|
Voor wie de geplogenheden van de streek kent, is
het duidelijk dat iemand die de naam van "Fé van Rik van Wannes, Jan" draagt uit de parochie van
Sint Rochus komt.
Deze is de heilige die op zijn zijn blote bil, een wonde toont en vergezeld is
van een hond die een brood in de muil houdt, dat blijkbaar in de hoop der tijden zo hard geworden
is dat hij het niet meer kan inslikken.
Wat de naam aangaat, sommigen plaatsen met meer fantasie de Fé op het einde en het wordt dan "Rik
van Wannes, Jannes, Fé". Hier zegt men Fé van Rikkes of gewoonweg "de Fé".
Hij was een bonkige
kerel met rode stierenek, zware wenkbrauwen en een langafhangende snor zoals bij de oude Galliers.
Een keuterboer die zijn koespan mende als een cowboy. Stevig op de gespreide benen, stond hij
kaarsrecht op zijn wagen, hield in de linkerhand de leidsriemen terwijl hij met de rechter,
aanboudend, in een brede zwaai een lange zweep over de ruggen van de dieren liet draaien.
Slaan deed hij niet, een aanhoudend zwiep, zwiep, was genoeg. In de bochten hing hij schuins
gelijk een wielrenner die een Alpentop af suist en een haarspeldbocht neemt. Hij deed zelfs
denken aan de Romeinen die op hun strijdwagens door vier volbloeden getrokken, rond de arena's
stormden. Wie de snelheid van een koespan kent, kan die vergelijking overdreven vinden, maar zo
was de Fé.
Tijdens de lange winteravonden bezocht hij regelmatig de dorpssmis waar boeren die met hun tijd
geen weg wisten, samen kwamen, niet alleen om over vee en akkerbouw te praten, maar ook
regeringen omver wierpen, wetten maakten, ja zelfs oorlogen wonnen. De gareel, schoen- of
kleermakers die in de buurt woonden hadden ook hun bezoekers.
Bij de "stipper" waren het vooral
duivenliefhebbers die aan één leven niet genoeg hadden om de geheimen der melkerij te
bepraten.
De schoenlapper kon wel sappig vertellen maar had het bijna uitsluitend over
kemphanen, terwijl het bij de gareelmaker over boks en voetbal ging.
De smid daarentegen, die
al doof gehamerd was, liet aan ieder zijn zeg. Sommigen vroegen niet beter dan een handje te
mogen toesteken en trokken de blaasbalg of draaiden de slijpsteen. Krachtpatsers lieten graag
hun spierkracht bewonderen, door zwaar ijzer op te tillen.
Eigenaardig genoeg deed de Fe daar
nooit aan mee al kon hij met zijn grootspraak iedereen de baas. Maar de vrienden wisten wel
welk vlees ze in de kuip hadden en dat er in die brede borstkas een hazenhartje klopte.
In het bluffen was hij een meester en graag spotte hij met de pastoors, maar zijn echt stokpaardje
was de politiek. Met brede gebaren legde hij zijn eigen theorieën uit. Keurde iedereen en alles
af, en zou, indien hij er de kans toe kreeg, heel die Brusselse stal schoonvegen.
Tussen die hoge
pieten sloeg hij liefst rond met een droge doorntak en greep naarmate de bloeddruk steeg, naar
"scherp" ja zelfs naar schietgerei. Hij stak dan de arm uit, kromde de vinger rond een
denkbeeldige trekker, trok af en "paf do ligt em". Op die manier vermoordde hij dagelijks
tenminste een paar ministers.
In zijn jonge jaren had hij ervan gedroomd eens gendarm te kunnen worden, maar het was hem niet
gelukt en hij is er blijven om wrokken. Aan het leger had hij een hekel gekregen. Hij had
nochtans aan die mannen met strepen en sterren heel wat kunnen leren, maar. wie luistert er naar
iemand van den boer?
Nu gaf hij raad aan jongens die naar de troep moesten. "Ge moet ordenaas zien te worden, als t kan
bij ne generaal. Als er dan oorlog komt zijde geschampeert want generaals die vechten niet."
Zekere avond stond hij te razen over de dertig miljaar vliegtuigen die de smeerlappen wilden
kopen. "allemaal met ons centen".
Niemand had tot daartoe vermoed dat ze zo rijk waren.
Toen
één van hen deed opmerken dat het niet over zoveel machines ging maar om de koopsom, deed de Fé
alsof hij niets hoorde en vroeg uitdagend of ze wel wisten wat een miljaar was? Ze wisten het
natuurlijk niet, maar hij zou het hen duidelijk maken.
"Ge kunt' het in geen week tellen, 't maag nog in briefjes van duizend zijn." Hun mond zakte
ervan open, zo'n klare uitleg hadden ze niet verwacht, en onze snoeshaan genoot van zijn
meesterschap.
Het werd laat. De smid had zijn hamer neergelegd, zijn lederen voorschoot aan de
haak gehangen en zat op het glimmend aambeeld zijn pijp te stoppen. Eén voor één gingen de
mannen weg.
Een paar jonge kerels hadden een plan opgevat om de Fé eens de stuipen op het lijf
te jagen, wetend dat blaffende bonden niet bijten maar er niet aan denkend dat een domme poets
soms nare gevolgen kan hebben.
Ze verborgen zich in een bosje kreupelhout langs de weg die Fé
moest volgen. Ze trokken hun hemd uit hun broek om in de duisternis beter gezien te worden.
En toen onze held aankwam zag hij de schimmen, spoken, dieven of moordenaars, die takken brekend
en kabaal makend op hem afkwamen. Fé aarzelde geen ogenblik en sloeg op de vlucht. De twee snaken
renden hem met vliegende vaan achterna er wel voor zorgend dat ze hem niet inliepen, maar snel
genoeg om er de vaart in te houden.
Na enige honderden meters stortte Fé zich met zo'n geweld
op de nog niet afgegrendelde deur van het meest dichtbij staande huis, dat deze open vloog en de
arme kerel op zijn buik naar binnen schoof.
Een half uur later vergezelde de buurman die een lantaarn en een stevige knuppel
droeg, hem naar huis.
De volgende morgen zag Fé zijn klak en halsdoek die hij in de
vlucht kwijtgeraakt was, aan een paaltje dicht bij het venster hangen. Maar hij
kon er niet om lachen en zelfs de vloeken bleven achterwege.
Fé voelde zich niet goed, koude rillingen liepen hem over de rug, hij moest
terug naar 't bed.
De sukkelaar had gedurende zijn dolle vlucht een zware longontsteking opgedaan
die hem dagenlang tegen de dood deed worstelen. Dan scheen de kwaal overwonnen,
maar heimelijk bleef ze voort woekeren, de zieke teerde langzaam weg.
Na enige maanden kon hij bij schoon weer, nog nauwelijks tot
aan het einde van zijn tuin wandelen, voetje voor voetje en zwaar leunend op een
wandelstok.
Ik ontmoette hem daar en na een paar opbeurende woorden, die hij met een licht
schouder ophalen aanhoorde, zei hij met een doffe stem: "Joeng, ik heb thuis ne
boek, die moeste gij eens lezen". Na wat moeilijk ademhalen, voegde hij eraan
toe: "het oud testament". En dan met een opgeheven, vermanende vinger: "want
daar is iet zulle." Hij zei ook dat dat Iets de mensen kon straffen voor wat ze
mispeuterd hadden en legde er zich bij neder.
Hij wist hoelang zijn kerfstok was. "Maar, eeuwig da's toch te straf, dat is
gotfer ni serieus." Hij draaide zich om en terwijl hij moeizaam wegging hoorde
ik hem zuchten: "eeuwig is teveel"
Die eeuwigheid begon voor Fé Raepsaet twee weken later.
J..R.. |