Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1977, nummer 5
"
De betekenis van de zanden van Boutersem en de klei van Hoogbutsel."

De meeste inwoners van Boutersem weten: waarschijnlijk, dat er in hun dorp reeds verschillende malen fossiele schelpen werden opgegraven., of hebben zelf reeds deze fossielen opgegraven. Anderen hebben deze rijke collectie kunnen bewonderen tijdens de tentoonstelling "4jaar Velpeleven".
Sommigen zullen zich waarschijnlijk reeds hebben afgevraagd hoe deze schelpen hier zijn geraakt. De ouderdom van deze fossielen kan geschat worden op zo'n 36 miljoen jaren. Wij gaan nu even zoeken naar de oorsprong van dit fijn, wit, fossielhoudend zand, .dat in de geologie en de paleontologie officieel. bekend staat onder de naam "Zanden en mergels van Boutersem" en de zwarte plakkerige kleilaag van Hoogbutsel' onder de benaming "Horizon van Hoogbutsel'
Vooraleer in te gaan op het ontstaan van deze zanden en klei gaan we eerst enkele begrippen uit de geologie nader toelichten.

Transgressie en regressie

In de loop der tijden gebeurt het  regelmatig dat de bodem daalt, of' dat het zeeniveau stijgt door het smelten van het poolijs. Als gevolg daarvan gaat de zee meer land,inwaarts opschuiven en wordt het land overspoeld, dit proces wordt transgressie genoemd. Het zeewater sleurt talrijke bestanddelen mee die dan verderop weer worden afgezet. Naarmate de bestanddelen zwaarder zijn, zullen ze eerst worden afgezet: eerst wordt grint daarna zand en tenslotte klei afgezet.
Het omgekeerde proces kan zich echter eveneens voordoen: de bodem gaat stijgen of het zeeniveau daalt. In dit geval gaat de zee zich terugtrekken: dit proces noemt men regressie. Zo blijven er lagunes over achter een of andere zandbank juist voor de kust. Andere afzettingen kunnen afkomstig zijn van rivieren, meren en poelen.

Klei van Hoogbutsel

De Horizon van Hoogbutsel is stratigrafisch gezien gelegen tussen de zanden van Boutersem en de zanden van Neerrepen. (Plaat 2). De laag is slechts enkele tientallen centimeters dik, en is ontstaan uiteen. continentale afzetting. Het.bovenste gedeelte bestaat uit een vette kleilaag en het onderste gedeelte is een mergellaag met invertebrate fossielen.

Men is het eens dat de Horizon van Hóogbutsel ontstaan is uit een polderafzetting. Door de terugtrekkende zee," tijdens het onder-oligoceen (Plaat 1), werden grote zoetwaterpoelen achtergelaten, die zich over het platteland uitstrekten. Het leven bereikte op bepaalde punten van 'deze poelen een enorme intensiteit. Vele vertebraten zoals, kleine knaagdieren, vogels, en reptielen zouden in de modderige bodem zijn omgekomen.

Men kan het landschap van die tijd best vergelijken met de huidige toestand in de baai van Louisiana en Florida.
Dergelijke afzettingen zijn zeer zeldzaam, en de horizon van Hoogbutsel heeft dan ook tot in Amerika bekendheid verworven. Mogelijk komen we in een later nummer van "Velpeleven1i terug op de fossiele inhoud van deze laag.

Zanden van Boutersem

Misschien minder spectaculair dan de Horizon van Hoogbutsel wegens het ontbreken van vertebraten-resten, maar daarom niet minder interessant zijn de zanden van Boutersem. Deze laag situeert zich stratigrafisch tussen de Zanden van Kerkom en de Horizon van Hoogbutsel. Waar de Horizon van Hoogbutsel afwezig is rusten de zanden van Boutersem op de Zanden van Neerrepen. De laag met de fossielen(Zanden met Corbicula) bestaat uiteen zand met middelmatige korrelgrootte, wit van kleur, zeer droog, en waarschijnlijk van brakwateroorsprong wegens de typische brakwaterfauna ( Corbicula en Potamides).

Beschrijving van de fossiele vondsten van Boutersem

PELECYPODA

  • Corbicula semistriata DESHAYES
    Systematiek: Subordo Heterodonta
    Familie Corbiculidae
    Voorkomen; Overvloedig
    Afmetingen en vorm; Max. lengte 30mm
    Max. breedte! 0 mm
    Korfjesachtig wegens de diepe welving, 9mm. onder de slotrand; het gedeelte vanaf de welving tot aan het uiteinde van de klep is vlak.
    Slotkenmerken; Elke klep heeft 2 cardinale tanden, terwijl op de linkerklep nog 2 laterale tanden voorkomen, en in de rechterklep de 2 corresponderende uithollingen.
    Schelpornamentatie; Zeer fijne concentrische groeilijnen.
  • Ostrea cyathula LAMARCK
    Systematiek; Ordo Anisomyaria
    Familie Ostreidae
    Voorkomen; Relatief weinig
    Afmetingen en vorm; Lengte ~ 30mm.
    Breedte + 20mm.
    De linkerklep is diep gewelfd, de rechterklep is licht convex.
    Slotkenmerken; De ligamentgroeve van de linkerklep is driehoekig, terwijl deze van de rechterklep vlak is. Schelpornamentatie; Vanuit de welving vertrekken op de linkerklep ongeveer 40 dikke ribben; op de rechterklep zijn alleen concentrische groeilijnen te zien.
    Spierindrukken; één halvemaanvormige spierinduk op de binnenkant van 'elke klep.
  • Parvicardium scobinula d'ORBIGNY
    Systematiek; Ordo Heterodonta
    Familie Cardiidae
    Voorkomen; Relatief zeldzaam
    Afmetingen en vorm; max. lengte 8mm.
    Max. breedte - Bmm.
    Zeer dunne schelpen met afgeronde vierkante vorm.
    Slotkenmerken; Slechts 1 cardinale tand op de linkerklep en 2 laterale tanden: 1cardinale tand op de rechterklep Schelpornamentatie; Vanuit de umbo divergeren een 20-tal dikke ribben naar het uiteinde van de schelp toe. Spierindrukken; moeilijk te zien
  • Lentidium nysti DESHAYJES
    Systematiek; Superfam. Myacea Fam. Aloididae
    Voorkomen; Relatief veel voorkomend
    Afmetingen en vorm; max. breedte  6mm.
    vlax. lengte - 4mm.
    Ovale vorm.
    Slotkenmerken; De rechterklep bezit 1 cardinale tand die driehoekig van vorm is en die juist onder de umbo is ingeplant. De linkerklep bezit eveneens 1 cardinale tand, die loodrecht op de binnenkant van schelp, juist onder de umbo ligt. De linkerklep bezit één laterale tand, die voorkomt als een voortzetting van de schelprand en waarmee in de rechterklep een groeve correspondeert.
    Schelpornamentatie; Op de buitenkant komen zeer fijne groeilijnen voor.
    Spierindrukken; Zeer moeilijk te zien.
  • Sanguinolaria brabantina VINCENT
    Systematiek; Ordo Heterodonta
    Superfam. Tellinacea
    Familie Sanguinolariinae
    Voorkomen; Zeer zeldzaam in de zanden van Boutersem
    Afmetingen en vorm; max. breedte:!: 19mm.
    Max. Hoogte:!: 10 mm.
    Ellipsvormig
    Slotkenmerken; Twee zeer fijne cardinale tanden op de rechterklep, die t. o.v.elkaar divergeren .vanonder de umbo; tussen de twee tanden ligt de alveool waarin de tand van de linkerklep past.
    Binnen de linkerklep ligt één cardinale tand.
    Er zijn geen laterale tanden aanwezig
    Schelpornamentatie; Zeer fijne groeistrepen op de buitenkant.
    Spierindrukken; Praktisch niet te zien.

