|
INLEIDING
Wie al eens
sprookjes gelezen heeft, weet
dat dieren kunnen spreken en dat
alleen brave kinderen die taal verstaan Hiermede zal het u al duidelijk worden
dat ik in mijn prille jeugd - die nu ver onder " de nevel des tijds " begraven
ligt een braaf ventje was. Ik zeg dat niet om te snoeven of om anderen de loef
af te steken, ik weet niet eens wat een loef is. Dat ik niet lang
in staat van gratie bleef doet hier
niets ter zake.
Ik ...Wij, want
Piet was er ook bij, wisten dat Uilen grote geleerdheid
bezaten, meer nog dat ze diepdenkende filosofen waren die alles, al dan niet
bestaande, haarfijn konden uitleggen. Wij wisten ook dat Professor
Rattenvangers in de klokkentoren een flat bewoonde en besloten hem te gaan
opzoeken om een en ander over ons dorp te leren. Spijtig genoeg sprak die
professor alleen maar uils, dat moeilijk te vertalen is; ik kon er mij van
afmaken met de slagzin "pour les Flamins la mème chose" maar dan was mijn
verhaal uit eer het begon. Gelukkig heb ik een paar vergeelde papiertjes
teruggevonden waarop ik toen aantekeningen maakte en een schets die ik later
"in 't schoon" tekende en hierbij voeg om alles duidelijker te maken.
Ondanks of
omwille van het verbod, dat alles zoveel aantrekkelijker maakt - zie hierin
geen tegenspraak met bovenstaande, want die drang is algemeen, overal en van
alle tijden.- Wij bestegen dus de dikbestofte en halfvermolmde trap van de
kerktoren. Onze verschijning wekte aanvankelijk enige beroering maar de
Uilin, die zoals bleek de naam droeg van "Gevederde poes" had snel geraden
dat wij met goede bedoelingen kwamen, al hield ze een beschermende vleugel
over haar zoontje "Kleine zwever". Terwijl ze haar man tot bedaren bracht.
Bescheiden en gastvrij zoals uilen nu eenmaal zijn, nodigde ze ons uit om op
een zware balk plaats te nemen, zich verontschuldigend dat zij, arme
dompers, hun twee onverwachte gasten niets konden aanbieden. Wij griezelden
bij de gedachte aan rauwe muizenpatee of een van die afschuwelijke soorten
thee, waar onze apotheker over schrijft. Maar die uilen hadden immers geen
kopjes om hem op te dienen. Gerustgesteld begonnen wij vragen te stellen. De
professor,onder vrienden alleen maar de Prof of de Grote genoemd, was door
onze waardering ten zeerste gevleid.- Hij begon zijn verhaal met
bijzonderheden over zijn eigen stamboom, wat ons verwonderde maar tevens
sterk boeide. Hij sprak langzaam met ietwat hese stem. Ziehier wat hij vertelde.
DEEL I
Wij stammen uit
een oud geslacht en worden allen heel oud. Bij de Grieken stonden wij in groot
aanzien, daar één mijner,
voorvaderen de
stad Athene gesticht bad (mythologie). Daarom gaven ze ons de naam van:
"Athena-Noctua" en
sierden hun helmen met een
uilenmasker. Maar toen de Romeinse vechtjassen daar aankwamen, was mijn
overgrootvader, samen met andere avontuurlijke jongelui, zo onbezonnen zich
bij hen aan te sluiten. "De domme ui...-poeh, hoeh": riep Gevederde Boes, zo
spreekt men over eigen familie niet.
Nu goed, zegde de Prof, moedig was
overgrootvader wel en toen hij te kennen gaf dat hij mede de Alpen over wilde,
was Cesar zo verwonderd dat hij uitriep "tu quoque, fili mi?" waarop overopa
vastberaden antwoordde: "alea, jacta est" wat Julius later deed schrijven dat
wij de dappersten aller Galliërs waren. Maar voor mij blijft het fout en het is
sindsdien dat men zegt: "Tot wat dienen kaars en bril als de uil niet zien en
wil." Hoe dan ook, het was overopa die vertelde hoe het hier te dien tijde
gesteld was. "Is dat dan de geschiedenis van ons dorp?" vroeg Piet, "Zo zoudt
ge't kunnen noemen", antwoordde de Grote, maar dan van de uilenkant bekeken,"
"Bravo", riep ik" dan kan ik aan Velpeleven fabeltjes vertellen, daar zijn ze
verlekkerd op" maar opeens stotterde ik want ik loog. Die bende bestond immers
nog niet.
De Prof was door die onderbreking enigszins geprikkeld en zei: "Weet
wel jongeman, dat uilen geen fabeltjes vertellen en nooit liegen." Dan vervolgde
hij: "In uw geschiedenisboeken staat geschreven dat hier de oude Belgen woonden.
Dat heb ik nooit goed begrepen, want waar waren dan de jonge, die moesten er
toch ook zijn? Ik weet wel dat veel later een minister tegen de koning
zei:"Sire, er zijn geen Belgen." Nu wel of niet, we zaten hier aan de rand van
het grote kolenwoud. Zo wat op de grens tussen Nerviërs en Taxandriërs in.
Wanneer die lieden samen kwamen om iets te versjacheren of zich wederzijds de
schedel in te slaan, volgden ze de paden die sinds eeuwen door zwervende jagers
door de wildernis gebaand waren. Als enig herkenningspunt hadden dezen de
rivieren waar ze langs liepen. Doch de dalen waren veelal moerassen (
Brabant=drassig land ). Ze kozen dus de evenwijdig lopende heuvels, soms langs
beide oevers of staken bij waadplaatsen de waterlopen over omdat de andere zijde
beter geschikt was. Die wegen werden straten toen de bevolking toenam en langs
de waters grote nederzettingen ontstonden. Bijna alle op een dagmars of +/- 20 km
van elkaar.
Zo was hier de eerste baan de huidige Dorpsstraat, in het westen
verlengd langs Neervelp tot Waver en in het oosten, met een brede bocht rond de
oude vijvers, over Butsel, Kerkom verder naar Diest. Naarmate de streek beter
bekend geraakte, kwamen er ook verbindingen tussen de waterlopen. Van Leuven
naar
Tienen - Dijle - Gete en van hier naar Aarschot, Velpe - Demer. Toen overopa hier kwam legden
de Romeinen grotere wegen aan, heirbanen genoemd, zowat de snelwegen van die
tijd. Maar die lagen hier ver uit de buurt en waren weinig talrijk. Overopa
was toen al zeer oud, hij
stierf in de tijd dat in Reims Clovis verbrandde wat hij aanbeden had, en die
fiere Sicamber deed het zo grondig dat eeuwen later Hendrik IV nog geen kip
kon vinden om zijn zondagse waterzooi te koken.
Grootvader heb ik nog even
gekend want die stierf rond 1600 en heeft Bruegel nog gekend. - U zult al
gemerkt hebben dat ik altijd rond of ongeveer zeg, maar getallen hebben de
uilen nooit goed kunnen onthouden.
Opa zag hoe de
streek hier stilaan veranderde. Hoe door de ontwikkeling van de handel de dwarsbaan Leuven - Tienen nu een deel werd van de grote handelsweg die van in
Brugge door het achterland tot Keulen liep,
Het kruis- en knooppunt van die
wegen lag op een hoogte juist halfweg Leuven Tienen en waar een oude kromme
herent de aandacht trok. Jullie moeten weten dat een herent, die men tot haring
vervormde, een pagebeuk was. De tak naar Waver die door Bost liep, dat in ons
jachtgebied lag en rijke buit opleverde, noemden wij de Paddenstraat en een
splitsing naar Bierbeek werd de mierenstraat.
Ik heb gehoord dat:een geschiedschrijver de naam van Cromme Herent toeschrijft aan een kromming van de weg die
daar door een beukenbos liep. Maar van dat bos is niets bekend en opa kon het
weten want hij huisde daar in een holle boom. Het was midden in de Heide die
zich uitstrekte van de Hâa van Lubbeek over d'aai van Boatsem tot de aâ van Burrebeek. Die kromming bestond niet of liever, de wegen waren zo kronkelig dat
men daar geen aandacht aan schonk. Ze liepen immers om al de hindernissen heen.
En hier zou men die juist gaan opzoeken door ongeveer 75 meters ver een heuvel
te beklimmen en er dan dadelijk weer af te dalen.
In oude documenten spreekt men
steeds van "De Cromme Herent", dus duidelijk van één exemplaar en
nooit van een bos. Bomen leenden op vele plaatsen hun naam aan de omgeving, zo
bvb de dikke linde, het koppel eiken, de zwarte den, de oude tronk enz. Oh, riep
Piet, die laatste weet ik staan, een oude gebarsten eik dicht bij Butselbos. Is
het daar dat de druïden samenkwamen? Zo oud zal die wel niet zijn, antwoordde de
Prof, die verder praatte over die kromming. Ze bestond eenvoudig niet.
De oude
baan liep recht van wat nu de Latstraat is tot aan de Eksestraat wat gemakkelijk
te zien is aan de rooilijn achter het paar huizen die daar staan, maar nu
gedeeltelijk verdwenen is. Ja, zei ik, maar nu is die kromming er toch. Goed,
antwoordde de Prof, maar die is er later gekomen en ik zal u uitleggen hoe.
Bovenop die heuvel werd een gasthuis, t'is te zeggen een afspanning gebouwd.
De reizigers konden
er even uitrusten en een hapje eten, terwijl zij die van verre kwamen er de
nacht konden doorbrengen. De juiste plaats moet ge mij niet vragen want wij
zwevers glijden over het landschap heen en tellen geen voetstappen. Maar die
eigendom strekte zich uit langs de Aarschotse baan van aan de
Crommen Herent tot
tegen de Wezenberg. Later werd die grond in twee gesneden door de Grote steenweg
en verkaveld, alleen het zuidelijke deel draagt nog de naam van Gasthuisveld.
Jullie die,door het zonnelicht kunnen kijken kunnen het van hier gemakkelijk
zien, daar. De Grote zei niet in het noordwesten, maar hield er aan. zoals alle
professoren, zich op de juiste manier uit te drukken en liefst in formules, hij
zei dus N-NW. Welnu, zij die van Leuven kwamen waren verplicht de heuvel te
beklimmen, maar bij het verder gaan liepen ze er in oostelijke richting weer af;
ze vermeden zo de omweg; de kortste weg was al lang genoeg. De mensen snijden
altijd graag de hoeken af. Ze gingen dwars door de boomgaard van het gasthuis en
de straat die zo ontstond kreeg de naam van appelarestraat -nu Heidestraat-
terwijl het stuk van de oude. baan vergeten werd. Het gebruik van die nieuwe weg
werd nog bevorderd doordat aan de andere kant van de Aarschotse baan, tegenover
het gasthuis op een stuk land dat aan de kerk van Butsel behoorde, een kapel
stond. Deze werd niet alleen bezocht door de voorbijgangers, maar het gehucht
was tamelijk
bevolkt. Ge vindt er nu nog de overblijfselen van (.tot na de eerste
wereldoorlog) een rij gemeentehuisjes die men de kazerne noemde en waar
arme luitjes zoals Lamme den dog, Wartje zoet en Rosse Trien in
woonden. Verder een gemeenschappelijke bakoven en een gemetselde
waterput,
Maar voordat dat alles tot stand kwam, in de tijd dat de Karolingers
hier regeerden, schonken dezen grote stukken land aan hun gunstelingen. Onder
hen was er een met de Frankische naam Bald-hari, die het beheer van onze streek
kreeg. Hij bouwde een versterkte hoeve op de plaats die nu nog het steentje
genoemd wordt en liet dwars door zijn bezit een dreef aanleggen.-Toen zei men
een Ekse. Ze liep noord-zuid van de Oude Baan tot aan de Vondelbeek. En zo kon de
geregelde uitbuit.... uitbating beginnen.
Doch een. goede
honderd jaar later werd de gemeente zelfstandig onder de naam van Baldersheim en
kreeg eigen beslissingsrecht. Ik heb nooit begrepen wat die arme stumpers te
beslissen kregen vermits alles aan de heer toebehoorde. De Grote sloot even de
ogen en was zichtbaar vermoeid door dat lange praten. Gevederde Poes was vol
bewondering over al die geleerdheid. Maar de avondschemering viel en ze moesten
zich gereedmaken voor de jacht, want Kleine Zwever begon om eten te zeuren. De
Poes vroeg ons om nog maar eens terug te komen. En met de wens van "goede
vangst" namen wij afscheid van die vriendelijke familie.

wordt vervolgd
J..R..
|