|
Hypolais icterina
De spotvogel schijnt nog altijd bij vele natuurliefhebbers een grote onbekende
te zijn. Dat kan niemand kwalijk nemen, want deze vogel valt zo weinig op tussen het lover, dat
hij gemakkelijk over het hoofd gezien wordt. In onze streek behoort hij tot onze talrijkste vogels.
Op school heeft men wel over de spotvogel gehoord, daar stond hij vermeld bij een reeks
dierennamen die toegepast worden op mensen.
De leraar heeft je zeker uitgelegd dat hiermee een
persoon bedoeld wordt die met iedereen de spot drijft.
Over de eigenlijke betekenis werd met geen
woord gerept, de leraar kende immers zelf geen spotvogel.
Waaraan heeft hij trouwens zijn naam te danken?
In het Duits noemt men hem ook Gartenspötter of Gelbespötter (tuinspotter, gele spotter). Zou hij
soms een spottende zang hebben?
Hier raken we dan een moeilijk probleem aan: het weergeven met
letters van vogelgeluiden. Bij sommige vogels gaat het nog, maar bij onze spotvogel is het een
hopeloos geval. We hebben in ons alfabet veel letters tekort om zijn "gezang" weer te geven.
Eigenlijk is die naam misleidend, want al behoort hij tot de zangvogels, zingen kan hij niet, het
is meer een gekras dat we in de meimaand de hele dag door kunnen beluisteren. Dikwijls krijg je
het volgende te horen: oe-it, oe-it; ofwel tjp, tjp, tjp, dikwijls ook kriejep, kriejep, kriejep;
en ook nog tje-tjep, tje-tjep. Alle Feluiden worden 2 of 3 keer herhaald.
Ik vind in dit alles
niets spottend, maar zo klinkt wel zijn alarmroep. Wie die roep kent, zal in het vervolg een
spotvogel herkennen zonder hem te zien. Het klinkt zo: tk, didderoiet ( 4 lettergrepig ). Soms
laat hij die tk weg.
Deze roep is gemakkelijk na te bootsen. Telkens als ik ergens wens te weten
te komen of er zich een spotvogel bevindt, boots ik die roep na en weldra antwoordt de vogel.
Gewoonlijk komt hij vlakbij in een struik zitten met opgerichte rugveertjes om zich af te vragen
welke soortgenoot in zijn territorium is durven binnendringen. Dan laat hij een verwonderd toe-wit
horen. Zijn naam haalt hij dus wel uit zijn alarmroep.
Nu weet je heel veel over zijn geluiden (daaraan is hij het vlugst te herkennen), maar je weet
niet hoe hij eruit ziet.
Hij is zo groot en zo lang als een vink, maar is veel slanker. Je kunt
hem eigelijk moeilijk te zien krijgen, want hij is nogal schuw en houdt zich schuil tussen bomen
en struiken.
Daar valt hij in het geheel niet op door zijn overwegend olijfgroene kleur, waarover
vooral aan de borst een waasje geel hangt. Boven het oog is ook een gelige streep, net als bij de
fitis en de tjiftjaf, waarop hij erg veel gelijkt. Hij is echter veel groener en geler dan zijn 2
grauwe familieleden. Laat ik je nog vertellen dat hij groenachtige poten heeft, wat je moeilijk
kunt waarnemen.
Ik zou je nu willen vertellen hoe ik eigenlijk op het spoor van deze zanger gekomen ben.
Het
eerst heb ik hem ontmoet in een bosje te Binkom op 31 mei 1970.
Dit bosje ligt rechts van de weg naar Winge, bij het uitrijden van het dorp. Daar wist ik op dat
ogenblik al een tuinfluiter wonen, een grasmus, een merel en een zanglijster. Deze laatste woonde
op 2 m hoogte in een hoge braamstruik, zodat ik me moest rekken om het nest te controleren.
Toen ik dat deed, bemerkte ik een paar meters verder en iets hoger een prachtig nestje waarin
veel mos verwerkt was, zodat ik dacht een vinkennest gevonden te hebben. Het lag in een soort
vork van een vogelkersrtruik. Omdat ik graag de eieren eens
wilde zien, trok ik de tak omlaag en
haalde er één eitje uit. Toen ik het bekeek was ik verrast, het had een roze grondkleur waarop
enkele zwarte stipjes. Ik dacht direct aan de spotvogel, omdat ik me die kleur herinnerde uit
"De nesten en eieren van onze vogels". En al zijn de afbeeldingen hierin verre van goed, toch kan
men zich niet vergissen aan deze enige roze grondkleur. Weldra zag ik ook de vogel en hoorde zijn
alarmroep. Die kende ik uit "De vogels bij huis, in tuin en park" van Makatsch. Ik was uitgelaten
en dacht warempel dat ik een zeldzaamheid gevonden had...
Maar het gaat dikwijls zo, zodra je een
nest vindt, vind je er plots meer.
Op 27 juni kwam Maurice de Koninck bij me om te vertellen dat
hij in een hazelnotenstruik aan de Velpe te Boutersem (kort bij de Grote Baan) een nest gevonden
had. Ik ging mee. We moesten door de Velpe waden om er bij te kunnen. Het lag op ongeveer 2 meter
hoogte en ik kon er niet bij. Toch slaagde ik erin om een eitje eruit te halen. Het had weer een
roze grondkleur zodat ik weer aan de spotvogel dacht maar er lagen dikke zwarte vlekken op,
waaruit brede lijntjes vertrokken net zoals bij de geelgors en de rietgors. Dat was dus een
onbekende vogel. Toen haalde ik er een tweede eitje uit en dat was een typisch spotvogelei.
We controleerden de 5 eieren, er was maar één gorsachtig bij.
Nog één nest vond ik op 24 juli aan
de kapel te Butsel (nr12) Er lagen al bijna volwassen jongen in. Dit jaar heb ik in het bosje te
Binkom weer zijn nest gevonden, hij had het bovenaan in een braamstruik gebouwd. Het was hieraan
sterk vastgehecht. In de ronde broednop vond ik ook zaadpluis, wat schapenwol en wat veertjes.
Zijn broedsel is mislukt, ik vond het nest uiteengerukt en leeg. Waarschijnlijk zal hij een
tweede broedsel proberen, wat na een geslaagd broedsel nooit meer gebeurt.
Ook aan de kapel heb ik
het weergevonden: 3 m hoog in een vlierstruik.
Laten we dus samenvatten dat zijn nest gebouwd
wordt op 1 à 3 m hoogte in braam- hazelnoten-, vlierstruiken., vogelkers, enz..
Laten we nu eens samen opzoeken welke eisen de spotvogel aan zijn biotoop stelt (zie nrs op kaart)
.
-
1. Bosje met enkele aren groot (struiken en hoge bomen, berk, kastanjes, eiken, beuken ) veel
braamstruiken, ligt tegen een beek die vanaf dat punt altijd met water gevuld is.
-
2. Grachtrand begroeid met hazelnotenstruiken en een 4-tal erg gesnoeide beuken.
-
3. Tegen dezelfde beek (10m verder) smal bosje met enkele struiken en halfhoge canada's.
-
4. Klein bosje met struiken (vogelkers vooral ) en enkele bomen (gewone soorten).
-NB. De spotvogel van 4 is, mogelijk deze van 1 geweest (want er is geen verschil ).
-
5. Kasteel te Kerkom, ik nam hem waar in de struiken naast de vijver (Ook veel soorten hoge bomen).
-
6. Bosje naar Malendriesbeek (struiken en canada's).
-
7. Elzebosje (zeer moerassig, canada's).
-
8. Bossen naast de vijvers van De Keijzer, deze bossen zijn uitgestrekt, maar de spotvogel houdt
zich steeds op aan de oostelijke kant.
-
9. Langgerekt bosje aan de Velpe (weer canada's).
-
10. Hazelnotenstruiken en canada's tegen de Velpe.
-
11. Klein bosje met (natuurlijk..) canada's, veel struiken,
wirwar braamstruiken en netels. -Er loopt een beek door ( steeds vol water-)
-
12. Klein park van de Kapel (veel hazelnoten, vlierstruiken,
sierbomen). Hij houdt zich steeds op in nabijheid van het vijvertje.
-
13. Ingang van het reservaat "De Snoekengracht" te Vertrijk.
-
14. Niet op de kaart. Ik ontdekte hem ook te Tienen achter de
Bank van Brussel. Daarachter ligt een klein soort park met struiken en
kastanjebomen.
Dit zijn zeker niet de enige plaatsen van spotvogels in onze
streek. Sindsdien heb ik nog tientallen zangposten gevonden. Toch kunnen we
hieruit zijn biotoop afleiden. Hij verlangt kleine bosjes met struiken (vooral
hazelnoten), liefst in de nabijheid van water, al is dit niet noodzakelijk. Er
moeten hoge bomen aanwezig zijn, want van daaruit zingt hij. Ook vinden we hem
in parken, het is ook een stadsvogel.
Waar ligt zijn broedgebied ?
Centraal - Europa, Benelux, kustgebieden van Scandinavië,
Zuid - Finland en Rusland ( niet in het noordelijk deel ).
Waar is zijn winterkwartier?
In Tropisch Afrika, ten zuiden van de evenaar.
Hoelang blijft hij bij ons?
Aankomstdata
-
1977: 14 mei
-
1976: 13 mei
-
1975: 13 mei
-
1974: 11 mei
Zijn nest begint hij te bouwen rond 18 mei. Rond 25 mei
begint hij te broeden. Dit duurt 2 weken, de jongen komen dus uit rond 10 juni,
ze blijven er weer 2 weken, de eerste jongen verlaten het nestrond 25 juni. Let
wel: Een eventueel tweede broedsel valt veel later, je kunt dus ook in de eerste
helft van juli nog legsels vinden. In augustus tenslotte verlaat hij ons. Hij
blijft dus in het langste geval 4 maanden bij ons mei - augustus.
Wie bebroedt de eieren?
Beide ouders bedroeden het nest en lossen elkaar af. Hierover
zijn alle boeken het eens. Zelf heb ik dat nog niet kunnen waarnemen.
Ik hoop dat dit artikel voor velen een aansporing moge zijn
om elk voor zijn streek op te zoeken waar zich spotvogels bevinden. Kom eens
mee, op onze wandelingen, eens dat je de krassende geluiden van de spotvogel
hebt leren herkennen, kun je zelf in je streek het aantal broedparen bepalen.
Geloof me, wie eens zelf begint te ontdekken, is gewonnen voor de ornithologie
en de natuur.
A. ROELANTS
|