GASTROPODA

  • Potamides lamarcki BRONGNIART
    Synoniem; Potamides cf. tricinctum (Brocchi)
    Systematiek; Superfam.
    Cerithiacca
    Familie Potamidae
    Voorkomen; Overvloedig
    Afmetingen en vorm; Max. hoogte  32rnm. max. breedte (laatste winding): 10 mm.
    Er komen ongeveer 13 windingen voor: op elke winding ziet men 3 hoofdspiralen. waarvan de middelste de zwakste is.
    De spiralen worden gekruist door talrijke lengteribben, die hun aanwezigheid verraden door het feit dat zij op het snijpunt met de spiralen vierkante knobbeltjes vormen, waardoor. de schelp een gekorreld uitzicht krijgt. De apertura is tamelijk klein en subrhomboidaal afgerond, met een zeer kort kanaal dat rond is afgesneden. De lip is zeer fijn en heeft een sinusvormige inkeping.
  • Ptychopotamides thenensis E. VINCENT
    Systematiek; Zie Potamides lamarcki
    Voorkomen; Minder frequent dan P. lamarcki
    Afmetingen en vorm; Max. hoogte: 36mm.
    Max. breedte (laatste winding) :!: 13mm.
    Zeer moeilijk te onderscheiden van P. lamarcki
    Er zijn ongcveer 8 windingen.
    De apicale hoek is stomper bij Ptychopotamides thenensis dan bij P. lamarcki.
    De ornamentatie op de schelp is hetzelfde als bij P. lamarcki.
  • Nystia Pseudolicata GLIBERT et deHEINZELEIN
    Systematiek; Superfam. Rissoacea
    Fam. Hydrobiidae
    Voorkomen; Overvloedig'
    Afmetingen en vorm; Hoogte: 5mm.
    Breedte 2mm.
    Zeer kleine schelp met een conische vorm in het juveniele stadium en later afgeplat in het volwassen stadium. Het aantal windingen varieert van 3 (volwassen) tot 7 (juveniel).
    De eerste drie windingen breken namelijk af en laten zodoende een litteken achter op de volwassen schelp. Op de schelp komen er ongeveer 25 dikke axiale ribben per winding voor. De apertura is groot en ovaal.

de werkgroep paleontologie, Sleurs W.

BIBLIOGRAFIE

ALBRECHT und VALK W (1943) Oligocäne invertebraten von SüdLimburg. med. Geol. st., .serie C-4-1-N°3.

GLIBERT M. et deHEINZELEIN J. (1952). Le gîte des vertébrés tongriens de Hoogbutsel. (Inst. Roy. SC. Nat. Belg. Deel 28 nr.52. p.1.-22

GLIBERT M. et de.HEINZELEIN J. (1954a) L'Oligocène inférîeur beIge. Mém. jubilaire V. VAN STRAELEN,  Bruxelles,pp. 273-438.


 

P.S. In .zijn artikel beweert onze medewerker Willy Sleurs dat én de Zanden van Boutersem én de -Klei van Hoogbutsel zeer bekend zijn, en dat zij reeds meermaals het voorwerp waren van intensief wetenschappelijk onderzoek. Dit feit wordt eens te meer bewezen door een rapport dat we zopas ( 2-11-77 ) ontvingen vanwege het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie te Leiden in Nederland. Zoals U reeds weet, werden dit jaar opgravingen te Butsel gedaan door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen te Brussel onder de leiding

van de heer Hasaerts. Na beëindiging hiervan verrichtte de heer A.W.Janssen van het Rijksmuseum: te Leiden een bijkomend onderzoek: bij deze gelegenheid maakte hij ter plaatse een uitvoerige profielbeschrijving van de gegraven ontsluiting.

In volgend Velpelevennummer hopen we zijn verslag in extenso te kunnen publiceren.

GEYSENS R.

 

 

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany