Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1977,
nummer 1
"
Geschiedenis en aardrijkskunde door professor T.A. Rattenvangers."

INLEIDING

Wie al eens sprookjes gelezen heeft, weet dat dieren kunnen spreken en dat alleen brave kinderen die taal verstaan Hiermede zal het u al duidelijk worden dat ik in mijn prille jeugd - die nu ver onder " de nevel des tijds " begraven ligt een braaf ventje was. Ik zeg dat niet om te snoeven of om anderen de loef af te steken, ik weet niet eens wat een loef is. Dat ik niet lang in staat van gratie bleef doet hier niets ter zake.

Ik ...Wij, want Piet was er ook bij, wisten dat Uilen grote geleerdheid bezaten, meer nog dat ze diepdenkende filosofen waren die alles, al dan niet bestaande, haarfijn konden uitleggen. Wij wisten ook dat Professor Rattenvangers in de klokkentoren een flat bewoonde en besloten hem te gaan opzoeken om een en ander over ons dorp te leren. Spijtig genoeg sprak die professor alleen maar uils, dat moeilijk te vertalen is; ik kon er mij van afmaken met de slagzin "pour les Flamins la mème chose" maar dan was mijn verhaal uit eer het begon. Gelukkig heb ik een paar vergeelde papiertjes teruggevonden waarop ik toen aantekeningen maakte en een schets die ik later "in 't schoon" tekende en hierbij voeg om alles duidelijker te maken.

Ondanks of omwille van het verbod, dat alles zoveel aantrekkelijker maakt - zie hierin geen tegenspraak met bovenstaande, want die drang is algemeen, overal en van alle tijden.- Wij bestegen dus de dikbestofte en halfvermolmde trap van de kerktoren. Onze verschijning wekte aanvankelijk enige beroering maar de Uilin, die zoals bleek de naam droeg van "Gevederde poes" had snel geraden dat wij met goede bedoelingen kwamen, al hield ze een beschermende vleugel over haar zoontje "Kleine zwever". Terwijl ze haar man tot bedaren bracht. Bescheiden en gastvrij zoals uilen nu eenmaal zijn, nodigde ze ons uit om op een zware balk plaats te nemen, zich verontschuldigend dat zij, arme dompers, hun twee onverwachte gasten niets konden aanbieden. Wij griezelden bij de gedachte aan rauwe muizenpatee of een van die afschuwelijke soorten thee, waar onze apotheker over schrijft. Maar die uilen hadden immers geen kopjes om hem op te dienen. Gerustgesteld begonnen wij vragen te stellen. De professor,onder vrienden alleen maar de Prof of de Grote genoemd, was door onze waardering ten zeerste gevleid.- Hij begon zijn verhaal met bijzonderheden over zijn eigen stamboom, wat ons verwonderde maar tevens sterk boeide. Hij sprak langzaam met ietwat hese stem. Ziehier wat hij vertelde.

DEEL I

Wij stammen uit een oud geslacht en worden allen heel oud. Bij de Grieken stonden wij in groot aanzien, daar één mijner, voorvaderen de stad Athene gesticht bad (mythologie). Daarom gaven ze ons de naam van: "Athena-Noctua" en sierden hun helmen met een uilenmasker. Maar toen de Romeinse vechtjassen daar aankwamen, was mijn overgrootvader, samen met andere avontuurlijke jongelui, zo onbezonnen zich bij hen aan te sluiten. "De domme ui...-poeh, hoeh": riep Gevederde Boes, zo spreekt men over eigen familie niet.

Nu goed, zegde de Prof, moedig was overgrootvader wel en toen hij te kennen gaf dat hij mede de Alpen over wilde, was Cesar zo verwonderd dat hij uitriep "tu quoque, fili mi?" waarop overopa vastberaden antwoordde:  "alea, jacta est" wat Julius later deed schrijven dat wij de dappersten aller Galliërs waren. Maar voor mij blijft het fout en het is sindsdien dat men zegt: "Tot wat dienen kaars en bril als de uil niet zien en wil." Hoe dan ook, het was overopa die vertelde hoe het hier te dien tijde gesteld was. "Is dat dan de geschiedenis van ons dorp?" vroeg Piet, "Zo zoudt ge't kunnen noemen", antwoordde de Grote, maar dan van de uilenkant bekeken," "Bravo", riep ik" dan kan ik aan Velpeleven fabeltjes vertellen, daar zijn ze verlekkerd op" maar opeens stotterde ik want ik loog. Die bende bestond immers nog niet.

