|
De moderne opvattingen over het inrichten van kerkhoven
buiten de onmiddellijke dorpskom, is eigenlijk niet zo nieuw, ook al kan de
motivatie daartoe verschillen. Tijdens het Romeinse bewind bv. was het onder
bedreiging met de doodstraf, verboden te begraven binnen het bewoonde gebied van
het dorp, dit omwille van bijgelovige en hygiënische redenen.
Hoe zijn dan de kerkhoven rond de kerk (kerk - hof) eigenlijk
ontstaan?
De oorsprong is tot de zeer vroege middeleeuwen terug te brengen.
Op bepaalde plaatsen breidde zich snel de roem van de overleden heiligen uit. En
haast gelijktijdig komen er twee bewegingen op gang:
-
De vroeg-middeleeuwse christenen trekken in grote getale op bedevaart naar die plaats. Ze willen
tevens zo dicht mogelijk bij de heilige begraven worden om bij het laatste oordeel, aan de "slip"
van de vereerde mee de hemel te hereiken.
-
Ook de Kerk wil zijn deel bijdragen tot de verering van de overleden heilige: zij bouwt een
heiligdom over het graf, in de crypte met een bedevaartgang, of het stoffelijk overschot wordt
als relikwie in een kerk geplaatst (latere periode). Zo vindt men nu nog op altaren schrijnen
met gebeenten van de ter plaatse vereerde heilige. De late middeleeuwer had voldoende aan een
stukje relikwie dat in het altaar werd aangebracht.
Een vraag die hierbij kan gesteld worden: waarom vindt men zo opvallend veel bronnen of "heilige"
bomen bij bedevaartsoorden?
Wanneer in de hoge middeleeuwen de trend naar de relikwiecultus vaste voet krijgt, grijpen zeer
veel relieken translaties naar voorchristelijke heilige oorden. Deze weren heel dikwijls rond
een heilige bron of boom (teken van leven) ontstaan. (Te Halle bv. werd alleen nog de stronk
teruggevonden van de boom, die volledig door de reliekenzucht vernield was). Door nabootsing zal
men ook op christelijke bedevaartsoorden, die niet teruggaan op een
prechristelijke cultus, een
gelijksoortige put graven (vb.put in de crypte van H. Hermes te Ronse, water van Lourdes). De
heilige geneest, de bron geeft eveneens leven. Beiden worden dus geïdentificeerd.
Een mooi voorbeeld van de wens te rusten naast een heilige, vindt men in het Duitse dorp Xanten,
op de Beneden-Rijn. De mare van de twee daar begraven martelaars deed vlug de ronde. Schippers op
de Boven-Rijn vonden regelmatig op een vlot het lijk van een overledene, met een geldstuk in de
mond. Dit was bedoeld om de diensten van de schipper te betalen, die verzocht werd het stoffelijk
overschot naar Xanten te brengen om bij de heiligen begraven te worden,
Gelijktijdig met het inbouwen van de heiligenverering binnen een heiligdom,
ontstond de
commercialisering errond. Vlug werd er gezorgd voor onderdak en voeding van de bedevaarders en
eventuele overdrijvingen, zoals ze nu nog bestaan.
Eens het heiligdom gebouwd, of de heilige overgebracht naar een kerk, was het niet lang meer
mogelijk bij de vereerde in de crypte begraven te worden. In die periode komen er dan teksten
voor in testamenten, waarbij de schrijver verzoekt begraven te worden "onder de drup van de goot
van de kerk". Korter kan het niet en op deze wijze is het onderzoekers mogelijk de omtrek, de
fundamenten van een eerste kerk, binnen een later gebouwde te ontdekken.
Op deze wijze ontstonden
dus de "hoven rond de kerk", de kerkhoven.
Enkele "gunstelingen" bleven wel de toelating krijgen om in de kerk begraven te worden. Men
ontdekt er graven van priesters, edelen en bezitters van kapelanijen. Rijke families betaalden
een eigen kapelaan, zij beschikten dan over een eigen altaar, zorgden zelf voor de benodigdheden
van het altaar, waar missen werden opgedragen voor hun zielenzaligheid. Zij mochten er dan ook
begraven worden.
Een kleine speurtocht in uw eigen parochiekerk zal u zeker bekende namen uit de
plaatselijke
geschiedenis opbrengen. Dergelijke graven zijn dus niet te verwarren met de
crypten, die aan de
oorsprong liggen van de kerkhoven.
M.P. Danhieux |