De wetenschappelijke naam van deze gors luidt: Emberiza
schoeniclus. Schoenus in het latijn betekent bies. Het moet in 1968 geweest zijn
dat ik deze vogel heb leren kennen. De eerste keer dat ik het mannetje zag in
Kerkom, hield ik het voor een gewone mus maar bij latere ontmoetingen bleek dat
ik me vergist had. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat deze vogel ook
bekend staat als rietmus.
Wil dat nu zeggen dat de vogel aan riet gebonden is? Geenszins, ook zonder riet
zouden er bij ons evenveel exemplaren zijn.
Eigenlijk is het mannetje een opvallend gekleurde vogel ter grootte van een mus.
Als je 's zomers langs natte weiden wandelt en je bemerkt een vogel met
pikzwarte kop en keel, met een witte halskraag die opzij van de kop spits
toeloopt naar de snavel, dan is dat zeker een rietgors. De rug is bruinzwart
gestreept, de stuit is grauwbruin maar zonder strepen. De staart is weer
bruinzwart gestreept met iets blekere buitenste pennen.. De onderkant is dofwit,
maar heeft aan de zijkanten weer zwarte strepen. 's Winters ziet bij er wat
fletser uit omdat het zwart minder uitgesproken is, wat vooral opvalt aan de
kop.
En het wijfje? Ze moet het met minder opvallende kleuren stellen. Ze is meer
effen gekleurd om niet n te vallen bij het broeden, haar kop is bruinen de rug
wat lichter dan die van het mannetje.
De onderzijde is bruinigzwart.
Let vooral op de driehoekige gor
zentekening op de zijkant van de
kop met een bleke band afgezet.
Let ook op de driehoekige gebo
gen snavel.
Het is altijd veel eenvou
diger een vogel te leren herkennen aan zijn geluid, zeker voor
een vogel die bijna altijd verborgen is tussen allerlei moerasplanten. Let vooral op de
scherpe "tsieh" roep bij onraad.
Het liedje is niet veel zaaks:
asja tit tri tsissis, waarbij al
eens een klank meer of minder
voorkomt. Bij het zingen zit het mannetje op een uitstekende rietstengel of
andere plant.
Een blik op de verspreidingskaart leert ons dat de rietgors een Europese vogel
is die alleen ontbreekt in IJsland en Zuid-Griekenland. 's Winters trekt hij
westwaarts vanuit Noord- en Oost-Europa.
Bij ons blijft hij het hele jaar maar de aantallen blijken
in de winter toch verminderd te zijn. Onze broedvogels zwerven rond of schuiven
met de wintergrens heen en weer. In het koude seizoen zwerven de mannetjes in
groepjes rond, zelfs tot eind maart, zo zag ik nog een troepje te Schubbeek op
29-3-72. De wijfjes zwerven op hun eentje rond. Soms kun je een rietgors op een
ongewone plaats aantreffen. Ik heb er eens één gezien in het volle veld.: ver
van alle vegetatie, deze winter kwam er een wijfje op bezoek in mijn tuin en
liet een weemoedig tsieh horen. Ze heeft een tijdje in de mispelaar gezeten
De rietgors is
vrij talrijk in zijn
biotoop, dat bij ons
veel voorkomt. Hij
is overal thuis
langs beken, als de
weiden erlangs
maar niet te proper zijn. Hij is
gebonden aan vochtige gebieden. met
een voorkeur voor
gebieden met
ruigtkruiden: moerasspirea, valeriaan, engelwortel, kattestaart, wilde bertram, moerasrolklaver en
eventueel riet.
Dergelijke gebieden opsommen in het
Hagelland is onbegonnen werk omdat ze bijna langs elke rivier aanwezig zijn. Nu
is het zo dat zulke gebieden in lente en zomer bijna ondoordringbaar zijn wat
de rietgors bevrijdt van menselijke storingen bij het broeden. In de Kempen ligt
zijn biotoop wel anders vooral de omgeving van vennen tussen gagel, dop- en
struikheide, waar zijn nest tussen ligt.
Ik ken de rietgors al van in 68, want de eerste nota in mijn optekenschrift
vermeldt: nest van rietgors op 20 cm boven de grond in elzenbosje te Kerkorn in
overjarig riet gevonden in de meimaand. Op 19 mei 70 vind ik volgende nota: nest
riet 5 eieren; beide geslachten zien broeden; 1 juni: jongen; 11 juni: jongen
hebben nest pas verlaten. In 71 heb ik nog twee nesten gevonden in Schubbeek.
Waar ligt meestal het nest? Meestal een weinig boven de grond vastgehecht aan
moerasplanten en daarin moeilijk te vinden.
Eens vond ik een nest in een ijle braamstruik, waartussen enkele rietstengels
doorpriemden. Het nest van 19 mei was wel bijzonder; het lag op de grond onder
een bremstruik in de zandkuil van Kerkom, wel in de nabijheid van de kleine
vijver aldaar.
Met dat nest is een klein wonder gebeurd. Toen de nog onbepluimde jongen erin
lagen, werd er voor de laatste keer ( gelukkig ) een motorcross gehouden. Ik
meende vast dat de jongen van honger zouden omkomen. Wie schets mijn
verwondering toen ik rond zes uur vaststelde dat ze ongedeerd in het nest lagen.
En dan te bedenken dat een paar meter verder mensen gezeten hadden, wat te zien
was aan het platgelegen gras.
Het nest nu bestaat uit droog gras en andere droge plantendelen. Het is een
halve bol met paardenhaar gevoerd. Erg stevig is het niet. Beide partners
bouwen, maar het wijfje het meest. Let er eens op dat het mannetje, als je in
zijn territorium komt van op een uitstekende plaats uitkijkt en voortdurend met
gespreide staart knipt.
Ik heb meest nesten gevonden met 5 eieren, maar eentje meer of minder is ook
mogelijk. Broedduur is 2 weken, normaal voor vogels van deze grootte.. Na 11
dagen verlaten de jongen het nest, maar ze moeten zich schuil houden in de
dichte vegetatie omdat ze nog niet kunnen vliegen.
Mocht u ooit toevallig een nest vinden en u hebt niet gezien welke vogel
wegvloog, dan kunt u aan de eieren uitmaken of de eigenaar een rietgors is. De
grondkleur varieert van blauwwit tot grauwbruin, deze laatste kleur komt het
meest voor. De onderliggende vlekken zijn zwartbruin.. Ze hebben verder de
typische zwarte vlekken van gorzeëieren, waaruit vreemde donkere lijntjes
vertrekken die grillig wegkronkelen. Grootte: 19,4 x 14,4.
Wat eet nu een rietgors? Vermits ze ook 's winters hier zijn, mogen ze niet
kieskeurig zijn. In het warme seizoen allerlei insecten, kevers enz. In de
winter wordt dat zaad van allerlei planten en onkruiden.
In maart al beginnen sommige mannetjes een territorium af te bakenen. Ik heb
boven het riet in Schubbeek al eens opgemerkt dat hij enkele meters opvliegt en
even blijft bidden. Er worden twee broedsels grootgebracht van april tot eind
juli.
Als u nu eens langs een beek wandelt en een langgerekt "sie" hoort, blijf dan even
staan en ik hoop dat u niet meer vergeet dat daar een van onze interessantste,
nuttigste en talrijkste gorzen zijn broedgebied heeft.
A.ROELANTS