|
Op 18 mei overleed in de H.Hartkliniek te Leuven, priester pastoor Vincent
Frans van Genechten.
In stille eenvoud, ver weg van alle drukke gedoe, is hij teruggegaan naar de Heer, welke hem
tekende in een diep geloof vol van evangelisch idealisme.
Frans Van Genechten werd geboren op 5 juni 1900 te Herentals en liep er
school aan het College. Op 11 oktober 1920 trad hij in bij de Norbertijnen te Averbode. Daar
werd hij premonstratenzer van de abdij van Averbode geprofest op 24 februari 1923 na zijn noviciaat
doorgebracht te hebben in Tongerlo, zoals toen door de orderegel voorgeschreven werd.
Daarna studeerde hij verder theologie te Averbode, waar hij op 21 september 1926 door Mgr. Brems,
premonstratenzer, tot priester werd gewijd.
Reeds van in zijn noviciaat groeide bij deze eenvoudige Kempische jongeman, geroepen om
Godsgezant te mogen zijn, een verlangen om geschiedenis te mogen studeren. Stammend uit een
groot gezin had hij de sociale bewogenheid van het leven toen reeds aan den lijve ondervonden.
Hij had in zijn jeugd reeds de dood en vernieling van de eerste wereldoorlog gekend, evenals de
strijd naar sociale rechtvaardigheid.
Misschien lag daar de bron welke hem ertoe aanzette om iets te gaan doen, om de levensstandaard
van het volk dat zo nauw aan zijn hart lag, te gaan verbeteren. Misschien juist daarom wilde
hij de evangelische weg van broeder in God te zijn, kiezen om beter te kunnen dienen.
Na zijn wijding drukte hij bij zijn overste de wens uit om geschiedenis te mogen studeren.
Deze beschikte er evenwel anders over en bestemde deze dynamiekvolle man voor ander werk:
parochiedienst.
Zijn eerste leerschool maakte hij door te Engsberg in 1927 waar hij zijn
zieke confrater ging bijstaan. Na enkele maanden keerde hij terug naar de abdij om opnieuw en
dan definitief uitgezonden te worden.
Eerst naar Veerle, waar hij onderpastoor was van 1928 tot
1934.
Daarna ging hij naar andere plaatsen.
Tijdens deze periode kreeg de microbe van de heemkundige geschiedenis en haar eigen sociale
bewogenheid hem te pakken.
Achtereenvolgens verschenen van hem
"Sint-Michiels te Antwerpen en de commende 1518 - 1521" in 1932.
In dit werk met sociaal - politieke inslag beschreef hij de wantoestand welke er heerste tussen
het bestuur en het kerkelijk gezag en de kloosters in de Nederlanden gedurende de Spaanse periode.
Zeer duidelijk koos hij stelling voor de premonstratenzerorde in het geschil tussen deze orde en
Keizer Karel V samen met de Luikse bisschop Everard van der Marck.
Na deze publicatie volgden twee werken met meer heemkundige inslag:
- "Het ontstaan van de windmolen op Haenven onder
Veerle 1719 - 1723" in 1932
-"Een rechtsgeding te Veerle in de XVIde eeuw" in
1933
Beide, werden gepubliceerd in."De Zuiderkempen".
In 1934 ging hij naar Drogenbos om er kapelaan te worden.
Hier beleefde hij de miserie en de
gruwelen van de tweede wereldoorlog in alle geledingen. Maar zijn geloof in een beter mogelijke
en schonere mens werd hier ook geconcretiseerd in de K.A.J.afdeling, welke hij er stichtte.
Meer dan ooit zal hij hier de nood gevoeld hebben aan een stevig houvast voor een losgeslagen
jeugd, welke zo sterk verdeeld was door de oorlogsellende.
Pastoor Van Genechten vormde te
Drogenbos, in de schaduw van die immens grote wereldstad, Brussel, niet alleen een groep
kameraden, maar ook nieuwe leiders voor een wereldbeweging, welke na de oorlog onder die andere
wereldpriester, Cardijn, zou uitdeinen, eerst over Europa en daarna over gans de wereld.
Misschien in veel mindere mate als Kardinaal Cardijn maar zeker even echt, wist hij zijn
omgeving te begeesteren voor zijn eigen idealen, een diep geloof en een sociale bewogenheid
naar evangelische rechtvaardigheid.
Uit de periode Drogenbos zijn ons geen literaire werken
bekend, maar het kan niet anders dan dat hij in het plaatselijk K.A.J.blad talrijke artikels
gepubliceerd heeft.
Uit deze periode stamt ook de vriendschapsband tussen de schilder Felix Deboeck en onderpastoor
Van Genechten.
Deboeck schilderde hem in de periode 1934 - 1945, niet in stille kleuren, welke men bij de figuur
van Van Genechten mag verwachten, maar in een vlammenzee. Dit was een teken voor Deboeck van een
niet aflatend dynamisme, zoals het spel van het vuur. Een evenwel niet alles verwoestend vuur,
maar een vuur van begeestering, die uitstraalde naar hen welke hem iets beter kenden.
Als Kempenaar moest hij eerst kunnen ontbolsteren vooraleer hij zijn ware gedaante liet kennen.
Deboeck kende kapelaan Van Genechten.
Na de oorlog, in 1945, vertrok hij naar Terlanen Overijse om er 10 jaar lang pastoor te zijn.
Weer werd voor hem een streek uitgekozen waar hij de sociale "roerselen", diep uit het hart van
een volk, leerde kennen, namelijk deze van de druivenstreek.
Was het een toevalligheid of was het een voorbestemming, steeds had hij parochies waar hij
nauwverbonden moest leven met zijn toevertrouwde leefgemeenschap.
Dat kon hij omdat hij zelf, met zijn bewogen jeugd voor zich, het klappen van de zweep kende.
Na 10 jaar dienst, werd hij dan voor een laatste maal, de wil volgend van zijn kerkelijke
overheid, overgeplaatst naar zijn eindbestemming, Butsel in de Velpevallei, welke de overgang
vormt tussen twee leefgemeenschappen, Hagelanders en Haspengouwers.
Ook hier vond hij een landgebonden volk, dat sterk samengehecht leeft en waar de vreemdeling,
ook al is hij pastoor, wel geduld, maar niet direct aanvaard werd.
Ook hier heeft pastoor Van
Genechten een tijdlang moeten vechten tegen oordelen en vooral vooroordelen om zich een plaats
te veroveren.
Maar ook te Butsel en Boutersem kwam na een korte periode een nieuwe ontluiking en werd hij
niet alleen aanvaard maar ook een leidsman voor deze economisch minder bedeelde levensgemeenschap.
Reeds na enkele jaren werd hij proost van de K.W.B. en de K.A.V. afdelingen. Weer sprak in deze
eenvoudige man de wil om iets te doen aan de sociale toestand van Boutersem. Dit bestaat voor
het grootste deel uit een volk van pendelaars en boeren, welke evengoed als hij beseften dat er
betere en hogere levenswaarden bestaan.
Ook hier trok zijn begeestering een diep spoor dat nog
lang zichtbaar mag blijven.
Te Butsel keerde hij ook terug naar die oude passie van het
geschiedenisschrijven. In de
heemkundige kring Velpeleven vond hij een gepast medium om zijn ideeën uit te dragen, maar dit
gebeurde niet alleen in Velpeleven.
Hij schreef "Kritische analyse van de legende nopens de oorsprong van de eredienst van O.h.Vrouw
van Sterre - Borne te Butsell en van historische gegevens die daarmee verband houden."
Een tweede bijdrage zal kortelings in "Eigen Schoon" en "De Brabander" verschijnen en gewijd
zijn aan "Het gasthuis van de Cromme Herent en het fort Fagel".
Op publicatie liggen nog te wachten
-"Het Weiderecht op bepaalde weiden van de Abdij". De drie eeuwendurende twist tussen Averbode
(Abdij) en Veerle (Gemeente). Dit werk zal opgenomen worden in het Jaarboek over de gemeente Geel.
-"Wederwaardigheden rond de Reformatie van het Norbertinessenklooster te Keizersbos ( Nederland )".
Dit laatste werk zal in het volgend nummer van Analecta Praemonstratensia verschijnen medio 1977.
In Velpeleven publiceerde hij
"De klokken van de kerk van Butsel".
"Het gasthuis van de Crommen Herent onder Boutersem".
"De school van Butsel".
"Echtparen die in Butsel gewoond hebben tussen 1750 en 1900."
Zijn laatste werk wachtte op voltooiing en zou handelen over "De familie Frische
te Neerbutsel". Samen met de pastoor heb ik dit werk mogen zien groeien. Het
eens te mogen voltooien zal voor mij een gunst zijn. Het voltooien van dit werk,
zou ik volgens zijn eigen stempel, deze van een correctheid tot in het detail
toe, willen uitvoeren.
Pastoor Van Genechten was voor allen, die hem goed kenden,
een groot man in de eenvoud welke hem sierde.
Pastoor Van Genechten was een begeesterend baken, welke zijn pappenheimers zeer
goed kende. Ze lagen hem nauw aan het hart. Hij was een Kempenaar in hart en
ziel welke te Butsel een stukje van zichzelf terugvond. Hier kon hij zijn
temperament en dynamiek, welke hem altijd overgebleven waren, botvieren.
Ook na de zware hartaanvallen, welke hem, zeven jaren geleden, een tijdlang op
non-actief stelden.
Op 21 mei waren ze er allemaal bij zijn uitvaart te Butsel,
zijn parochianen maar ook de verenigingen, waarmee hij actief samenwerkte.
Een kleine groep echter, trouwe vrienden, hebben hem naar het abdijkerkhof te
Averbode gebracht.
Daar mag hij voor eeuwig rusten in Gods milde handen, een plaats met een
symbolische betekenis de Kempen, het Hageland, de abdij, waarvoor hij leefde.
Als een geestelijk testament liet hij ons zijn eigen heemgedachten en de
uitdrukkelijke wil verder te doen.
Deze eenvoudige priester was een groot man. Hij is
heengegaan, zoals hij leefde maar in onze gedachten kan hij niet doodgaan,
daarvoor was zijn persoonlijkheid te dynamisch.
Een dynamiek, totaal in dienst van zijn geloof en volk, welke hij zo trouw
mogelijk diende. Pastoor Van Genechten blijft bij ons, over de dood heen in
alles wat hij ons achterliet.
Wij kunnen niets anders meer dan hem er dankbaar voor zijn.
A. NIJS
|