|
MEGALITHISCHE MONUMENTEN VAN BRETAGNE
CARNAC - LOCMARIAQUER - JULI 1976
Vorig jaar (Velpeleven, 1976, nr 4)
hebben wij een bijdrage gewijd aar de menhirs die wij tijdens ons verblijf
hebben kunnen bewonderen.
We schreven toen dat deze stenen zouden geïnspireerd geweest
zijn door de zon, die bij de primitieve volkeren het zinnebeeld van de godheid
moet geweest zijn.
Men neemt dan ook algemeen aan dat het bij de menhirs om religieuze monumenten
gaat.
|

Dolmen van Plomeur |
De dodenverering was het andere belangrijk ritueel element bij de primitieve
mens. Juist hierom waren de andere megalithische monumenten, die tot
begraafplaatsen dienden, toegewijd aan deze cultus.
Zij wijzen op een geloof, indien niet in een volledige onsterfelijkheid, dan
toch tenminste in een zielsverhuizing of in een reïncarnatie. Het feit dat op de
wanden van sommige van deze begraafplaatsen een andere godheid dan die van de
vruchtbaarheid voorgesteld wordt, alsmede de praktijk die er bestond een
"begrafenisuitzet" neer te zetten in die graven, die dan moest dienen om te
voorzien in de "lange reis"t naar het toekomstige leven, veronderstelt
klaarblijkelijk het geloof in of de gedachte aan een wedergeboorte.
De megalithische graven, die heel dikwijls gegroepeerd
voorkomen waren in feite "familiegraven" voor de stam en dit voor vele
generaties. In grote lijnen kan men twee categorieën van voorhistorische
begraafplaatsen onderscheiden.
-
1. De grotten - graven; deze ontstonden hetzij door een eenvoudige aanpassing van natuurlijke rotsen,
hetzij door het graven van kunstmatige grotten in de bodem. Deze soort van graven treft men niet
aan in Bretagne. Wij zullen ze dan ook niet nader beschrijven.
-
2. De grafkamers boven de grond gebouwd; om een zekere gelijkenis te vertonen met de echte
grotten, werden deze dan bedekt hetzij met aarde (tumulus), hetzij met stenen (=cairns).
Het wordt inderdaad algemeen aanvaard dat de natuurlijke grotten aan de oorsprong liggen van deze
grafarchitectuur.
In die landen waar geen natuurlijke holten bestonden, kon men, indien de rots
voldoende week was, kunstmatige grotten graven. Dit ging natuurlijk niet wanneer de rotsen te hard
waren, men bouwde dan zelf grafkamers.
Bij de bouw van zulke megalithische graafplaatsen heeft men
voorzeker gebruik gemaakt van hout. Dit laatste kon niet weerstaan aan de tand des
tijd en dit
verklaart dan ook in grote mate waarom deze megalithische graven momenteel schijnbaar onvolledig
of ingestort zijn.
Zoals bij de menhirs, waren bij de bouw van megalithische graven onontbeerlijk:
een hellend vlak, hefbomen en boomstammen. (Hiervoor verwijzen we naar het artikel over de
menhirs).
Bij de megalithische begraafplaatsen of grafkamers onderscheidt men verschillende typen.
Een van
de belangrijkste zijn de DOLMENS.
Het woord dolmen komt van de Bretoense uitdrukking "dol-men", hetgeen betekent: tafel van steen.
Een dolmen bestaat in hoofdzaak uit een cirkelvormige, een veelhoekige of gewoon vierkantige
kamer, bedekt met een grote steen en al of niet voorafgegaan door een gang of corridor (of
galerij).
Oorspronkelijk zouden deze dolmens ingebouwd geweest zijn in tamelijk hoge cirkelvormige tumuli
of cairns.
Men vindt ze terug langs de kusten van het Iberisch Schiereiland, in de Languedoc, maar vooral in
het zuiden van de Finistère in Bretagne.
De dolmens met gang vindt men in grote hoeveelheden terug in de Morbihan. De streek van Carnac en
Quiberon bevat er nu nog meer dan honderd. Ook Ierland en het westen en het noorden van de Britse
Eilanden herbergen vele dolmens.
Opvallend is dat deze dolmens en hun gangen dikwijls geplaveid zijn.
Soms zijn verschillende dolmens met elkaar verbonden in dezelfde tumulus of cairn bijv. de 3
dolmens van Mané - Lud te Carnac.
Dikwijls treft men op de binnenwanden van deze dolmens gravures aan; figuren van gepolijste stenen
bijlen, al of niet gesteeld, komen veel voor samen met tal van niet te ontcijferen arabesken.
Vele van deze gravures stellen silhouetten of gedeelten van zeer geschematiseerde menselijke
lichamen voor.
Indien nu het hoofd teruggebracht is tot een soort van kookpot of "marmite",
waarvan de hengsels de oren voorstellen of indien het ganse individu herleid is tot de voeten,
welnu het is quasi zeker dat het

hier gaat om vormen van een soort "beschermende godheid", deze
laatste wordt in de meeste megalithische begraafplaatsen teruggevonden en behoorde op het ogenblik
van de bouw der graven nog niet tot een bepaald geslacht.
Bekend zijn ondermeer de werkelijk mooie gravures van de beroemde dolmens van de "Table - des -
Marchands", de "Pierres - Plates" en van Mané - Lud te Locmariaquer, evenals die van Mané - Kerioned
en Kercado te Carnac.
Het bezoek aan deze streek heeft bij ons blijvende herinneringen nagelaten.
Meer naar het noorden, op het schiereiland van Quiberon, zijn de dolmens met gang
talrijk maar zij
zijn tamelijk eenvoudig van bouw.
In de Sud - Finistère treft men er slechts weinigen aan ( vb Kerléven ).
In de westelijk gelegen schiereilanden van de Finistère komen ze dan weer talrijk en meer
gegroepeerd voor, over het algemeen zijn ze evenwel hetzij totaal vernietigd., hetzij in een
tamelijk vervallen staat. Bekend zijn deze van Poulguen in Penmarc'h (met wandtekeningen) en die
van Ren. - Aour te Plomeur ( zie afbeelding.); deze laatste werd onlangs heropgericht naast
het "Musée Préhistorique Finistérien" in Penmarc'h. Dit museum bevat een schat aan voorhistorische
vondsten en wordt beheerd door de universiteit van Rennes; indien de mogelijkheid zich tijdens uw
verlof voordoet, raden wij U ten stelligste aan hier even binnen te wippen.

Een van de grootste cairns is die van Barnenez, gelegen op de top van het schiereiland van
Kernéléhen te Plouézoc'h; hij is 75 meters lang, 20 tot 25 breed en 6 tot 8 meters hoog. Hij
bestaat uit een reeks van 11 dolmens met (lange) toegangsgalerij, de ene naast de andere, maar
toch steeds van elkaar verschillend (zie afbeelding).
Een andere belangrijke groep van megalithische begraafplaatsen zijn de zogenaamde "Allées
couvertes", een soort van bedekte galerijen.
Zij zijn tamelijk talrijk in Bretagne.
Het meest eenvoudige type omvat één enkele langwerpige kamer met parallelle boorden en die
bedekt zijn met een serie van stenen tafels. De ingang kan zich opzij bevinden ( Trégastel , zie
afbeelding ) of aan één van de uiteinden ( Créhen ).

Deze monumenten, vooral dan deze die zich thans nog in goede staat bevinden, vertonen over het
algemeen een inwendig tussenschot, dat kan gevormd zijn door één of verschillende dwarse stenen
en dat twee ongelijk grote kamers scheidt.
