen. De armen
werden nadien ook bedacht met een maaltijd.
III GEBRUIKEN DIE HUN OORSPRONG VINDEN IN OUDE
RITUELEN.
In de middeleeuwen werd er gedanst en lawaai
gemaakt in de woning van de dode, om de geesten te verwijderen.
Dit is vervangen door de christelijke liederen
in de kerk.
Kaarsen werden met honderden aangestoken,
eveneens om de kwade geesten af te weren. Deze bleven behouden in de christelijk
liturgie.
De luiken moesten gesloten worden opdat de ziel
van de afgestorvene niet terug zou kunnen komen. Ook nu nog sluit de rouwende familie
zich af van de gemeenschap. De dichtsbije familie kleedde zich na 1500 in het
zwart bij een begrafenis, omdat zij vooral de moeilijkheden met de dode te vrezen hadden en op deze wijze
kon de ziel hen niet herkennen. Thans heeft de rouwkleding slechts betekenis als
teken voor de gemeenschap van rouw in de familie.
Het lawaai en het luiden van de klokken moest de demonen
afweren. Ook nu nog luiden de klokken; het heidens gebruik werd door de kerk
overgenomen in een andere betekenis: het verwittigde de gemeenschap
dat iemand stierf en dat dit het lot van iedereen is. Naargelang de standing
en geslacht werd er geluid met verschillende klokken.
De nachtwake die nogal eens zeer luidruchtig werd, is
vervangen door de rozenkrans.
Grote feesten werden de gebruikelijke broodjes met koffie.
B. VERGELIJKING VAN HET DOODSGEBEUREN IN DE VERENIGDE
STATEN EN WEST-EUROPA
I IN DE VERENIGDE STATEN.
Onderzoekingen hebben uitgewezen dat in 1950, in de VS. meer
geld werd uitgegeven voor begrafenissen dan voor ziekenhuizen en sana's samen.
In de VS heerst de idee dat de dood moet gecamoufleerd
worden. Het leven wordt sterk gewaardeerd en bij een begrafenis moet de illusie
van leven bewaard blijven, de begrafenisplechtigheid is een sociale gebeurtenis
waarbij de overledene als eregast in het middelpunt van de belangstelling staat.
De dood heeft de seksualiteit afgelost als object van
preutsheid, zegt de Engelse etnoloog Gorer.
Alles om de dood wordt in de commerciële sfeer getrokken,
de begrafenisondernemers noemen zich de specialisten in de smarttherapie. Heel
hun verkoopmethode is erop afgestemd om bij de familieleden geld los te maken door
te weten te komen hoe hoog de verzekeringspremie ligt, zo stellen zij zich echter
ook veilig tegen de mogelijkheid van niet kunnen betalen.
Het onderzoek van Midford bracht aan het licht dat zij
bestaande wetten vals interpreteren om de nabestaanden te overtuigen dat
balsemen nodig is: zij spelen op gevoelens van menselijk opzicht en beloven
"diensten", waaronder zij dan verstaan het uitzoeken hoeveel verzekering
ontvangen werd, hun eigen boekhouding en het delven van een graf, waarvoor zij
niet moeten instaan. Het lijk wordt gebalsemd, geschminkt en volledig nieuw
gekleed in de firma van de begrafenisondernemer. Het moet net lijken alsof er
een levende ligt te slapen.
De toonzaal van kisten is een showroom waarin aangename
muziek klinkt. De kisten gaan automatisch open en dicht en zijn' gevuld met
aantrekkelijke poppen,
De familie kan kiezen in verschillende stijlen:
futuristisch, patriottisch ...
De bloemenwinkels hebben contracten met kranten. Zinnetjes
als "bloemen noch kransen" in overlijdensberichten worden vergeten bij
bet drukken. De bestelde bloemen zijn nooit fris: de bedroefde
familie merkt het toch niet.
Op het kerkhof kan men grafkelders reserveren met zicht op
het park.
