|
Men schreef 1904.
Zwoel, warm was het die dag. De boeren keken naar de zon die bijna in het zuiden
stond; 't was bijna middag. Ze voelden het aan hun hongerige magen maar de vrouwen en mannen
zwoegden in de hete zon om toch nog wat meer gedaan te hebben vóór de klok 12 uur zou slaan.
Eensklaps hoorde men de kerkklok luiden; eenieder spitste de oren en hun eerste gedachte was,
een dode in het dorp; maar neen, dit was de doodsklok niet, het was de noodklok. De angst sloeg
hun om het hart.
God, waar of bij wie was er brand? Hun ogen zochten de daken af, elkeen in
gedachte bij zijn woning. Toen zagen zij ineens, dicht bij de kerk, de rookzuil.
Iedereen repte
zich ter plaatse om te helpen, waar er nog kon geholpen worden. Toen men er ter plaatse kwam,
waren de Zusterkens van de school de koeien uit de stal aan het sleuren, die steeds terug de
stal in wilden. Met verenigde krachten bracht men dan toch het vee in veiligheid.
Heintje, de eigenaar van de rampplaats was ook, net als al de anderen bij het horen van de
noodklok, naar huis gegaan. Toen hij echter bemerkte dat zijn huis in brand stond, weigerden
zijn benen hem nog verder te dragen, geen voet kon hij nog verplaatsen.
Toen zag hij ineens zijn
vrouw, die probeerde de kist met kleren en geld uit het brandend huis te sleuren. Toen schoot hij
toe om te helpen en om te redden wat er nog te redden viel, maar de oude muren boden weinig
weerstand en de houten plafonds waren een gulzige prooi voor de vlammen.
Een uur later stonden er
nog enkele stukken zwartberookte muren. Heintje en Roos keken met lede ogen naar al die verwoesting, maar ze dankten God dat ze nog alle drie in leven waren en het vee gered was.
Heintje nam Marieken op zijn arm en samen met zijn vrouw gingen ze de nacht
doorbrengen bij familie.
Morgen zouden ze een huisje huren.
Ze waren jong en sterk, ze zouden zich wel redden.
Na enkele maanden zouden ze beginnen opruimen om terug op te bouwen.
Drie flinke mannen werden geschraagd om samen alles op te ruimen met bekwame
spoed want nog vóór de winter moesten huis en stallen er terug staan. Een kelder
was er vroeger nooit geweest maar nu zouden ze er toch een maken.
Roos, de vrouw van Heintje, vertelde aan de mannen dat ze wel een kuil hadden, een gemetseld
gat van ongeveer 2 m lang, 1 m breed en 1,2 m diep, die in de grond onder de zulling van de
voerij gemetseld was.
Daar bewaarde men de aardappelen tegen de vorst.
Maar, beweerde Roos,
het was een spookkuil.
Als men zijn handen erin stak, was het net alsof je handen omlaag gezogen
werden, en hoe dieper hoe erger, zegde ze.
Ja, die spookkuil zal nu gelukkig niet meer bestaan
en ze wees de mannen de plaats aan waar die zich bevond.
Toen nu de mannen de spookkuil begonnen
uit te breken, waren ze niet helemaal op hun gemak, de woorden van de vrouw hadden ze niet
vergeten. Toen Heintje die avond kwam kijken hoe het werk vorderde, was hij stomverbaasd de
mannen stomdronken aan te treffen.
Ze verklaarden in een wartaal, dat de spookkuil die zijn geheim
had prijsgegeven, geen spook had maar een gouden marbel.
Meer kreeg Heintje er niet uit.
Hij bedacht op tijd dat het beter was de mannen gerust te laten dan nu ruzie te krijgen.
Morgen was er terug een dag om alles op te lossen en Heintje ging zijn wedervaren bij zijn vrouw
vertellen.
's Anderendaags 's morgens ging Roos naar de winkel om zout, suiker en koffie te kopen. Daar
vertelde de winkelierster dat de werklieden de dag voordien drie flessen jenever waren konen
kopen en met een goudstuk, een echte Napoleon van 20 f, hadden betaald.
Toen vertelde Loos wat
haar man gezien en vernomen had. Waar hadden ze toch dat goudstuk gehaald?
Dit was een raadsel;
van bij hen thuis, dat was uitgesloten, men bracht toch geen goudstuk mee om jenever te kopen.
In 't lang en in 't breed werd er nog over nagepraat zonder echter een oplossing te vinden.
Halfweg de voormiddag dronken Heintje, Roos en klein Marieken de koffie.
Opeens kwamen de drie
mannen lachend binnen.
Eén ervan had een oude stoofpot in zijn handen, langs onder dicht geplakt
met leem. Heintje en Roos keken verwonderd naar de mannen.
Deze lachten en hadden een gezicht op
van een halve maan.
De eerste zegde: "We brengen U een gouden marbel uit de spookkuil" en ze
zetten de stoofpot op de tafel tussen het brood en de tassen.
De tweede deed er een greep in en
liet de goudstukken er terug in rinkelen. Heintje en Loos zaten daar stomverbaasd en hun mond
viel open van verbazing.
De derde zegde: "Eén stuk is er tekort. Dat hebben we gisteren gewisseld
en een stuk in onze voeten geschonken, de verleiding was te groot bij het zien van al die
goudstukken".
Toen Heintje en Roos wat bekomen waren, wisten ze eerst niet wat zeggen. Toen werd
de fles jenever bijgehaald om een flinke borrel te drinken.
De goudstukken werden met schitterende ogen geteld. Ze vonden er juist geteld 500 gouden Napoleons
in.
Heintje vertelde toen dat de ouders van zijn eerste vrouw, die gestorven was kort na de
geboorte van Marieken, de naam hadden er warm in te zitten. Maar toen de moeder als laatste
stierf aan een beroerte, wilde ze kort voor haar dood steeds iets zeggen maar kon niet meer en
stierf, waarbij ze haar geheim meenam in het giraf.
Nu na zovele jaren, bracht het toeval door
de brand alles aan het licht en werd de schat gevonden.
Roos stelde voor de voogd van Marieken te verwittigen en alzo werd het grootste deel van de
goudstukken vastgezet op de naam van Marieken als moedersdeel.
Het kind wist toen nog niet welk groot geluk haar ten deel gevallen was,
gebracht door de eerlijke vinders.
Nu had de spookkuil haar geheim prijsgegeven en was de ramp
toch nog voor iets goed geweest.
Novelle geschreven naar oude verhalen over feiten, die in
1904 in Neervelp gebeurd zijn.
Edith Schelles - Decoene |