Terug naar deel
9
We keren nu terug naar de plaats Lovoort, beneden de pastorij van Vertrijk, ditmaal om de rechteroever van de Velpe te bekijken. Deze oever is gekenmerkt door een bijna doorlopende dijk, die de akkergronden boven (Kolemhoogte) van de lagere weiden langs de rivier (Kolembemden) van elkander scheidt.
Beneden die dijk komen aan het daglicht vele wateraders en bronnen, die uit de ondergrond van Scherpenberg en Kolemberg afvloeien. De verdere afvloeiing bovengronds gebeurde niet altijd met korte grachten naar de Velpe, maar draagt de stempel van mensenwerk. Door de aanleg van sluizen op de Velpe bij de molens, steeg het waterpeil van deze rivier zodanig, dat de afvoer van het laag gedeelte op de rechteroever een apart waterbekken werd, dat veel verder moest uitmonden, waar het peil dus laag genoeg was.
Het beginpunt van dit apart waterbekken hier ligt beneden in de tuin van Jozef Havet in de Roosbeekstraat. Drie bronnetjes komen daar uit de dijk met een bestendig debiet van ongeveer
20 liter per minuut. Dit heel drinkbare water werd vroeger opgevangen in een vijver van 5 aren groot. Deze waterplaats bediende de vroegste Romeinse nederzetting op Scherpenberg (Vertacum = Romeinse hoeve op de hoogte; denk aan vertikaal, steil). Later kreeg die waterplaats de naam "het putteken" en voorzag de brouwerij Vleminkx op Scherpenberg van de nodige vloeistof. Thans is die vijver bijna gedempt, en na de laatste verlaging van het waterpeil, bij de molen van Boutersem en het ledigen van de molenvijver aldaar, kan het water weer afvloeien met een korte greppel
rechtstreeks in de Velpe.
Maar vroeger liep het overtollige water van het "Putteken" af in de brede snoekengracht die ook haar eigen wateraders heeft Zo vinden we de. toestand nog op de waterkaart van Vertrijk (1850). De eertijds visrijke snoekengracht lijnrecht, in tegenstelling tot de kronkelende Velpe, ontvangt beneden Kolemberg met een leibeek uit het Zuiden, al de waters vanaf de grens van Kumtich en Willebringen. Die beek begint in het Wouwerken (het vijvertje thans in de. volksmond genoemd "het Waarke'', neemt te Koutem nog twee greppels op uit de Casterdelle (vallei van het Romeinse kamp), verrijkt zich aan vele adertjes, waarvan
één vroeger de naam droeg "Put van Koutem"; die beek vloeit dan verder af in een smalle vallei tussen Scherpenberg en Kolemberg; ze neemt het water op van een bron, geheten "Schaapsborne", juist beneden de Roosbeekstraat; ze vulde juist beneden Kolemberg één grote en twee kleine vijvers (toestand 1600) en verenigt zich met de Snoekengracht.
Onder de naam "Kolemse eibeek" vloeit ze, thans onder de spoorwegberm door, op 200m. van de Velpe.
De minste dam, in deze leibeek geworpen, bood de mogelijkheid om al de beemden bij de Snoekengracht blank te zetten, zonder zich met de Velpe te moeien. Dit moest als een uiterste
zuidoostverdediging bedoeld zijn voor de waterburcht Lofort. U herinnert zich
nog de hoge cijnsen, die de heer van Lofort verschuldigd was aan de hertog van Brabant voor het gebruiken van het Velpewater bij het inrichten van zijn waterburcht..
Welnu, juist ten zuiden van de spoorwegdijk ligt tussen Velpe en Snoekengracht, een grote weide van bijna
4 bunders,
geheten "peerdebemt", die langs Lofort nog een hogere cijns betaalde aan de hertog: 133 molevaten haver en 133 tournoisen per
jaar! Voorwaar, de hertog liet zich het spelen met water en waterdammen duur betalen.
We wijden hier nog even uit over Kolem, Koutem, en dergelijke.
KOLEM (Cool-heim), de bakermat, de heimat van een Frankische ontginning rond 400, onder beheer van een donkerharige Frank, geheten Kool of Dewarte ( denk aan houtskool.).
In deze ontginning was niet alleen betrokken de Kolemse hoogte onder Vertrijk, maar ook het uitgestrekte deel van Roosbeek tussen de Valkenberg en de Vertrijkse grens, dat de naam draagt van Kolemveld..
Een meer zuidwaarts deel van Roosbeek, geheten "de grote Kouter", was een Romeinse ontginning, betrokken bij de kampeerplaats Kasterdelle onder Vertrijk. Deze Romeinse ontginning, samen met de Frankische ontginning van de Roosbeekse "Kleine Kouter", werd betrokken in de Frankische stichting KOUTEM onder Vertrijk (Koutersheim: heim van de Cultura of Kouter).
Zo zien we dat het gehucht Koutem, daaruit gegroeid, of de huizen nu lagen onder jurisdictie van Roosbeek, Willebringen, Kumtich of Vertrijk, voor gerechtszaken in zijn geheel nog gerekend werd bij Vertrijk.
Het overige deel van Roosbeek, dus buiten Kolemveld en de beide kouters, bleef waarschijnlijk onontgonnen bosgebied tot of na de Karolingische tijd, toen Roosbeek als aparte woonkern ontstond. De dorpsnamen die eindigen
op "-beek" zouden late stichtingen zijn.
Om tot Kolem terug te keren:!
De ontginning Kolem groeide uit tot een belangrijk gehucht ten zuiden van de oude baan Tienen-Leuven, over Roosbeek-Boutersem: onder Vertrijk is er sprake van. verschillende woningen, waaronder een belangrijke hoeve op Kolemberg zelf, plaats van de primitieve ontginning. Daarbij kwamen "een speelgoet" of herenhuis, omringd
door vijvers, en dienende als verblijf van de Vertrijkse notarissen Laurens, een "meyercuyt", verblijf van Vertrijkse dorpsmeiers, een smidse en een brouwerij, en zelfs een "melaatsenhoek".
Kolem was daarbij de draaischijf van een leengoed onder Vertrijk, geheten Vandensteenwegen, dat voortkomt uit oud bezit van het St-Lambertuskapittel van Luik.
Er was zelfs een cijnsboek van Kolem, waarbij vele Roosbeekse gronden betrokken waren. Het uitzicht van de Kolemhoogte werd merkelijk gewijzigd door door afgraving bij de aanleg van de spoorwegberm aldaar.
Vroeger liep een brede dreef, met bomen afgezoomd, van de oude baan Roosbeek-Boutersem naar de kerk
van Vertrijk, naar de andere oude baan Tienen-Leuven. Deze baan liep dwars door het pachthof van
Kolem, en dwars over de leibeek, die van Koutem komt. In 1400 bekwam de pachter van Kolem het recht
het deel, dat over zijn grond liep, in te lijven, mits behoud van een voetpad.
Over de leibeek
plaatste men dan een gelegenheidsplank, die er meer niet dan wel was. De kasteelheer van Boutersem
had toevallig 4 cijnsperceeltjes en een afgezonderd leen van enkele aren in de omgeving van dat
"mankelieke bruggetje".
Na 1700 denkt die heer er aan daar eens een serieuze brug te bouwen voor wagens en koetsen.. Hij was vergeten dat hij zo in andermans rapen deed op Vertrijkse grond en jurisdictie. Het liep uit op een proces van 50 jaren lang over dat "Kolem-bruggetje", dat de heer van van Boutersem nooit heeft gewonnen.
P.. KEMPENEERS