De firma beroemt er zich eveneens op de familie te helpen
hun smart te overwinnen. Wanneer hun handelwijze onderzocht werd vond men
slechts handig uitgebuite pogingen om de mens te helpen de gedachte aan de
dood te verdringen.
II IN WEST EUROPA.
De studie die wij volgen is vooral gericht op Nederland.
Doch voorbeelden van hier tonen ongeveer eenzelfde houding.
In deze streken is de dodencultuur gericht op versobering.
De kerk richt bijvoorbeeld nog een enkel soort rouwdienst in voor rijk en arm.
De rouw heeft thans een zeer sterk privé-karakter
gekregen. Het gebeurt herhaaldelijk dat er geen rouwbrieven worden gezonden of
de rouwdienst pas nadien wordt gemeld.
De riten, meestal overgebleven uit de middeleeuwen, stuiten
in ons cultuurpatroon op tegenstand. Zij moesten de geesten beletten terug te
komen, anderen mee te nemen of zich te wreker. op tekort aan rouwbetoon.
Tevens hielpen nabestaanden een andere levensfase aan te
vatten; alleen al het einde van de rouwperiode was een steun om er bovenop te
komen
Deze versobering heeft waarschijnlijk verschillende
oorzaken
- secularisatie: huiver voor de dood was voor de
primitieven reeds voldoende om er een sacraal handelen rond te weven.
De eerste aanval hiertegen in West Europa kwam
van de Reformisten; de tweede van de natuurwetenschappen.
De dood was inherent aan de schepping. Deze
verandering van levensbeschouwelijke achtergronden, waarnaar het ritueel
verwees, bracht ook verandering in de levenshouding mee. Ook voor de gelovige
werd het minder mogelijk om belangrijke godsdienstige voorstellingen te blijven
voeden.
-afnemende belangstelling voor decorum
Decorum nu heeft duidelijk niets te maken met het feitelijk gebeuren zelf. Meestal werd het afgeschaft mis in
de landtaal, geen erestoelen. Ook op andere terreinen is dit merkbaar: ballet
in eenvoudige kleding. De oorzaken hiervan zijn de technische ontwikkeling en de
rationaliteit, waardoor decorum als storend gevoeld wordt.
-gewijzigd sterftepatroon
Verbeteringen op hygiënisch gebied en medische kennis.
hebben een merkelijke verlenging van het leven tot gevolg gehad; 1860: 37 jaar gemiddeld; 1960: 73 jaar
De demografische veranderingen zijn minder dreigend en minder tragisch voor de jongeren: de dood wordt een
attribuut voor de bejaardenrol. Dit is de eerste eeuw die veel minder aandacht
geeft aan de dood.
-Individualisatie
Er bestaat veel minder contact met de omgeving: de
burenplicht is weggevallen. Omwille van het weinig' voorvallen, bestaan er
minder gemeenschappelijke gedragsnormen.
Het gevolg is wel dat de nabestaanden thans met speciale
moeilijkheden kampen, zoals op het einde. zal beschreven worden.
Daarnaast echter is ook hier een tendens van
commercialisering te merken. Doch evenmin als in VS komt de vraag naar praal
vanwege de nabestaanden. Zij zijn helemaal niet gelukkig met het toneel dat rond
hen gespeeld wordt en nog minder met de hoge rekeningen..
Nog maar enkele jaren geleden rees er groot
protest op bij steenhouwers, toen enkele gemeenten besloten gelijkvormige zerken
te bestellen in een groothandel.
Begrafenisondernemers spreken ook hier reeds van " het
toilet" van de dode, wat altijd "het afleggen" genoemd werd.
Nabestaanden kunnen nu eveneens een fotoreportage bestellen, als blijvende
getuigenis van hun rouwbetoon; trouwens bestellen of niet, tijdens het eetmaal
worden de eerste proeven al getoond.
(wordt vervolgd)
M. P. Danhieux