Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1977,
nummer 1
"Rond het sterven."

DE MENS VRAAGT HULP.

I VERANDERENDE OPVATTINGEN OVER DE DOOD.

Verschillende nieuwe stromingen stellen het beeld van de dood in een ander daglicht. Het doodsbeleven is tenslotte een product van cultuurpatroon, opvoeding, wetenschap, geloof ( ongeloof),
Anderzijds denkt men dan aan medische vooruitgang. Een arts kan het leven rekken of stoppen door "een behandeling te verrichten of te staken. Het groeiend aantal bejaarden brengt meer ervaring met demente ouderlingen met zich mee.
De wijsbegeerte over de dood loopt in een moderne richting Heidegger ziet in zijn existentialisme de dood als de voltooiing van het leven.

Er is tevens een theologische factor: Paulus zag de dood als de: straf voor de zonde. Professor Kuitert verklaart: "Er is geen leven zonder dood". In dit licht wordt een orgaantransplantatie gezien als de dood in dienst van de naaste en de vooruitgang anderen ervaren de religieuze opvatting over de dood als een kunstmatige compensatie voor de zinloosheid van de dood.
Tenslotte zijn abortus en euthanasie zo'n dwingende begrippen geworden dat zelfs de politiek er aandacht begint aan te besteden.

Een mens leeft lichamelijk, emotioneel en geestelijk, in een sociale context, die kan genezen of ziek maken. De mens deelt zijn gezondheid met anderen. Er is een evolutie te merken in de eerbied tot het leven.
Vroeger werden drie situaties aangenomen, waarin een mens mocht beschikken over het leven van anderen: de doodstraf, de rechtvaardige oorlog en doden uit zelfverdediging.
Thans zijn er heel wat meningsverschillen en vooral negatieve reacties voor wat de eerste twee betreft. De maatschappij klaagt zijn leden zelfs in totaal nieuwe situaties aan: denken we aan wangedrag in het verkeer, milieuverontreiniging, alcohol - en drugmisbruik,

Het probleem van de dood is het probleem van loslaten: zowel voor de rouwende, als voor de stervende, dit dan op het extreme niveau.
De secularisatie, individualisatie, langere levensduur en verlies van decorum, hebben wel de verschijningsvorm rond de dood veranderd. De grondhouding bij de mens bleef echter voor een groot deel onveranderd, zodat hij met nog grotere moeilijkheden achterblijft, zolang er geen begeleiding komt.
Freud beschrijft de doodsangst als een oerangst, die dikwijls ook in sprookjes voorkomen ( verlaten worden.). Ook de castratieangst brengt hij hiermee in verband ( man net de zeis ).
John Poully, een Engels psychiater, vergelijkt het stervensproces langs de libidotheorie een mens moet opnieuw het proces van onthechting van de moeder doormaken. Hij investeert energie, liefde en vitaliteit in een voorwerp van liefde, moet dit opnieuw losmaken en zich elders hechten ( zowel voor de stervende als de nabestaande ).

Het besef van sterfelijkheid op zichzelf blijft pijnlijk. Daarom bouwt de mens Ur-defenses op, zegt Masserman:

  • Hij beleeft een geïndividualiseerde ontkenning van de dood en de eigen dood ( vb.geloof in de hemel ).

  • Hij gelooft in het belang van het voortleven van een
    nageslacht, bezit, prestaties of een naam

  • Hij gelooft in de voortzetting van het streven naar
    ideële, sociale doelen door anderen ( vb. voortbestaan
    van een volk, klassenstrijd ...)

Soms gaat de Ur-defense ten onder aan de doorbraak van insufficiëntie en schuldgevoelens ( gebruik van L.S.D. nodeloze risiconemers ). Men ziet hen als het ware het godsoordeel uitlokken uit angstreactie om ondraaglijke spanningen te doorbreken. Minderwaardigheidsgevoelens worden geprojecteerd op buren of een ras. De discriminatie is geboren: het is de projectie van de oorzaak, van de vermeende bedreiging van het bestaan op een andere groep.

De voorzieningen? Klassenstrijd of machtsuitoefening van heersende elites, voor zichzelf eisen stellen die ten koste vallen van een menswaardige verzorging van debielen gestoorde bejaarden...; ernstig de mogelijkheid nagaan van het eindigen van huns inziens "Lebensunwerte Leben" door actieve euthanasie. (Prof.Nuyens).

Zo dreigt het recht op menswaardig leven eerst uitgebreid te worden tot menswaardige dood en algauw te verkeren in een plicht tot sterven op grond van ras ( Nazi ), armoede ziekte, leeftijd, maar ook politieke of subculturele deviatie.
In verband met euthanasie blijkt uit de praktijk van Dr Michiels dat de vraag zich allerminst stelt vanwege de stervende zelf.

De arts loopt met de gewetensvraag: "Moet ik het zolang laten duren?" De verplegenden of de familie projecteren al eens hun eigen problemen op de patiënt: zij kunnen de spanning of de afkeer niet meer aan.

Komt de vraag van de patiënt zelf, dan betekent zij meestal; ik kan het "ziek-zijn" niet meer aan. Wordt er dan gezocht naar een oplossing voor bepaalde ongemakken of zelfs familiale moeilijkheden, dan blijkt er helemaal geen vraag meer te zijn.

Euthanasie voor zwaar gehandicapten is, volgens Dr Michiels slechts het bestrijden van symptomen. Eerder moet er veel meer aandacht gaan naar de studie van de erfelijkheidsleer. Trouwens blijkt de huidige mode om hierover te praten eerder geïnduceerd te zijn, dan wel echt probleem van de gemeenschap uit te maken.

Een vraag die we ons hierbij tevens ernstig stellen is: waar ligt de grens? Waar eindigt dit? In hoeverre kan een terminale zieke, met een grote levensdrang, veilig zijn in een wereld waar euthanasie normaal wordt geïntegreerd? In hoeverre zal de mentaliteitsverandering doorgevoerd worden zodat de materiële mogelijkheden nog voor handen zijn en familie of anderen bereid zijn tot verzorging.

De dood wordt als situationeel gegeven voor menselijk handelen genegeerd: men praat er niet over, men verdringt het.
Dit komt in zijn absurditeit op extreme wijze tot uitdrukking in de oprichting van "The life extention society" ( USA ) waar men zich voor 60.000 dollar kon laten invriezen.
Door de secularisatie wordt het steeds problematischer om een zin te vinden voor de dood: de samenleving neutraliseert dus dit storende, ontredderende fenomeen, door het te camoufleren.

Ook in ziekenhuizen wordt gecamoufleerd: stervenden verdwijnen uit de ziekenzaal; het dodenhuisje wordt ergens verdoken ingericht. De verplegenden vertoeven zo weinig mogelijk bij stervenden. Tot nu toe is er in een ziekenhuis nog maar weinig sprake van begeleiding bij het stervan: men sterf er niet, men gaat er dood.

II BEGELEIDING BIJ HET STERVEN EN DE ROUW.

Stervenshulp is levenshulp in een bepaalde fase van het leven: men helpt de mens zijn eigen dood sterven. Men helpt de familie de nakende dood verwerken. Stervenshulp kan men niet geven uit ervaring, uit zijn voorstellingsvermogen. Het gaat erom met de stervende en de familie het verloop mee te leven, te helpen uitspreken.
De stervende doorloopt verschillende stadia. De familie moet betrokken worden in de begeleiding van de terminale fase van het ziek zijn: het zal hen dan helpen bij het verwerken van de rouwperiode.

De fase van onwetendheid kan plots gestoord worden door buitenstaanders. De duur hangt af van de verwachte duur van de ziekte. Hier moet de begeleider reeds oppassen dat de stervende niet ervaart aan de houding van de omgeving, wat er gaande is. Te lange spanning is nooit goed te verwerken.

Onzekerheid volgt. De patiënt zoekt zekerheid (positieve) bij verre familie, vreemden, verplegenden. Hij wenst geen negatieve inlichtingen van familie die op de hoogte is. Dit wordt soms zeer pijnlijk ervaren door ouders, echtgenoten of kinderen en de aandacht van de begeleider zal vooral naar hen moeten gaan. Zij ervaren niet alleen het pijnlijke van de zekere dood, maar tegelijkertijd de afwijzing door de zieke.
Eens ingelicht over de toestand, ontkent de terminale zieke; ook dikwijls de familie. Zij ondergaan het als een verdoving.; zij vluchten. Dit moet hun gegund worden, maar de uiteindelijke aanvaarding blijft de begeleider voor ogen houden.
Hierop volgt opstandigheid, hoewel dit eigenlijk in alle fazen kan voorkomen. Zij richt zich meestal eerst op de arts, zowel vanwege de patiënt als van de familie: hij deed niet al wat in zijn mogelijkheden lag. Later wordt opnieuw de familie het slachtoffer: de begeleider moet . opnieuw zijn aandacht verdelen. Hier kan een echte vertrouwenscrisis ontstaan met de familie, omwille van de verwijten, terwijl beide partijen elkaar zo nodig hebben in deze periode.

Tijdens de volgende depressie bereiden de stervende en de familie zich voor op het onvermijdelijke. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun verdriet te uiten. Dit eist van de begeleider zeer veel geduld. Het is ook de moeilijkste fase, die het risico inhoudt, gefixeerd te blijven. Meestal echter worden de mensen opgebeurd, zonder de kans te krijgen uit te.huilen.
Zo komen zij anders niet tot aanvaarding. Deze gaat echter nog steeds gepaard met een sprankje hoop. In deze fase kunnen de zieke en de nabestaanden elkaar helpen, zonder begeleider. Hij blijft echter in de buurt voor mogelijke inzinkingen. Nu kan de ziele nog regelen wat hij noodzakelijk acht voor de achterblijvende familie. Voor zelfstandigen kan dit zeer belangrijk zijn. Oude relatiemoeilijkheden kunnen nog uitgewist worden. De periode van aanvaarding mag ook niet te lang duren. Zelfs in de meest positieve gevallen kan het moeilijk worden, wanneer het wachten op de dood te lang gaat duren. Daarom moet met statistieken de eventuele duur van het stervensproces voor bepaalde ziekten wetenschappelijk opgezocht worden.

Het verloop van het proces is trouwens verschillend voor alle mensen. Het afscheid van het leven valt jonge mensen en kortstondige zieken veel zwaarder, achterlaten van familie is erger voor gehuwden met jonge kinderen of gezinnen met problemen. Het komt er inderdaad op aan de mens te helpen zijn eigen dood te sterven.

Eens de dood ingetreden, begint het rouwproces met opnieuw zijn moeilijkheden. Zij lopen voor een deel samen met het stervensproces. Ook hier is er slechts weinig hulpverlening voorzien.

De Grieken kenden "Les pleureuses". Bij hen werd huilen sociaal getolereerd. Er was een mogelijkheid van afreageren en tezelfdertijd van afweren tegen de dood.
De Joden spreken nu nog steeds af bij kennissen en vrienden om eik op een ander ogenblik de nabestaanden op, te zoeken.
Op deze manier komt de familie ertoe het verdriet door te praten en te verwerken. Hun opvoeding leert de waarde van het uitdrukken van droefheid en geeft er middelen toe, Dit is zeer belangrijk want in onze maatschappij is rouwen een miskend proces geworden de nadruk wordt onmiddellijk gelegd op het leven dat doorgaat. De familie krijgt de tijd niet om te rouwen,

In onze cultuur wordt de dood weggeorganiseerd. Professor Niftrik spreekt van een bewijs voor de decadentie van onze cultuur in het feit dat de dood gecamoufleerd wordt. Scheler noemt onze tijd een doodsontkennende cultuurperiode ( bodybuilding ) met een doods - en stervenstaboe.
.De mens is zo bang voor de dood, dat de vrees voor de dood zelfs wordt weggevreesd. In deze maatschappij, met enerzijds drang naar weglaten van decorum. en anderzijds een doodstaboe, staat de betrokken mens voor zware moeilijkheden; temeer daar stervens- en rouwbegeleiding nog
niet voldoende is uitgebouwd om de taboes te overwinnen. Daarnaast menen wij dat het dalende sterftecijfer, dus de veranderende demografie, hierbij ook een rol speelt. De mensen komen minder met de dood in contact en weten dus niet zo goed hoe zich te gedragen.
Ouderen staan korter bij de realiteit van de dood dan een kind dat leven wil. In de opvoeding wordt er meestal weinig gezegd over de dood. Het gevaar is dat het kind, wanneer het ouder wordt, geconfronteerd wordt met.geweld en oorlogen, plots ervaart dat het leven zinloos is. Nochtans hebben kinderen reeds bereikt waar volwassenen naartoe groeien: oud worden of een ongeluk hebben de dood als gevolg. Voor hen is het eenvoudig. Soms voelen ze het zelf als niet meer natuurlijk aan: dan spreken ze van "iemand of iets is doodgemaakt".
Erger is het wanneer het kind niet werd voorbereid op de confrontatie met de dood of wanneer het om een persoon gaat die een grote plaats innam in zijn leven. Meestal echter is zijn incasseringsvermogen en zijn geestelijke draagkracht groter dan de volwassenen, met hun anders gegroeid emotioneel leven, denken. Belangrijk blijft natuurlijk de opvoeding. Het kind moet bij alle facetten van het leven betrokken worden: dus ook bij de dood. Door de eigen angst kunnen de volwassenen echter ongezonde gevoelens meegeven. Het kind leert dan geen of een verkeerde houding aannemen. Het mag deelhebben aan de gevoelens die hem omringen; alleen moet het bedacht en rustig gebeuren, zonder te overstelpen.
Citeren wij verder Huizinga: "Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het leed...zij ritmiseren de smart."

In onze huidige rouw met weinig riten valt de sociale vormgeving die het verschijnsel hanteerbaar maakte voor een groot deel weg. Nu streeft men ernaar dat de gevoelens de leidraad voor de vorm moeten zijn. De communicatie tussen de nabestaanden en de condolerende was geleid. Nu staat men voor een vraagteken betreffende de wensen van de familie: bezoek of geen bezoek...

Heel deze verandering wijst op een tekort in het cultuurpatroon. De huidige mens heeft niet geleerd om gevoelens te uiten. Onze opvoeding leert dat een man stoer en flink moet zijn. Hij mag niet huilen. Een vrouw mag dit wel, maar niet te lang, anders weet de omgeving zijn houding niet meer te bepalen. Zo komt dat een rouwende familie een plotse vermindering van sociale contacten kan krijgen, op het ogenblik dat er juist meer steun nodig is;
Welke houding nemen ouders tegenover hun kinderen aan, wanneer er een overledene in de familie is? Meestal wordt het verzwegen, terwijl het kind toch een aantal reacties opvangt die het niet begrijpt. Wanneer het dan later toch op de hoogte wordt gesteld ontstaat er dikwijls vrees: het kind wil die woning niet binnengaan...met in het achterhoofd de toen niet verklaarbare droevige reacties van zijn ouders.

Dikwijls wordt de rouwende gezegd zich flink te houden, verder te leven. Deze persoon tracht dit dan ook te doen, met het gevolg dat alle gevoelens zich opstapelen, maar zeker niet verwerkt worden. Een begrafenis gaat meestal ook gepaard met zeer materiële beslommeringen die eveneens de vlucht uit de werkelijkheid kunnen bevorderen erfenissen, pensioenen en successen.

Veel hangt af van de opvoeding die men kreeg, welke emoties zijn toegelaten, hoe ligt de code van het gezin, waarover mag gesproken worden? Wanneer negatieve, pijnlijke gevoelens niet toegelaten zijn,. hebben de leden van dergelijk gezin het erg moeilijk wanneer zij zelf in aanraking komen met een sterfgeval thuis, of wanneer zij als condolerende een bezoek brengen. Van deze opvoeding hangt ook af in hoeverre men na een sterfgeval op eigen voeten kan staan of tot niets meer in staat blijkt te zijn. Zo toonde een studie bij weduwen verricht door Bolwy aan dat veel alleenstaande vrouwen van rond vijftig jaar, na een tijd rouw, als het ware opnieuw begonnen te leven. Zij vertoonden zich terug in het openbaar, alsof ze zich eindelijk verlost voelden van de sleur van de huishouding waarin de maatschappij hen gedrukt had. Dezelfde maatschappij, die een stoere houding verwacht om het zichzelf gemakkelijker te maken, houdt ook veel meer van eeuwig rouwende weduwen op het graf van hun man.

De druk van de omgeving kan ook zwaar vallen. Dit valt vooral op in kleine gemeenten. Jonge weduwen met kinderen worden blijvend bespied; zij moeten zich opofferen en mogen zeker geen contact zoeken met mannen.

Psychologisch duurt de beleving van rouw ongeveer een jaar. Nadien moet een gezond functionerende mens er voor een deel overheen zijn gekomen.
Uitzonderingen hierop worden pathologische rouw genoemd. Dit komt voor wanneer de relaties met de overleden eveneens pathologisch lagen.

Op een kerkhof verwacht men huilende mensen te ontmoeten. Ik herinner mij echter uit de praktijk twee gevallen waar dit niet voorkwam. Nochtans is slechts in het eerste voorbeeld van pathologische rouw sprake.
Een jong meisje uit een patriarchaal gezin, was verloofd met een jongeman waarvan haar vader niet horen wilde. Moeder was overleden en de vader was jaren zwaar gehandicapt. Het meisje stopte de verloving voor vader en verzorgde hem tot aan zijn dood. Het geval kwam bij de dienst terecht op het ogenblik dat de vrouw reeds jaren gehuwd was met een alcoholist die regelmatig wegbleef om met andere vrouwen mee te gaan. In de woonkamer stonden steeds verse bloemen bij de opvallend grote foto van de vader die het hele huis domineerde. Zij verklaarde dat hij de enige man was die ze ooit bemind had maar dat zij bij zijn graf niet had kunnen huilen. Nadien bleek dat zij gevoelens van opluchting heeft moeten voelen bij het overlijden van haar vader, welke zij niet kon aanvaarden. Iedereen in de buurt vond het immers zo erg voor haar. Kort nadien ontmoette zij opnieuw de verloofde. Bij een uitstap werd zij echter plots verlamd. Zij verbrak de contacten, het verschijnsel verdween en zij huwde nadien haar huidige man, alles was een voortzetting van zelfbestraffing, schuldgevoelens om haar onbetamelijke opluchting Na een tijd frequente contacten met de maatschappelijke assistente kwam zij ertoe haar man te verlaten.
Zij heeft nadien nog haar vroegere verloofde, intussen gehuwd, ontmoet en hem uiteindelijk op een gezonde manier kunnen afwijzen.
Uit dit voorbeeld blijkt eveneens de invloed van de opvoeding.

Een andere vrouw, gehuwd met een bestuurder bij zeer zwaar vervoer en moeder van twee kinderen, heeft het totaal anders ervaren, Haar man werd het slachtoffer van een werkongeval. 0e dienst zocht contact om te zien of er geen problemen op te vangen waren. Op de kast in de huiskamer stond een grote kermispop met de pet van de man scheef op het oor. Het huis daverde onder de pop-muziek. Twee weken na het overlijden voelde de vrouw helemaal geen behoefte aan meeleven. Zij kon haar gevoelens van opluchting ook uiten. Enige woede om in de steek gelaten te zijn met twee kinderen sprak zij ook uit. Zij durfde zeggen genoeg van haar man te hebben gehad, van zijn seksuele behoeften en wens naar kinderen. Zij voelde zich eindelijk opgelucht en kon dit aanvaarden van zichzelf. Dit is een gezonde reactie in tegenstelling met de eerste.

Dikwijls zitten er schuldgevoelens vast aan de rouw; zij worden herhaaldelijk pathologisch verwerkt: verlammingen, ziek worden. Dit hangt ook af van het soort rouw. Bij de dood van een gehandicapt kind komen ze veelvuldig voor, dikwijls nog versterkt omdat de ouders er reeds mee zaten tijdens het leven van het kind.
Rouw bijeen overleden echtgenoot of echtgenote is anders dan deze bijeen ouder. De nabestaande staat niet alleen voor sterke gevoelens van droefheid, eenzaamheid, maar moet meestal tegelijkertijd een aantal functies bij overnemen die. de beginperiode nog overladen.

De beleving van de rouw verloopt in drie stadia:

  • het protest,'gepaard aan een vraag om aandacht en het verwijt in de steek gelaten te zijn. Pathologische verwerkingen hiervan zijn: het vluchten van de realiteit, alles bewaren in de oorspronkelijke toestand en projectieverschijnselen.

  • de wanhoop, met het steeds hervertellen, herbeleven om tot verwerken te komen. Wanneer niet alle pijn wordt doorleefd, duikt een chronische depressie op.

  • de onthechting, het loskomen van de overledene, het leggen van nieuwe contacten. Pathologisch wordt dit gelatenheid en-vastklampen aan de overblijvenden.

Psycho-genetisch werden wij niet opgevoed om verdriet op te vangen of te verwerken. De rouwende mens ervaart bij het uiten van zijn verdriet angst om afhankelijk te worden van anderen, om zichzelf niet in handen te hebben en om in zijn trots gekrenkt te worden. Hij moet ervaren dat zijn leven mag doorgaan. Zijn omgeving moet er durven over praten om de gelegenheid te geven af te reageren en te verwerken.

BESLUITEN

Wij hopen uit het voorgaande duidelijk aangetoond te hebben dat de mens rond het sterven met heel wat moeilijkheden moet afrekenen.

In onze gecompliceerde wereld moeten wij leren steeds meer aandacht te geven aan elkaar om te kunnen optornen tegen de gestelde eisen.

Wij mogen onze medemens niet alleen laten rond de dood. Het is geen mensonwaardige situatie, het is inherent. Trouwens, bedenken wij even, dat ook wij vroeg of laat in dezelfde situatie terecht komen.

Om die begeleiding in welke zin wij het ook opvatten, te kunnen verzekeren, is het zeker vereist zelf de angst en afkeer van de dood te hebben verwerkt. Zoniet brengen wij geen hulp; integendeel, dan hebben wij er zelf nood aan..
Wie dit kan verzekeren, willen wij persoonlijk zeer ruim stellen. Wanneer we de auteurs volgen, komen wij tot de vaststelling dat, naar hun eisen, praktisch een beroepspersoon noodzakelijk is. Hierbij denken wij aan de te spenderen tijd en de persoonlijkheidsvereiste. Daarbij, menen wij, denken zij niet aan bepaalde beroepskrachten. Volgens hun eisen kunnen hieraan voldoen: geestelijke leiders, verpleegsters, maatschappelijke werkers, psychologen of vrijgestelde personen met voldoende psychologisch inzicht voor de menselijke noden. Zij moeten ook over veel geduld beschikken en enige noties hebben van gesprekstechnieken.

Dit alles zouden wij eerder als de ideale situatie voorstellen, terwijl in de praktijk duidelijk is, dat dergelijke voorziening niet aanwezig is en nog lang op zich zal laten wachten.
Eerder denken wij hier aan een taak voor de opvoeding.
Van in de kinderperioden moeten wij leren onze gevoelens uiten en waarderen. Automatisch zullen wij als volwassenen later hulp krijgen bij het verwerken en uitspreken van verdriet en alle emoties. Hierbij denken wij vooral aan het aangehaalde voorbeeld van de Joden.

Misschien zal dit systeem niet zo volledig uitgebouwd zijn als het voorgestelde proces, hoewel de Joden eveneens hun bezoeken organiseren, Maar het houdt, volgens ons, vooral meer kansen tot realisatie in. Het doet ook minder kunstmatig aan.
De stervens- en rouwbegeleiding wordt gewoon een deel van de menselijke taken tegenover de medemens. De mens leeft van relaties met zijn omgeving. Die omgeving moet dan zijn verantwoordelijkheid in solidariteit opnemen. Zo verhindert men dubbele voorzieningen, het plots opduiken van vreemde personen op kritieke momenten en het plots wegvallen van vroeger bestaande relaties. Na het verwerken van de rouw is het dan ook niet meer nodig opnieuw andere relaties op te bouwen.
 

M. P. Danhieux

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany