|

In een voorgaande uitgave van "Velpeleven", hebben wij reeds gepoogd een en
ander over Rubens te vertellen. Maar zoals we toen al zegden, de schat is zo groot dat het
opsommen ervan onmogelijk is, minder nog, om er iets zinnigs over te vertellen.
De overgrote
meerderheid van Rubens' werken zijn in bezit van grote musea en kerken en over heel de wereld
verspreid. Sommigen werden door brand verwoest, anderen blijven in privaat bezit. In Antwerpen
alleen zou men dagen nodig hebben om de plaatsen te bezoeken waar de daar overgebleven werken
bewaard worden.
Ter gelegenheid van het feestjaar zal er veel uit andere steden, ja zelfs uit
verre landen samengebracht worden in het museum voor schone kunsten en het Rubenshuis.
Een bezoek
hieraan en de catalogus alleen kunnen uitmaken wat er kan bewonderd worden.
In afwachting kan het wellicht nuttig zijn wat nader kennis te maken met de kunstenaar zelf.
k
zal trachten een kleine samenvatting te geven van wat ik hier omtrent uit diverse bronnen kon
puren, vooral uit het boek dat door het Mercatorfonds werd uitgegeven -
ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn hartelijke dank te betuigen aan "Velpeleven" dat mij
het prachtige kunstwerk schonk.
Jan Rubens, de vader van Pieter Pauwel, was schepen aan de stad Antwerpen gedurende de beroerde
tijden, toen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden gescheiden werden.
Verdacht van Lutherse
sympathieën, werd hij verplicht om met zijn vrouw Maria Pijpelinkx en hun oudste kinderen naar
Keulen uit te wijken.
Een nogal losbandig gedrag bracht hem daar in de gevangenis en bij zijn vrijlating werd hem
de Westfaalse stad Siegen als verp1ichte verblijfplaats aangewezen. Daar werd op 28 juni van het
jaar 1577 Peter Paul geboren en bracht hij zijn tien eerste levensjaren door.
Na de
dood van vader in 1587 keerden Maria Pijpelinkx naar haar geboortestad Antwerpen terug.
Pieter liep er school in de Papenschool bij de 0.L.V. kathedraal. Hij studeerde er Latijn,
Grieks en Letterkunde maar zou levenslang door zelfstudie zijn cultuur trachten te verruimen.
Op zijn veertiende jaar werd hij schildknaap bij Marguerite de Ligne, weduwe van Graaf de Lalaing.
Hij bleef er slechts enige maanden, zijn drang om kunstenaar te worden bracht hem terug naar
Antwerpen.
Intussen had hij zich geoefend in het tekenen. Zijn verdere leertijd bracht hij
door in de ateliers van de toenmalige meesters waarvan bijzonderste Van Voort en Otto Venius waren.
Bij deze laatste schilderde hij zijn eerste groot werk Adam en Eva in het paradijs. Nog geen
twintig jaar oud werd hij als meester in de St. Lucasgilde ingeschreven.
In 1600 vertrok hij naar Italië om er zich in de Renaissancekunst te vervolmaken en werd er
bijna onmiddellijk hofschilder van de Hertog van Mantua.
Dan reisde hij van stad tot stad en
werkte er onder leiding van befaamde meesters. In Rome leerde hij Michelangelo en Leonardo da
Vinci kennen en schilderde grootse werken in opdracht van adellijke families.
Hij ging dan
naar Spanje om bij de dood van zijn moeder in 1608 naar Antwerpen terug te keren en er de
schilder te worden van de aartshertogen Albrecht en Isabella.
In datzelfde jaar huwde hij met
de bevallige Isabella Brant, kocht een stuk grond aan de Wapper waar hij zijn woonst en een
groot atelier liet bouwen.
Door een hoog ambtenaar aan het Hof van Brussel werd Rubens in staatszaken betrokken. Hij reisde
als diplomaat naar verscheidene Europese landen waar hij met de bewindvoerders van die tijd
Philips van Spanje en Karel 1 van Engeland en vele andere succesvol onderhandelde.
Maar wie was
Rubens als mens? Hierover kunnen wij uit verschillende bronnen iets te weten komen. Er zijn
vooreerst zijn grootse werken, enige zelfportretten, tal van brieven door hemzelf geschreven,
de getuigenissen van velen die hem gekend hebben en de biografieën die reeds in de 17de eeuw
over hem gepubliceerd werden.
Uit dat alles komt hij fysisch voor als groot van gestalte met
een majestatische houding, een regelmatig gevormd aangezicht, kastanjebruin haar,
een schitterende maar beheerste blik, lachend, zacht en eerlijk. Zichzelf beeldde hij meestal
uit onder een zwarte, breed gerande hoed. Zijn innerlijke onstuimigheid en verbeeldingskracht
worden in zijn kunst door een kalme beredenering omgezet in schoonheid.
De met drift geladen en
wildbewogen voorstellingen werden met een trefzekere hand evenwichtig samengesteld.
Het bruisend innerlijk vuur werd met beheersing en wilskracht bedwongen. Zo komt hij voor als
een zachtzinnig mens met een natuurlijke voornaamheid die met een rustige maar scherpe blik,
de wereld en zijn medemensen doorvorste, bewust van zijn waarde maar zonder aanstellerij.
Zijn enorme werkkracht hield hij op peil door een goed geordende levenswijze. Naast vele uren
arbeid vond hij de tijd voor lichaamsoefeningen en geestelijke ontspanning. Hij stond elke morgen
om vier uur op ( dat gold natuurlijk voor de zomertijd want de verlichting was niet veel zaaks.
Men kon zich hoogstens behelpen met een olielampje of wat kaarsen ).
Hij woonde dagelijks de mis
bij en zette zich dan aan het werk. Hij at weinig uit schrik dat een te zware spijsvertering zijn
werkkracht zou verminderen, Hij werkte tot vijf uur 's avonds om dan te paard een wandeling te
maken buiten de stad. Na het avondmaal praatte hij met vrienden, las een boek of schreef een
paar brieven. Dat regelmatig bestaan werd slechts onderbroken door de reizen die hij als diplomaat
moest ondernemen.
Zijn atelier was zo ingesteld dat tal van ondergeschikte taken aan zijn medewerkers werden
overgelaten. Hijzelf maakte de voorafgaande schetsen en composities, verbeterde het werk van zijn
helpers en bracht de eindtoets aan Maar hij borstelde menig doek geheel
eigenhandig.
Zijn
concentratievermogen was zo groot dat hij zich met verscheidene dingen tegelijk kon bezighouden.
Zo liet hij zich gedurende zijn werk gedichten voorlezen of geleerde werken van Latijnse
schrijvers, luisterde naar muziek of praatte met vrienden zonder schijnbare inspanning of
verstrooiing.
Daarenboven beperkte hij zich niet tot het maken van schilderijen maar
ontwierp talloze graveerprenten, wandtapijten, beeldhouwwerk, architecturale decoratieve
edelsmeedkunst en oefende op vele andere kunsttakken grote invloed uit. Dat alles werd onder
zijn leiding door bekwame vaklui uitgevoerd of door zijn leerlingen waaronder Antoon Van Dijck,
die grote vermaardheid verwierf.
Van Rubens was bekend dat hij er een stoïcijnse levenswijze op na hield. Hij onderwierp zich
gewillig aan de grillen van het lot, en onderging gelaten de pijnen die jicht hem bezorgde.
Maar het verlies van zijn eerste vrouw, die op nauwelijks 34-jarige leeftijd overleed, heeft hem
diep getroffen. Hij heeft er lang om getreurd en heeft al zijn wilskracht nodig gehad om er
overheen te komen. Zeventien jaren hadden ze samen gewoond en ze had hem drie kinderen
geschonken. Vier jaar later, drie en vijftig jaar oud, hertrouwde hij met de 17-jarige Helena
Fourment. Zij was een beeldschone vrouw die hij in vele van zijn grootste werken op de
ereplaatsen heeft afgebeeld. Hij schijnt er ook veel van gehouden te hebben ondanks haar
wispelturigheid en verspilzucht. Vele roddelpraatjes zijn hierover in omloop maar niet te
controleren en dus best opzij gelaten. Van haar had hij vijf kinderen. Als zakenman was hij
keihard en deed zich goed betalen maar deinsde er niet voor terug om aan zeer hooggeplaatste
personen zijn diensten te weigeren wanneer hij hun opdrachten beneden zijn waardigheid achtte.
Hij was rijk en leefde als een welgestelde burger. Maar hij weigerde tot de adelstand toe te
treden alhoewel hem dat meer dan eens aangeboden werd. Ook de gelegenheden om er te trouwen
ontbraken niet. Maar hij vreesde zijn vrijheid te verliezen bij lieden die het te min achten om
met verf en borstel zijn brood te verdienen maar die voor hem zijn dierbaarste bezit uitmaakten.
In zijn laatste jaren verbleef hij graag in het Steen van Elewijt dat hij in 1635 gekocht had.
Maar het meest hield hij van de stad Antwerpen, van de woonst die zijn naam draagt en waarvan
hij de monumentale portiek ontwierp. Hij overleed er op 30 mei 1640 en werd in de St.-Jacobskerk
begraven.
Hij was de schoonste parel aan Vlaanderens kroon.
Aan U vrienden van "Velpeleven" om samen op 26 juni van de rijkdom te gaan genieten.
J..R.. |