 |
|
 |
 |
| |
|
|
Artikel: Jaargang 1977,
nummer 1
"De gouden sleutel." |
|
Het was een koude, donkere herfstavond en het kwam Tist Obbergen goed van pas
dat hij de lange weg naar het dorp haast blindelings kon gaan.
Van kindsbeen af
had hij hem gevolgd, naar de school, naar de kerk en vaak 's morgens vroeg naar
de catechismusles.
Door de jaren heen had hij geleerd waar hij beter van de weg
afweek, om de plassen of modderige karrensporen te ontwijken.
Deze kennis zou hem
in de toekomst nog meer gelegen komen, nu hij als nieuwbakken raadslid zetelde
in het "consel". Gul en dienstvaardig als Tist van nature was, had de
burgemeester hem op zijn lijst gevraagd en Tist had zoveel stemmen gekregen,
dat men hem zomaar direct schepene wilde maken. Tist had beleefd geweigerd omdat
hij zich eerst terdege in de gemeentezaken wilde inwerken.
Hij liep hierover te
peinzen, de kraag van zijn jas opgezet en zijn klak diep over zijn oren
getrokken.
Links van de weg lag de grote Peerdsweide, die verleden jaar in twee
stukken was gelegd en waarvan hij het grootste deel, dat het dichtst bij zijn
hoeve lag, in huur had kunnen nemen. Hij had er nu zowat twintig stuks vee
lopen, doch de wei was groot genoeg voor het dubbel.
Toen hij ter hoogte van het
canadabosje kwam waar ook zijn wei ophield, hoorde hij eerst zacht, maar allengs
duidelijker, vrolijke kermismuziek. Tist kon zich niet voorstellen dat het
ergens in de buurt kermis zou zijn en dan nog op een donderdagavond. Trouwens,
als jonge boer had hij zulks voorzeker geweten.
Hij haastte zich het bosje
voorbij, in de richting vanwaar de muziek klonk. Met een ruk bleef hij staan en
zijn adem stokte van pure verbazing in zijn keel. In het midden, van de kleine
Peerdsweide stond een enorm grote kermistent, badend in een groenachtig licht.
Deels uit nieuwsgierigheid, doch meer nog als door een magneet aangetrokken,
stapte Tist voorzichtig op de grote tent af, aan de ingang was geen mens te
bekennen en toch was er binnen duidelijk een geroezemoes van stemmen. Waarom
Tist binnenstapte en waar hij de moed ervoor kon opbrengen, heeft hij later
nooit geweten.
Hij stiet de dubbel slagdeur open en voor het eerst in zijn leven
sloeg hem de schrik om het hart, alsof hij werd verwacht, stonden al de
aanwezigen met hun gezicht naar de ingang gekeerd. Een dertigtal opgedirkte
dametjes en evenveel fijn afgeborstelde jonge heren keken hem met nietszeggende
gezichten aan. Nergens was er ook maar enig spoor van een orkest te zien en toch
klonken zachte, meeslepende klanken door de tent, als van een orgel. Het viel Tist
op dat de dametjes allemaal helrode lange kleren droegen, met diepe
halsuitsnijdingen. De heren droegen een smoking en hadden een anjer in het knoopsgat, van dezelfde kleur als de damesjurken.
Plots trad één der mannen op Tist toe en leidde hem naar het midden van de dansvloer.
Tist voelde zich langzaam kalmer worden toen de man
de aanwezigen vriendelijk, doch met een vreemd accent toesprak. Toch kon Tist
zeer goed verstaan dat de spreker hem als gast verwelkomde, dat het bezoek van
een vreemde wel niet gebruikelijk was, doch, dat de grote baas er niets zou op
tegen hebben als ook eens een oningewijde mee zou vieren. Hij stelde aan het
gezelschap voor om de gast eens extra te verwennen.
En zie, plots veranderde het
hele decor. Er stonden zomaar ineens twee lange rijen tafels, met de heerlijkste
gerechten, glinsterende glazen en flessen champagne. Ingewijde leden van de confrerie, sprak de jongeheer luid, onze gast geeft blijk van moed en grote
verwondering, en dat laatste begrijpen wij. De toehoorders lachten gedempt.
Ik
stel voor, vervolgde de spreker, dat wij zijn moed belonen met een beker van
onze beste drank, opdat hij nadien alles zou vergeten wat hij vanavond beleeft.
Er ging een goedkeurend gemompel op en Tist voelde zich mak en willoos worden
onder de doordringende en toch innemende blikken van de spreker.
Deze laatste
deed een langzame beweging van de ene naar de andere hand en toen bemerkte Tist
in de rechterhand van de man een zilverachtig stokje van een dertig centimeter
lang. De man deed met het stokje een neerwaartse beweging en uit de vloer steeg
een tafeltje op met daarop een zilveren keteltje en dito scheplepel en twee
bekers. Uit de terrine borrelde een groenachtige damp omhoog.
Tist stond er
onbegrijpend en onwezenlijk bij te kijken en hij had het gevoel of alles in zijn
hoofd als een dop ronddraaide. Vaag zag hij hoe de man vóór hem de twee
drinkbekers vulde en hem één ervan aanbood.
Willoos nam Tist de beker aan en er
ging een gegons van stemmen op bij de aanwezigen. Plots droeg de jonge man voor
hem geen smoking meer, doch een rood gewaad met zwarte banden afgezet en op zijn
borst prijkte een cirkel met een driehoek erin. Drink, beval hij, op de machten
die ons samenhouden en op de meester van de duisternis.
Even was er een
aarzeling bij Tist, juist lang genoeg om een innerlijke stem te horen die zei:
drink niet, ongelukkige. Het was veeleer een kreunend smeken, die stem.
Toen
flitste het door zijn geest.... dat is mijn engelbewaarder. Maar weer, en nu
krachtiger gebood de man hem: drink. Het scheen Tist of al zijn krachten hem
begaven. Even beefde zijn hand en enkele druppels vielen uit de beker op, zijn
schoen.
Hij voelde een brandende pijn aan zijn rechtervoet en dat bracht hem
even tot de werkelijkheid terug. God...help mij, huilde Tist. Toen scheen het of
de wereld instortte met een oorverdovend lawaai. Het laatste wat Tist nog zag
was de feesttent, die brandend verschrompelde. Toen hij bij het bewustzijn kwam
was het aan 't regenen en voelde hij nog hevige pijnen aan zijn voet.
Hij wilde zijn schoen losmaken maar tot zijn ontzetting stelde hij vast dat een
grote gouden sleutel aan zijn hand was vastgegroeid. Radeloos van angst en
verbijstering zette Tist het op een lopen, naar de enige die hem redding zou
kunnen. brengen; de pastoor.
De trekbel van de pastorie hield het slechts twee
trekken vol en de koord brak. Met horten en stoten vertelde Tist zijn wedervaren
en vertwijfeld smeekte hij om van die zware sleutel te worden verlost, die
onwrikbaar aan zijn hand zat vastgegroeid. De brave pastoor stond als van de
hand Gods geslagen.
Iets dergelijks had hij tijdens zijn veertigjarig
priesterschap nog nooit meegemaakt. Wel besefte hij dadelijk dat hier de mens
volledig machteloos stond. Hij schoot zijn jas aan en in het middernachtelijk
uur trokken beide mannen naar de kerk. In het portaal moest Tist zijn hand met
sleutel en al, in het wijwatervat dompelen, doch er gebeurde niets.
Laat ons
voor het altaar gaan bidden, stelde de pastoor voor. Dat hebben zij dan gedaan
ook, maar uit dankbaarheid, want op het ogenblik dat zij van het portaal de kerk
binnengingen, viel de sleutel kletterend neer op de grote plaveien, waar hij
langzaam in rook opging.
Bij het licht van een kaars zagen zij nadien dat de vorm van de
sleutel bijna een centimeter diep in de
plaveien was ingebrand. Lange tijd heeft Tist zich afgevraagd. wat er zou
gebeurd zijn als hij van die duivelsbeker zou hebben gedronken.
Later heeft hij
met ontzetting vastgesteld hoe, op de plaats waar de heksentent had gestaan,
zelfs geen onkruid meer wilde groeien. Als naderhand de wei dan werd gescheurd,
kwam een baksteenkleurige, harde aarde aan de oppervlakte, die lange tijd
onvruchtbaar bleef, tot zij allengs met de goede grond werd vermengd.
Zolang hij
leefde heeft Tist telkens gehuiverd als hij langs de Peerdsweide liep en
terugdacht aan de verschrikkelijkste nacht die hij ooit heeft beleefd
DBM
|
|
terug
naar artikels |
|
 |
|
 |
 |
|