De Prof was door die onderbreking enigszins geprikkeld en zei: "Weet wel jongeman, dat uilen geen fabeltjes vertellen en nooit liegen." Dan vervolgde hij: "In uw geschiedenisboeken staat geschreven dat hier de oude Belgen woonden. Dat heb ik nooit goed begrepen, want waar waren dan de jonge, die moesten er toch ook zijn? Ik weet wel dat veel later een minister tegen de koning zei:"Sire, er zijn geen Belgen." Nu wel of niet, we zaten hier aan de rand van het grote kolenwoud. Zo wat op de grens tussen Nerviërs en Taxandriërs in. Wanneer die lieden samen kwamen om iets te versjacheren of zich wederzijds de schedel in te slaan, volgden ze de paden die sinds eeuwen door zwervende jagers door de wildernis gebaand waren. Als enig herkenningspunt hadden dezen de rivieren waar ze langs liepen. Doch de dalen waren veelal moerassen ( Brabant=drassig land ). Ze kozen dus de evenwijdig lopende heuvels, soms langs beide oevers of staken bij waadplaatsen de waterlopen over omdat de andere zijde beter geschikt was. Die wegen werden straten toen de bevolking toenam en langs de waters grote nederzettingen ontstonden. Bijna alle op een dagmars of +/- 20 km van elkaar.

Zo was hier de eerste baan de huidige Dorpsstraat, in het westen verlengd langs Neervelp tot Waver en in het oosten, met een brede bocht rond de oude vijvers, over Butsel, Kerkom verder naar Diest. Naarmate de streek beter bekend geraakte, kwamen er ook verbindingen tussen de waterlopen. Van Leuven naar Tienen - Dijle - Gete en van hier naar Aarschot, Velpe - Demer. Toen overopa hier kwam legden de Romeinen grotere wegen aan, heirbanen genoemd, zowat de snelwegen van die tijd. Maar die lagen hier ver uit de buurt en waren weinig talrijk. Overopa was toen al zeer oud, hij stierf in de tijd dat in Reims Clovis verbrandde wat hij aanbeden had, en die fiere Sicamber deed het zo grondig dat eeuwen later Hendrik IV nog geen kip kon vinden om zijn zondagse waterzooi te koken.

Grootvader heb ik nog even gekend want die stierf rond 1600 en heeft Bruegel nog gekend. - U zult al gemerkt hebben dat ik altijd rond of ongeveer zeg, maar getallen hebben de uilen nooit goed kunnen onthouden. Opa zag hoe de streek hier stilaan veranderde. Hoe door de ontwikkeling van de handel de dwarsbaan Leuven - Tienen nu een deel werd van de grote handelsweg die van in Brugge door het achterland tot Keulen liep,

Het kruis- en knooppunt van die wegen lag op een hoogte juist halfweg Leuven Tienen en waar een oude kromme herent de aandacht trok. Jullie moeten weten dat een herent, die men tot haring vervormde, een pagebeuk was. De tak naar Waver die door Bost liep, dat in ons jachtgebied lag en rijke buit opleverde, noemden wij de Paddenstraat en een splitsing naar Bierbeek werd de mierenstraat.

Ik heb gehoord dat:een geschiedschrijver de naam van Cromme Herent toeschrijft aan een kromming van de weg die daar door een beukenbos liep. Maar van dat bos is niets bekend en opa kon het weten want hij huisde daar in een holle boom. Het was midden in de Heide die zich uitstrekte van de Hâa van Lubbeek over d'aai van Boatsem tot de aâ van Burrebeek. Die kromming bestond niet of liever, de wegen waren zo kronkelig dat men daar geen aandacht aan schonk. Ze liepen immers om al de hindernissen heen. En hier zou men die juist gaan opzoeken door ongeveer 75 meters ver een heuvel te beklimmen en er dan dadelijk weer af te dalen.

In oude documenten spreekt men steeds van "De Cromme Herent", dus duidelijk van één exemplaar en nooit van een bos. Bomen leenden op vele plaatsen hun naam aan de omgeving, zo bvb de dikke linde, het koppel eiken, de zwarte den, de oude tronk enz. Oh, riep Piet, die laatste weet ik staan, een oude gebarsten eik dicht bij Butselbos. Is het daar dat de druïden samenkwamen? Zo oud zal die wel niet zijn, antwoordde de Prof, die verder praatte over die kromming. Ze bestond eenvoudig niet.

De oude baan liep recht van wat nu de Latstraat is tot aan de Eksestraat wat gemakkelijk te zien is aan de rooilijn achter het paar huizen die daar staan, maar nu gedeeltelijk verdwenen is. Ja, zei ik, maar nu is die kromming er toch. Goed, antwoordde de Prof, maar die is er later gekomen en ik zal u uitleggen hoe. Bovenop die heuvel werd een gasthuis, t'is te zeggen een afspanning gebouwd. De reizigers konden er even uitrusten en een hapje eten, terwijl zij die van verre kwamen er de nacht konden doorbrengen. De juiste plaats moet ge mij niet vragen want wij zwevers glijden over het landschap heen en tellen geen voetstappen. Maar die eigendom strekte zich uit langs de Aarschotse baan van aan de Crommen Herent tot tegen de Wezenberg. Later werd die grond in twee gesneden door de Grote steenweg en verkaveld, alleen het zuidelijke deel draagt nog de naam van Gasthuisveld.

Jullie die,door het zonnelicht kunnen kijken kunnen het van hier gemakkelijk zien, daar. De Grote zei niet in het noordwesten, maar hield er aan. zoals alle professoren, zich op de juiste manier uit te drukken en liefst in formules, hij zei dus N-NW. Welnu, zij die van Leuven kwamen waren verplicht de heuvel te beklimmen, maar bij het verder gaan liepen ze er in oostelijke richting weer af; ze vermeden zo de omweg; de kortste weg was al lang genoeg. De mensen snijden altijd graag de hoeken af. Ze gingen dwars door de boomgaard van het gasthuis en de straat die zo ontstond kreeg de naam van appelarestraat -nu Heidestraat- terwijl het stuk van de oude. baan vergeten werd. Het gebruik van die nieuwe weg werd nog bevorderd doordat aan de andere kant van de Aarschotse baan, tegenover het gasthuis op een stuk land dat aan de kerk van Butsel behoorde, een kapel stond. Deze werd niet alleen bezocht door de voorbijgangers, maar het gehucht was tamelijk bevolkt. Ge vindt er nu nog de overblijfselen van (.tot na de eerste wereldoorlog) een rij gemeentehuisjes die men de kazerne noemde en waar arme luitjes zoals Lamme den dog, Wartje zoet en Rosse Trien in woonden. Verder een gemeenschappelijke bakoven en een gemetselde waterput,

Maar voordat dat alles tot stand kwam, in de tijd dat de Karolingers hier regeerden, schonken dezen grote stukken land aan hun gunstelingen. Onder hen was er een met de Frankische naam Bald-hari, die het beheer van onze streek kreeg. Hij bouwde een versterkte hoeve op de plaats die nu nog het steentje genoemd wordt en liet dwars door zijn bezit een dreef aanleggen.-Toen zei men een Ekse. Ze liep noord-zuid van de Oude Baan tot aan de Vondelbeek. En zo kon de geregelde uitbuit.... uitbating beginnen.

Doch een. goede honderd jaar later werd de gemeente zelfstandig onder de naam van Baldersheim en kreeg eigen beslissingsrecht. Ik heb nooit begrepen wat die arme stumpers te beslissen kregen vermits alles aan de heer toebehoorde. De Grote sloot even de ogen en was zichtbaar vermoeid door dat lange praten. Gevederde Poes was vol bewondering over al die geleerdheid. Maar de avondschemering viel en ze moesten zich gereedmaken voor de jacht, want Kleine Zwever begon om eten te zeuren. De Poes vroeg ons om nog maar eens terug te komen. En met de wens van "goede vangst" namen wij afscheid van die vriendelijke familie.

 

wordt vervolgd

J..R..

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany