Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1977,
nummer 3
"De staartmees."

De meeste mensen kennen ongetwijfeld de kool- en de pimpelmees, maar de veel onopvallender levende staartmees is voor de meesten een onbekende.
De meeste mezen behoren tot het geslacht Parus maar de staartmees tot het geslacht Aegithalos; ze zijn dus maar ver verwant en het moet voor de meeste mensen wel vreemd zijn dat bijvoorbeeld een koolmees een ver familielid is van de staartmees, het zijn inderdaad uiterlijk totaal verschillende vogels. Wetenschappelijk luidt de ganse naam Aegithalos caudatus d.i. met een staart, het verwondert ons dan ook niet dat ze wel eens langstaartje genoemd wordt.
In het Duits heet ze Schwanzmeise, in het engels Longtailed tit en in het frans Mésange à queue longue. Zelden betekenen de benamingen van een vogel in de verschillende talen precies hetzelfde, maar dat kon moeilijk anders vermits de staartmees van 14 cm slechts die lengte bereikt dank zij haar 7 cm lange staart.

Wie eenmaal de staartmees herkend heeft, kan ze onmogelijk nog met een andere vogel verwarren. Mannetje en wijfje zijn net hetzelfde gekleurd.
Drie kleuren tekenen de hele vogel: zwart, wit en roze; deze laatste tint komt bij geen andere mees voor.
Wit zijn de borst, het midden van de kruin en de zijkanten van de kop evenals de buitenste staartpennen.
Zwart zijn grotendeels de staart, de rug en de zijkanten van de kop; roze zijn de schouders, de stuit en de onderbuik. Let er wel op dat deze kleuren nooit fel afgelijnd zijn maar integendeel in mekaar overlopen. De zwarte strepen aan de zijkanten van de kop zijn het meest uitgesproken bij onze broedvogels maar er bestaan ondersoorten waarbij de ganse kop wit is; deze noordeuropese vorm komt hier echter niet voor.

De staartmees is verspreid over bijna gans Europa, het uiterste noorden uitgezonderd. Het lijkt bijna onmogelijk dat zo een tenger vogeltje in staat is om de winter te overleven.
Rusteloos zwerven ze in het koude seizoen rond in bossen, in groepen waarvan het aantal exemplaren erg varieert van enkele tot wel 40. Soms zit bij zo een troep ook een andere mezensoort in klein aantal: koolmees of pimpelmees en de matkop. Omgekeerd kunnen enkele staartmezen bij een groep andere mezen aansluiten. Bij zulke voedseltochten speuren ze onvermoeid naar allerlei insecten op struiken, takken en takjes, soms zelfs op de grond. Ze behoren werkelijk tot de insectenbestrijdingsdienst. Bij zo een tocht zijn ze luidruchtiger dan anders; om met elkaar in contact te blijven en niet van de groep af te dwalen geven ze elkaars positie op met een kenmerkend geluid dat klinkt als tsrrr of tsfrr.
Dit rondtrekken gebeurt tegen een bepaald tempo maar niet in een bepaalde richting; het is meer een rondzwerven, waarbij toevallig verder gevlogen exemplaren de volgende enkele meters verder lokken.
Zo kun je als je stil bent zo een groep langs je heen laten trekken; als je dan echt stil bent, merken ze je nauwelijks op en kunnen zelfs binnen een meter afstand komen. Zo kun je een groep op een wandeling wel eens een paar keer ontmoeten. Het zou kunnen dat op het einde van februari als de groepen langzaam uiteenvallen, nog in de groep de koppels van het broedseizoen gevormd worden.

Vele zaken weet men nog niet zoals: wie kiest het territorium uit? De veronderstelling werd geopperd dat een groep alleen uit de familieleden van het voorgaande jaar zou bestaan, wat me erg onwaarschijnlijk lijkt gezien de wisselvalligheid in grootte van de groepen.
Wie in een bosrijke streek woont kan al eens een exemplaar op bezoek krijgen in zijn tuin en als er daar wat coniferen staan is de mogelijkheid van een broedgeval niet onmogelijk.

De nesten heb ik meest gevonden vanaf begin april; een tweede broedsel volgt nog in juni. Ik heb nesten gevonden in neerhangende bosranken, in een kleine sitkaspar in het Walenbos, in de onderste tak van een kerstspar te Boutersem, in een klimopstruweel tegen een canada in Schubbeek, in een jeneverbesstruik (Juniperus chinensis) in vele tuinen te vinden.
Het nest ligt altijd tussen 1 tot 3 m hoogte. Dit nest is overigens een waar kunstwerk, meestal door de beide ouders gemaakt. Iedereen kent wel het nest van de winterkoning, daar lijkt het in vorm op maar het is kleiner ongeveer de grootte van een gebalde vuist. Het is geweven met vooral mos, bijeengehouden door spinsel van insecten en plantenpluis.
Tegen een boomstam valt het bijna niet op.
Bovenaan is een opening van een 3 cm (bij de winterkoning ligt de opening veel lager).
De binnenwand wordt gevoerd met veertjes en haren.
Aan dit vlechtwerk besteden de vogels wel 3 weken tijd.
Soms wordt de opening enigszins afgesloten door een grotere veer.
Het lijkt bijna onmogelijk dat het wijfje er in kan om te broeden, ze is trouwens verplicht om haar staart naast of over de rug te vouwen.
Het best kom je op het spoor van een nest bij de bouw of het voederen van de jongen. Dan laten de ouders bij nadering hun tsjrrr horen. Wie voorzichtig het nest nadert kan de hand voor de opening houden zodat de broedende vogel niet weg kan.
Ook het mannetje broedt wel eens maar minder dan het wijfje dat je kunt herkennen aan het verfomfaaide verenkleed en de verhakkelde staart.

Zoals alle mezensoorten legt deze vogel veel eieren: 8 tot 12 in het eerste broedsel en in het tweede 6 tot 8. De eieren zijn moeilijk te identificeren, ze gelijken op andere mezeneieren: een witachtige grondkleur waardoor je zelfs de dooier kunt zien. Bovenop liggen schaarse bruinrode vlekjes, bijna een gesloten krans vormend aan het stompe einde. Het nest is boordevol als 's nachts de beide vogels op het nest slapen, wat niet meer kan als de jongen opgroeien.
De broedduur is ongeveer 2 weken en na nog eens 2 weken vliegen ze uit. Beide ouders voederen ze. Na het uitkomen verblijft het gezelschap nog lang in de omgeving. In augustus wordt het ouderlijk verenkleed volledig vernieuwd. Hoewel het nest vrij stevig en uitstekend verborgen is, toch wordt het dikwijls geroofd, dit gevaar is het grootst in de voedertijd van de jongen. Het voortdurend over en weer vliegen moet dan aan rovers wel opvallen. Hoewel het ook stevig verankerd is, kan ook daar iets mislopen.

Ik heb eens een nest gevonden dat bovenaan gelost was en met de opening naar beneden hing, de jongen lagen verstijfd op de grond, 2 hingen nog half in het nest en die heb ik dan ook kunnen redden door het nest weer vast te maken. Vlak daarop waren de oudervogels weer daar met voedsel.
Het nest voor het tweede broedsel ligt steeds in de omgeving van het eerste behalve als het eerste geroofd werd, dan verdwijnen de ouders uit de omgeving.

Is deze vogel talrijk? In het Hageland ontbreekt hij alleen in de streken met te weinig begroeiing. Nergens is hij talrijk, één koppel per hectare kan wel eens overtroffen worden naar elders zal er wel een hectare zijn zonder.
Ik schat gemiddeld 1 paartje per hectare. Dat lijkt niet overeen te komen met de talrijke wintergroepen maar het is zeker dat een deel de winter niet overleeft.
De aantallen per streek blijven stabiel ondanks het feit dat er toch veel eieren gelegd worden, maar één derde wordt geroofd.
Ooit heb ik een nest gevonden dat uitgehakt was door een gaai.

Wie dus in een omgeving woont met struikgewas of bosjes doet er goed aan uit te kijken naar één van onze beste insectenbestrijders. Dit vogeltje verdient onze bewondering door zijn schoonheid, bouwkunst en prestaties, als je bedenkt dat 10 eieren 9,5 gram wegen en de vogel naar 8,5 gram!!!

 A. Roelants

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany