C DE
MENS VRAAGT HULP.
I VERANDERENDE OPVATTINGEN OVER DE DOOD.
Verschillende nieuwe stromingen stellen het beeld van de dood in een ander
daglicht. Het doodsbeleven is tenslotte een product van cultuurpatroon,
opvoeding, wetenschap, geloof ( ongeloof),
Anderzijds denkt men dan aan medische vooruitgang. Een arts kan het leven rekken
of stoppen door "een behandeling te verrichten of te staken. Het groeiend aantal
bejaarden brengt meer ervaring met demente ouderlingen met zich mee.
De wijsbegeerte over de dood loopt in een moderne richting Heidegger ziet in
zijn existentialisme de dood als de voltooiing van het leven.
Er is tevens een theologische factor: Paulus zag de dood als de: straf voor de
zonde. Professor Kuitert verklaart: "Er is geen leven zonder dood". In dit
licht wordt een orgaantransplantatie gezien als de dood in dienst van de naaste
en de vooruitgang anderen ervaren de religieuze opvatting over de dood als een
kunstmatige compensatie voor de zinloosheid van de dood.
Tenslotte zijn abortus en euthanasie zo'n dwingende begrippen geworden dat
zelfs de politiek er aandacht begint aan te besteden.
Een mens leeft lichamelijk, emotioneel en geestelijk, in een sociale context,
die kan genezen of ziek maken. De mens deelt zijn gezondheid met anderen. Er is
een evolutie te merken in de eerbied tot het leven.
Vroeger werden drie situaties
aangenomen, waarin een mens mocht beschikken over het leven van anderen: de
doodstraf, de rechtvaardige oorlog en doden uit zelfverdediging.
Thans zijn er heel wat meningsverschillen en vooral negatieve reacties voor wat
de eerste twee betreft. De maatschappij klaagt zijn leden zelfs in totaal nieuwe
situaties aan: denken we aan wangedrag in het verkeer, milieuverontreiniging,
alcohol - en drugmisbruik,
Het probleem van de dood is het probleem van loslaten: zowel voor de rouwende,
als voor de stervende, dit dan op het extreme niveau.
De secularisatie, individualisatie, langere levensduur en verlies van decorum,
hebben wel de verschijningsvorm rond de dood veranderd. De grondhouding bij de
mens bleef echter voor een groot deel onveranderd, zodat hij met nog grotere
moeilijkheden achterblijft, zolang er geen begeleiding komt.
Freud beschrijft de doodsangst als een oerangst, die dikwijls ook in sprookjes
voorkomen ( verlaten worden.). Ook de castratieangst brengt hij hiermee in verband
( man net de zeis ).
John Poully, een Engels psychiater, vergelijkt het stervensproces langs de
libidotheorie een mens moet opnieuw het proces van onthechting van de moeder
doormaken. Hij investeert energie, liefde en vitaliteit in een voorwerp van
liefde, moet dit opnieuw losmaken en zich elders hechten ( zowel voor de
stervende als de nabestaande ).
Het besef van sterfelijkheid op zichzelf blijft pijnlijk. Daarom bouwt de mens
Ur-defenses op, zegt Masserman:
-
Hij beleeft een geïndividualiseerde ontkenning
van de dood en de eigen dood ( vb.geloof in de hemel ).
-
Hij gelooft in het belang van het voortleven van een
nageslacht, bezit, prestaties of een naam
-
Hij gelooft in de voortzetting van het streven naar
ideële, sociale doelen door anderen ( vb. voortbestaan
van een volk, klassenstrijd ...)
Soms gaat de Ur-defense ten onder aan de doorbraak van insufficiëntie en
schuldgevoelens ( gebruik van L.S.D. nodeloze risiconemers ). Men ziet hen als
het ware het godsoordeel uitlokken uit angstreactie om ondraaglijke spanningen
te doorbreken. Minderwaardigheidsgevoelens worden geprojecteerd op buren of een
ras. De discriminatie is geboren: het is de projectie van de oorzaak, van de
vermeende bedreiging van het bestaan op een andere groep.