In het geval dat deze twee ruimten volledig van elkaar gescheiden zijn, komt het vaak voor dat
de kleinste kamer absoluut geen ingang of ten hoogste een smalle voeg heeft. Voorbeelden hiervan
zijn legio, vooral dan in de Morbihan en de Finistère.
In sommige "Allées couvertes" treft men gegraveerde of gesculpteerde dallen aan; vooral de
godinmoeder wordt hierbij schematisch voorgesteld.
Het lijkt ons opportuun, na de beschrijving van de voornaamste typen van megalithische graven,
hun bestemming als begraafplaats aan te tonen. Vergeten we immers niet dat vóór anderhalve eeuw de
Kelten er de druïdenaltaren in zagen waarop mensenoffers gebracht werden, een mening die trouwens
thans nog door een zeker publiek wordt onderhouden.
Dat zulke megalithische graven werkelijk gebruikt werden als begraafplaatsen, heeft men kunnen
aantonen bij het onderzoek van ongeschonden exemplaren.
-
1. Wanneer de scheikundige samenstelling van de bodem het toeliet ( bodem en ondergrond niet zuur,
liefst alkalisch ) werden beenderen van menselijke oorsprong teruggevonden, zelfs vaak in grote
massa's (bv. de dolmens van Quiberon)
-
2. Een intakt gebleven megalithisch monument bevat bijna steeds hetgeen we zouden kunnen noemen een,
soort "uitzet" of "mobilier" dat, spijts de talrijke variaties, doet denken aan één of ander
begrafenisritueel.
Uit de grote hoeveelheden van gebeenten, die in de dolmens teruggevonden werden, kan men afleiden
dat deze megalithische begrafenisplaatsen gemeenschappelijke graven waren, tenminste dan toch dat
ze de resten van een zeker aantal individu's. groepeerden.
Het is natuurlijk mogelijk dat ze nog
gedurende vele eeuwen na hun oprichting, hebben blijven dienen als begraafplaatsen.
Zij hoorden in feite toe aan een clan, een dorpsgemeenschap:of aan een familie.
Het "mobilier" van zulk megalithisch graf bevat zowel wapens en huishouds- of landbouwartikelen
als voorwerpen die tot versiering dienden of bij bepaalde riten hoorden. Zelfs sporen van eetwaren
werden teruggevonden zo bijv. ontvleesde beenderen van dierlijke oorsprong, alsmede vazen gevuld
met granen of met vloeistoffen, die inmiddels verdampt moeten zijn.
Dit alles bewijst dat de overledenen ruimschoots voorzien werden voor de "grote reis".
Het feit
dat tal van voorwerpen, zelfs kostbare, gebroken werden, hetzij vrijwillig op het ogenblik van
hun achterlaten, hetzij als gevolg van het opruimen van deze plaatsen teneinde andere
begrafenissen mogelijk te maken, schijnt aan te tonen dat ze zuiver ritueel waren.
Tenslotte moet men er rekening mee houden dat tal van voorwerpen, in hout of been, in de loop der
tijden vergaan zijn.
De dolmens, evenals de menhirs, hier zo talrijk in Bretagne, zijn en blijven eerbiedwaardige
getuigen van een verdwenen beschaving.
Deze stenen, bijeengebracht en omgevormd tot begraafplaatsen, ofwel alleenstaand en rechtopstaand
als mysterieuze symbolen, zijn een van de meest treffende en misschien wel de belangrijkste getuigenissen in Europa en zelfs in de ganse wereld, die nagelaten werden door volksstammen, die in
feite reeds een quasi kompleet systeem van geloof en riten kenden.
Aldus dwingen deze grote stenen, die schril afsteken tegen de horizon, nu nog ( ze zullen het
altijd blijven doen ) de eerbied, de verbazing en de nieuwsgierigheid af van de enkeling die in
deze streek komt.
Bij ons hebben ze een onvergetelijke indruk nagelaten.
WERKGROEP GESCHIEDENIS
R„ GEYSENS
|