De voorzieningen? Klassenstrijd of machtsuitoefening van heersende elites,
voor zichzelf eisen stellen die ten koste vallen van een menswaardige verzorging
van debielen gestoorde bejaarden...; ernstig de mogelijkheid nagaan van het
eindigen van huns inziens "Lebensunwerte Leben" door actieve euthanasie. (Prof.Nuyens).
Zo dreigt het recht op menswaardig leven eerst uitgebreid te worden tot
menswaardige dood en algauw te verkeren in een plicht tot sterven op grond van
ras ( Nazi ), armoede ziekte, leeftijd, maar ook politieke of subculturele
deviatie.
In verband met euthanasie blijkt uit de praktijk van Dr Michiels dat de vraag
zich allerminst stelt vanwege de stervende zelf.
De arts loopt met de gewetensvraag: "Moet ik het zolang laten duren?" De verplegenden of de familie projecteren al eens hun eigen problemen op de
patiënt: zij kunnen de spanning of de afkeer niet meer aan.
Komt de vraag van de patiënt zelf, dan betekent zij meestal; ik kan het "ziek-zijn"
niet meer aan. Wordt er dan gezocht naar een oplossing voor bepaalde ongemakken
of zelfs familiale moeilijkheden, dan blijkt er helemaal geen vraag meer te
zijn.
Euthanasie voor zwaar gehandicapten is, volgens Dr Michiels slechts het
bestrijden van symptomen. Eerder moet er veel meer aandacht gaan naar de studie
van de erfelijkheidsleer. Trouwens blijkt de huidige mode om hierover te
praten eerder geïnduceerd te zijn, dan wel echt probleem van de gemeenschap
uit te maken.
Een vraag die we ons hierbij tevens ernstig stellen is: waar ligt de grens? Waar eindigt dit? In hoeverre kan een terminale zieke, met
een grote levensdrang, veilig zijn in een wereld waar euthanasie normaal wordt
geïntegreerd? In hoeverre zal de mentaliteitsverandering doorgevoerd worden
zodat de materiële mogelijkheden nog voor handen zijn en familie of anderen
bereid zijn tot verzorging.
De dood wordt als situationeel gegeven voor menselijk handelen genegeerd: men
praat er niet over, men verdringt het.
Dit komt in zijn absurditeit op extreme wijze tot uitdrukking in de oprichting
van "The life extention society" ( USA ) waar men zich voor 60.000 dollar kon
laten invriezen.
Door de secularisatie wordt het steeds problematischer om een zin te vinden voor
de dood: de samenleving neutraliseert dus dit storende, ontredderende fenomeen,
door het te camoufleren.
Ook in ziekenhuizen wordt gecamoufleerd: stervenden verdwijnen uit de
ziekenzaal; het dodenhuisje wordt ergens verdoken ingericht. De verplegenden
vertoeven zo weinig mogelijk bij stervenden. Tot nu toe is er in een ziekenhuis
nog maar weinig sprake van begeleiding bij het stervan: men sterf er niet, men
gaat er dood.
II BEGELEIDING BIJ HET STERVEN EN DE ROUW.
Stervenshulp is levenshulp in een bepaalde
fase van het leven: men helpt de mens
zijn eigen dood sterven. Men helpt de familie de nakende dood verwerken.
Stervenshulp kan men niet geven uit ervaring, uit zijn voorstellingsvermogen.
Het gaat erom met de stervende en de familie het verloop mee te leven, te helpen
uitspreken.
De stervende doorloopt verschillende stadia. De familie moet betrokken worden in
de begeleiding van de terminale fase van het ziek zijn: het zal hen dan helpen
bij het verwerken van de rouwperiode.
De fase van onwetendheid kan plots gestoord worden door buitenstaanders. De duur
hangt af van de verwachte duur van de ziekte. Hier moet de begeleider reeds
oppassen dat de stervende niet ervaart aan de houding van de omgeving, wat er
gaande is. Te lange spanning is nooit goed te verwerken.
Onzekerheid volgt. De patiënt zoekt zekerheid (positieve) bij verre familie,
vreemden, verplegenden. Hij wenst geen negatieve inlichtingen van familie die op
de hoogte is. Dit wordt soms zeer pijnlijk ervaren door ouders, echtgenoten of
kinderen en de aandacht van de begeleider zal vooral naar hen moeten gaan. Zij
ervaren niet alleen het pijnlijke van de zekere dood, maar tegelijkertijd de
afwijzing door de zieke.
Eens ingelicht over de toestand, ontkent de terminale zieke; ook dikwijls de
familie. Zij ondergaan het als een verdoving.; zij vluchten. Dit moet hun gegund
worden, maar de uiteindelijke aanvaarding blijft de begeleider voor ogen houden.
Hierop volgt opstandigheid, hoewel dit eigenlijk in alle fazen kan voorkomen.
Zij richt zich meestal eerst op de arts, zowel vanwege de patiënt als van de
familie: hij deed niet al wat in zijn mogelijkheden lag. Later wordt opnieuw de
familie het slachtoffer: de begeleider moet . opnieuw zijn aandacht verdelen.
Hier kan een echte vertrouwenscrisis ontstaan met de familie, omwille van de
verwijten, terwijl beide partijen elkaar zo nodig hebben in deze periode.
Tijdens de volgende depressie bereiden de stervende en de familie zich voor op
het onvermijdelijke. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun verdriet te uiten.
Dit eist van de begeleider zeer veel geduld. Het is ook de moeilijkste fase, die
het risico inhoudt, gefixeerd te blijven. Meestal echter worden de mensen
opgebeurd, zonder de kans te krijgen uit te.huilen.
Zo komen zij anders niet tot aanvaarding. Deze gaat echter nog steeds gepaard
met een sprankje hoop. In deze fase kunnen de zieke en de nabestaanden elkaar
helpen, zonder begeleider. Hij blijft echter in de buurt voor mogelijke
inzinkingen. Nu kan de ziele nog regelen wat hij noodzakelijk acht voor de
achterblijvende familie. Voor zelfstandigen kan dit zeer belangrijk zijn. Oude
relatiemoeilijkheden kunnen nog uitgewist worden. De periode van aanvaarding
mag ook niet te lang duren. Zelfs in de meest positieve gevallen kan het
moeilijk worden, wanneer het wachten op de dood te lang gaat duren. Daarom moet
met statistieken de eventuele duur van het stervensproces voor bepaalde ziekten
wetenschappelijk opgezocht worden.
Het verloop van het proces is trouwens verschillend voor alle mensen. Het
afscheid van het leven valt jonge mensen en kortstondige zieken veel zwaarder,
achterlaten van familie is erger voor gehuwden met jonge kinderen of gezinnen
met problemen. Het komt er inderdaad op aan de mens te helpen zijn eigen dood te
sterven.
Eens de dood ingetreden, begint het rouwproces met opnieuw zijn moeilijkheden.
Zij lopen voor een deel samen met het stervensproces. Ook hier is er slechts
weinig hulpverlening voorzien.
De Grieken kenden "Les pleureuses". Bij hen werd huilen sociaal getolereerd. Er was een mogelijkheid van afreageren en tezelfdertijd
van afweren tegen de dood.
De Joden spreken nu nog steeds af bij kennissen en vrienden om eik op een ander
ogenblik de nabestaanden op, te zoeken.
Op deze manier komt de familie ertoe het verdriet door te praten en te
verwerken. Hun opvoeding leert de waarde van het uitdrukken van droefheid en
geeft er middelen toe, Dit is zeer belangrijk want in onze maatschappij is
rouwen een miskend proces geworden de nadruk wordt onmiddellijk gelegd op het
leven dat doorgaat. De familie krijgt de tijd niet om te rouwen,
In onze cultuur wordt de dood weggeorganiseerd. Professor Niftrik spreekt van
een bewijs voor de decadentie van onze cultuur in het feit dat de dood
gecamoufleerd wordt. Scheler noemt onze tijd een doodsontkennende cultuurperiode
( bodybuilding ) met een doods - en stervenstaboe.
.De mens is zo bang voor de dood, dat de vrees voor de dood zelfs wordt
weggevreesd. In deze maatschappij, met enerzijds drang naar weglaten van
decorum. en anderzijds een doodstaboe, staat de betrokken mens voor zware
moeilijkheden; temeer daar stervens- en rouwbegeleiding nog
niet voldoende is uitgebouwd om de taboes te overwinnen. Daarnaast menen wij
dat het dalende sterftecijfer, dus de veranderende demografie, hierbij ook een
rol speelt. De mensen komen minder met de dood in contact en weten dus niet zo
goed hoe zich te gedragen.
Ouderen staan korter bij de realiteit van de dood dan een kind dat leven wil. In
de opvoeding wordt er meestal weinig gezegd over de dood. Het gevaar is dat het
kind, wanneer het ouder wordt, geconfronteerd wordt met.geweld en oorlogen,
plots ervaart dat het leven zinloos is. Nochtans hebben kinderen reeds bereikt
waar volwassenen naartoe groeien: oud worden of een ongeluk hebben de dood als
gevolg. Voor hen is het eenvoudig. Soms voelen ze het zelf als niet meer
natuurlijk aan: dan spreken ze van "iemand of iets is doodgemaakt".
Erger is het wanneer het kind niet werd voorbereid op de confrontatie met de
dood of wanneer het om een persoon gaat die een grote plaats innam in zijn
leven. Meestal echter is zijn incasseringsvermogen en zijn geestelijke
draagkracht groter dan de volwassenen, met hun anders gegroeid emotioneel leven,
denken. Belangrijk blijft natuurlijk de opvoeding. Het kind moet bij alle
facetten van het leven betrokken worden: dus ook bij de dood. Door de eigen angst
kunnen de volwassenen echter ongezonde gevoelens meegeven. Het kind leert dan
geen of een verkeerde houding aannemen. Het mag deelhebben aan de gevoelens die
hem omringen; alleen moet het bedacht en rustig gebeuren, zonder te overstelpen.
Citeren wij verder Huizinga: "Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij
vorm geven aan het leed...zij ritmiseren de smart."
In onze huidige rouw met weinig riten valt de sociale vormgeving die het
verschijnsel hanteerbaar maakte voor een groot deel weg. Nu streeft men ernaar
dat de gevoelens de leidraad voor de vorm moeten zijn. De communicatie tussen
de nabestaanden en de condolerende was geleid. Nu staat men voor een vraagteken
betreffende de wensen van de familie: bezoek of geen bezoek...
Heel deze verandering wijst op een tekort in het cultuurpatroon. De huidige mens
heeft niet geleerd om gevoelens te uiten. Onze opvoeding leert dat een man stoer
en flink moet zijn. Hij mag niet huilen. Een vrouw mag dit wel, maar niet te lang,
anders weet de omgeving zijn houding niet meer te bepalen. Zo komt dat een
rouwende familie een plotse vermindering van sociale contacten kan krijgen,
op het ogenblik dat er juist meer steun nodig is;
Welke houding nemen ouders tegenover hun kinderen aan, wanneer er een overledene
in de familie is? Meestal wordt het verzwegen, terwijl het kind toch een aantal
reacties opvangt die het niet begrijpt. Wanneer het dan later toch op de hoogte
wordt gesteld ontstaat er dikwijls vrees: het kind wil die woning niet
binnengaan...met in het achterhoofd de toen niet verklaarbare droevige reacties
van zijn ouders.
Dikwijls wordt de rouwende gezegd zich flink te houden, verder te leven. Deze
persoon tracht dit dan ook te doen, met het gevolg dat alle gevoelens zich
opstapelen, maar zeker niet verwerkt worden. Een begrafenis gaat meestal ook
gepaard met zeer materiële beslommeringen die eveneens de vlucht uit de
werkelijkheid kunnen bevorderen erfenissen, pensioenen en successen.
Veel hangt af van de opvoeding die men kreeg, welke emoties zijn toegelaten, hoe
ligt de code van het gezin, waarover mag gesproken worden? Wanneer negatieve,
pijnlijke gevoelens niet toegelaten zijn,. hebben de leden van dergelijk gezin
het erg moeilijk wanneer zij zelf in aanraking komen met een sterfgeval thuis,
of wanneer zij als condolerende een bezoek brengen. Van deze opvoeding hangt
ook af in hoeverre men na een sterfgeval op eigen voeten kan staan of tot niets
meer in staat blijkt te zijn. Zo toonde een studie bij weduwen verricht door Bolwy aan dat veel alleenstaande vrouwen van rond vijftig jaar, na een tijd
rouw, als het ware opnieuw begonnen te leven. Zij vertoonden zich terug in het
openbaar, alsof ze zich eindelijk verlost voelden van de sleur van de
huishouding waarin de maatschappij hen gedrukt had. Dezelfde maatschappij, die
een stoere houding verwacht om het zichzelf gemakkelijker te maken, houdt ook
veel meer van eeuwig rouwende weduwen op het graf van hun man.
De druk van de omgeving kan ook zwaar vallen. Dit valt vooral op in kleine
gemeenten. Jonge weduwen met kinderen worden blijvend bespied; zij moeten zich
opofferen en mogen zeker geen contact zoeken met mannen.
Psychologisch duurt de beleving van rouw ongeveer een jaar. Nadien moet een
gezond functionerende mens er voor een deel overheen zijn gekomen.
Uitzonderingen hierop worden pathologische rouw genoemd. Dit komt voor wanneer
de relaties met de overleden eveneens pathologisch lagen.
Op een kerkhof verwacht men huilende mensen te ontmoeten. Ik herinner mij echter
uit de praktijk twee gevallen waar dit niet voorkwam. Nochtans is slechts in het eerste voorbeeld van pathologische
rouw sprake.
Een jong meisje uit een patriarchaal gezin, was verloofd met een jongeman
waarvan haar vader niet horen wilde. Moeder was overleden en de vader was jaren
zwaar gehandicapt. Het meisje stopte de verloving voor vader en verzorgde hem
tot aan zijn dood. Het geval kwam bij de dienst terecht op het ogenblik dat de
vrouw reeds jaren gehuwd was met een alcoholist die regelmatig wegbleef om met
andere vrouwen mee te gaan. In de woonkamer stonden steeds verse bloemen bij de
opvallend grote foto van de vader die het hele huis domineerde. Zij verklaarde
dat hij de enige man was die ze ooit bemind had maar dat zij bij zijn graf niet
had kunnen huilen. Nadien bleek dat zij gevoelens van opluchting heeft moeten
voelen bij het overlijden van haar vader, welke zij niet kon aanvaarden.
Iedereen in de buurt vond het immers zo erg voor haar. Kort nadien ontmoette zij
opnieuw de verloofde. Bij een uitstap werd zij echter plots verlamd. Zij verbrak
de contacten, het verschijnsel verdween en zij huwde nadien haar huidige man, alles
was een voortzetting van zelfbestraffing, schuldgevoelens om haar onbetamelijke
opluchting Na een tijd frequente contacten met de maatschappelijke assistente
kwam zij ertoe haar man te verlaten.
Zij heeft nadien nog haar vroegere verloofde, intussen gehuwd, ontmoet en hem
uiteindelijk op een gezonde manier kunnen afwijzen.
Uit dit voorbeeld blijkt eveneens de invloed van de opvoeding.
Een andere vrouw, gehuwd met een bestuurder bij zeer
zwaar vervoer en moeder van twee kinderen, heeft het totaal anders ervaren,
Haar man werd het slachtoffer van een werkongeval. 0e dienst zocht
contact om te zien of er geen problemen op te vangen waren. Op de kast in de
huiskamer stond een grote kermispop met de pet van de man scheef op het oor. Het
huis daverde onder de pop-muziek. Twee weken na het overlijden voelde de vrouw
helemaal geen behoefte aan meeleven. Zij kon haar gevoelens van opluchting ook
uiten. Enige woede om in de steek gelaten te zijn met twee kinderen sprak zij
ook uit. Zij durfde zeggen genoeg van haar man te hebben gehad, van zijn
seksuele
behoeften en wens naar kinderen. Zij voelde zich eindelijk opgelucht en kon dit
aanvaarden van zichzelf. Dit is een gezonde reactie in tegenstelling met de
eerste.
Dikwijls zitten er schuldgevoelens vast aan de rouw; zij worden herhaaldelijk
pathologisch verwerkt: verlammingen, ziek worden. Dit hangt ook af van het soort
rouw. Bij de dood van een gehandicapt kind komen ze veelvuldig voor, dikwijls nog
versterkt omdat de ouders er reeds mee zaten tijdens het leven van het kind.
Rouw bijeen overleden echtgenoot of echtgenote is anders dan deze bijeen ouder.
De nabestaande staat niet alleen voor sterke gevoelens van droefheid,
eenzaamheid, maar moet meestal tegelijkertijd een aantal functies bij overnemen
die. de beginperiode nog overladen.
De beleving van de rouw verloopt in drie stadia:
-
het protest,'gepaard aan een vraag om aandacht en het verwijt in de steek
gelaten te zijn. Pathologische verwerkingen hiervan zijn: het vluchten van de
realiteit, alles bewaren in de oorspronkelijke toestand en
projectieverschijnselen.
-
de wanhoop, met het steeds hervertellen, herbeleven om tot verwerken te komen.
Wanneer niet alle pijn wordt doorleefd, duikt een chronische depressie op.
-
de onthechting, het loskomen van de overledene, het leggen van nieuwe
contacten. Pathologisch wordt dit gelatenheid en-vastklampen aan de
overblijvenden.
Psycho-genetisch werden wij niet opgevoed om verdriet op te vangen of te
verwerken. De rouwende mens ervaart bij het uiten van zijn verdriet angst om
afhankelijk te worden van anderen, om zichzelf niet in handen te hebben en om in
zijn trots gekrenkt te worden. Hij moet ervaren dat zijn leven mag doorgaan.
Zijn omgeving moet er durven over praten om de gelegenheid te geven af
te reageren en te verwerken.
BESLUITEN
Wij hopen uit het voorgaande duidelijk aangetoond te hebben dat de mens rond het
sterven met heel wat moeilijkheden moet afrekenen.
In onze gecompliceerde wereld moeten wij leren steeds meer aandacht te geven aan
elkaar om te kunnen optornen tegen de gestelde eisen.
Wij mogen onze medemens niet alleen laten rond de dood. Het is geen
mensonwaardige situatie, het is inherent. Trouwens, bedenken wij even, dat ook
wij vroeg of laat in dezelfde situatie terecht komen.
Om die begeleiding in welke zin wij het ook opvatten, te kunnen verzekeren, is
het zeker vereist zelf de angst en afkeer van de dood te hebben verwerkt. Zoniet
brengen wij geen hulp; integendeel, dan hebben wij er zelf nood aan..
Wie dit kan verzekeren, willen wij persoonlijk zeer ruim stellen. Wanneer we de
auteurs volgen, komen wij tot de vaststelling dat, naar hun eisen, praktisch een
beroepspersoon noodzakelijk is. Hierbij denken wij aan de te spenderen tijd en
de persoonlijkheidsvereiste. Daarbij, menen wij, denken zij niet aan bepaalde
beroepskrachten. Volgens hun eisen kunnen hieraan voldoen: geestelijke leiders,
verpleegsters, maatschappelijke werkers, psychologen of vrijgestelde personen
met voldoende psychologisch inzicht voor de menselijke noden. Zij moeten ook
over veel geduld beschikken en enige noties hebben van gesprekstechnieken.
Dit alles zouden wij eerder als de ideale situatie voorstellen, terwijl in de
praktijk duidelijk is, dat dergelijke voorziening niet aanwezig is en nog lang
op zich zal laten wachten.
Eerder denken wij hier aan een taak voor de opvoeding.
Van in de kinderperioden moeten wij leren onze gevoelens uiten en waarderen.
Automatisch zullen wij als volwassenen later hulp krijgen bij het verwerken en
uitspreken van verdriet en alle emoties. Hierbij denken wij vooral aan het
aangehaalde voorbeeld van de Joden.
Misschien zal dit systeem niet zo volledig uitgebouwd zijn als het voorgestelde
proces, hoewel de Joden eveneens hun bezoeken organiseren, Maar het houdt,
volgens ons, vooral meer kansen tot realisatie in. Het doet ook minder
kunstmatig aan.
De stervens- en rouwbegeleiding wordt gewoon een deel van de menselijke taken
tegenover de medemens. De mens leeft van relaties met zijn omgeving. Die
omgeving moet dan zijn verantwoordelijkheid in solidariteit opnemen. Zo verhindert men dubbele
voorzieningen, het plots opduiken van vreemde personen op kritieke momenten en
het plots wegvallen van vroeger bestaande relaties. Na het verwerken van de rouw
is het dan ook niet meer nodig opnieuw andere relaties op te bouwen.
M. P. Danhieux