|
De
meeste inwoners van Boutersem weten: waarschijnlijk, dat er in hun dorp
reeds verschillende malen fossiele schelpen werden opgegraven., of
hebben zelf reeds deze fossielen opgegraven. Anderen hebben deze rijke
collectie kunnen bewonderen tijdens de
tentoonstelling "4jaar Velpeleven".
Sommigen zullen zich waarschijnlijk
reeds hebben afgevraagd hoe deze schelpen hier zijn geraakt. De ouderdom
van deze fossielen kan geschat worden op zo'n 36 miljoen jaren. Wij gaan
nu even zoeken naar de oorsprong van dit fijn, wit, fossielhoudend zand,
.dat in de geologie en de paleontologie officieel. bekend staat onder de
naam "Zanden en mergels van Boutersem" en de zwarte plakkerige kleilaag
van Hoogbutsel' onder de benaming "Horizon van Hoogbutsel'
Vooraleer
in te gaan op het ontstaan van deze zanden en klei gaan we eerst enkele
begrippen uit de geologie nader toelichten.
Transgressie en regressie

In de loop
der tijden gebeurt het regelmatig dat de bodem daalt, of' dat het
zeeniveau stijgt door het smelten van het poolijs. Als gevolg daarvan
gaat de zee meer land,inwaarts opschuiven en wordt het land overspoeld,
dit proces wordt transgressie genoemd. Het zeewater sleurt talrijke
bestanddelen mee die dan verderop weer worden afgezet. Naarmate de
bestanddelen zwaarder zijn, zullen ze eerst worden afgezet: eerst wordt
grint daarna zand en tenslotte klei afgezet.
Het
omgekeerde proces kan zich echter eveneens voordoen: de bodem gaat
stijgen of het zeeniveau daalt. In dit geval gaat de zee zich
terugtrekken: dit proces noemt men regressie.
Zo blijven er lagunes over achter een of andere zandbank juist voor de
kust. Andere afzettingen kunnen afkomstig zijn van rivieren, meren en
poelen.
Klei van Hoogbutsel

De
Horizon van Hoogbutsel is stratigrafisch gezien gelegen tussen de zanden
van Boutersem en de zanden van Neerrepen. (Plaat 2). De laag is slechts
enkele tientallen centimeters dik, en is ontstaan uiteen. continentale
afzetting. Het.bovenste gedeelte bestaat uit een vette kleilaag en het
onderste gedeelte is een mergellaag met invertebrate fossielen.
Men is het eens dat de Horizon van
Hóogbutsel ontstaan is uit een polderafzetting. Door de terugtrekkende
zee," tijdens het onder-oligoceen (Plaat 1), werden grote
zoetwaterpoelen achtergelaten, die zich over het platteland uitstrekten.
Het leven bereikte op bepaalde punten van 'deze poelen een enorme
intensiteit. Vele vertebraten zoals, kleine knaagdieren, vogels, en
reptielen zouden in de modderige bodem zijn omgekomen.
Men kan het landschap van die tijd
best vergelijken met de huidige toestand in de baai van Louisiana en
Florida.
Dergelijke afzettingen zijn zeer zeldzaam, en de horizon van Hoogbutsel
heeft dan ook tot in Amerika bekendheid verworven. Mogelijk komen we in
een later nummer van "Velpeleven1i terug op de fossiele inhoud van deze
laag.
Zanden van Boutersem
Misschien
minder spectaculair dan de Horizon van Hoogbutsel wegens het ontbreken
van vertebraten-resten, maar daarom niet minder interessant zijn de
zanden van Boutersem. Deze laag situeert zich stratigrafisch tussen de
Zanden van Kerkom en de Horizon van Hoogbutsel. Waar de Horizon van
Hoogbutsel afwezig is rusten de zanden van Boutersem op de Zanden van
Neerrepen. De laag met de fossielen(Zanden met Corbicula) bestaat uiteen
zand met middelmatige korrelgrootte, wit van kleur, zeer droog, en
waarschijnlijk van brakwateroorsprong wegens de typische brakwaterfauna
( Corbicula en Potamides).
Beschrijving van de fossiele vondsten van
Boutersem

PELECYPODA
-
Corbicula semistriata DESHAYES
Systematiek: Subordo Heterodonta
Familie Corbiculidae
Voorkomen; Overvloedig
Afmetingen en vorm; Max. lengte 30mm
Max. breedte! 0 mm
Korfjesachtig wegens de diepe welving, 9mm. onder de slotrand; het
gedeelte vanaf de welving tot aan het uiteinde van de klep is vlak.
Slotkenmerken; Elke klep heeft 2 cardinale tanden, terwijl op de
linkerklep nog 2 laterale tanden voorkomen, en in de rechterklep de 2
corresponderende uithollingen.
Schelpornamentatie; Zeer fijne concentrische groeilijnen.
-
Ostrea cyathula LAMARCK
Systematiek; Ordo Anisomyaria
Familie Ostreidae
Voorkomen; Relatief weinig
Afmetingen en vorm; Lengte ~ 30mm.
Breedte + 20mm.
De linkerklep is diep gewelfd, de rechterklep is licht convex.
Slotkenmerken; De ligamentgroeve van de linkerklep is driehoekig,
terwijl deze van de rechterklep vlak is. Schelpornamentatie; Vanuit
de welving vertrekken op de linkerklep ongeveer 40 dikke ribben; op de
rechterklep zijn alleen concentrische groeilijnen te zien.
Spierindrukken; één halvemaanvormige spierinduk op de binnenkant van
'elke klep.
-
Parvicardium scobinula d'ORBIGNY
Systematiek; Ordo Heterodonta
Familie Cardiidae
Voorkomen; Relatief zeldzaam
Afmetingen en vorm; max. lengte 8mm.
Max. breedte - Bmm.
Zeer dunne schelpen met afgeronde vierkante vorm.
Slotkenmerken; Slechts 1 cardinale tand op de linkerklep en 2 laterale
tanden: 1cardinale tand op de rechterklep Schelpornamentatie; Vanuit
de umbo divergeren een 20-tal dikke ribben naar het uiteinde van de
schelp toe. Spierindrukken; moeilijk te zien
-
Lentidium nysti DESHAYJES
Systematiek; Superfam. Myacea Fam. Aloididae
Voorkomen; Relatief veel voorkomend
Afmetingen en vorm; max. breedte 6mm.
vlax. lengte - 4mm.
Ovale vorm.
Slotkenmerken; De rechterklep bezit 1 cardinale tand die driehoekig
van vorm is en die juist onder de umbo is ingeplant. De linkerklep
bezit eveneens 1 cardinale tand, die loodrecht op de binnenkant van
schelp, juist onder de umbo ligt. De linkerklep bezit één laterale
tand, die voorkomt als een voortzetting van de schelprand en waarmee
in de rechterklep een groeve correspondeert.
Schelpornamentatie; Op de buitenkant komen zeer fijne groeilijnen
voor.
Spierindrukken; Zeer moeilijk te zien.
-
Sanguinolaria brabantina VINCENT
Systematiek; Ordo Heterodonta
Superfam. Tellinacea
Familie Sanguinolariinae
Voorkomen; Zeer zeldzaam in de zanden van Boutersem
Afmetingen en vorm; max. breedte:!: 19mm.
Max. Hoogte:!: 10 mm.
Ellipsvormig
Slotkenmerken; Twee zeer fijne cardinale tanden op de
rechterklep, die t. o.v.elkaar divergeren .vanonder de umbo; tussen
de twee tanden ligt de alveool waarin de tand van
de linkerklep past.
Binnen de linkerklep ligt één cardinale tand.
Er zijn geen laterale tanden aanwezig
Schelpornamentatie; Zeer fijne groeistrepen op de buitenkant.
Spierindrukken; Praktisch niet te zien.
GASTROPODA
-
Potamides lamarcki
BRONGNIART
Synoniem; Potamides cf. tricinctum (Brocchi)
Systematiek; Superfam. Cerithiacca
Familie Potamidae
Voorkomen; Overvloedig
Afmetingen en vorm; Max. hoogte 32rnm. max. breedte (laatste
winding): 10 mm.
Er komen ongeveer 13 windingen voor: op elke winding ziet men 3
hoofdspiralen. waarvan de middelste de zwakste is.
De spiralen worden gekruist door talrijke lengteribben, die hun
aanwezigheid verraden door het feit dat zij op het snijpunt met
de spiralen vierkante knobbeltjes vormen, waardoor. de schelp een
gekorreld uitzicht krijgt. De apertura is tamelijk klein en
subrhomboidaal afgerond, met een zeer kort kanaal dat rond is
afgesneden. De lip is zeer fijn en heeft een sinusvormige inkeping.
-
Ptychopotamides thenensis E. VINCENT
Systematiek; Zie Potamides lamarcki
Voorkomen; Minder frequent dan P. lamarcki
Afmetingen en vorm; Max. hoogte: 36mm.
Max. breedte (laatste winding) :!: 13mm.
Zeer moeilijk te onderscheiden van P. lamarcki
Er zijn ongcveer 8 windingen.
De apicale hoek is stomper bij Ptychopotamides thenensis dan bij P.
lamarcki.
De ornamentatie op de schelp is hetzelfde als bij P. lamarcki.
-
Nystia Pseudolicata GLIBERT
et deHEINZELEIN
Systematiek; Superfam. Rissoacea
Fam. Hydrobiidae
Voorkomen; Overvloedig'
Afmetingen en vorm; Hoogte: 5mm.
Breedte 2mm.
Zeer kleine schelp met een conische vorm in het juveniele stadium en
later afgeplat in het volwassen stadium. Het aantal windingen varieert
van 3 (volwassen) tot 7 (juveniel).
De eerste drie windingen breken namelijk af en laten zodoende een
litteken achter op de volwassen schelp. Op de schelp komen er ongeveer
25 dikke axiale ribben per winding voor. De apertura is groot en
ovaal.
de werkgroep paleontologie, Sleurs W.
BIBLIOGRAFIE
ALBRECHT
und VALK W (1943) Oligocäne invertebraten von SüdLimburg. med. Geol. st.,
.serie C-4-1-N°3.
GLIBERT M. et deHEINZELEIN J. (1952). Le gîte des
vertébrés tongriens de Hoogbutsel.
(Inst. Roy. SC. Nat. Belg. Deel 28 nr.52.
p.1.-22
GLIBERT M. et de.HEINZELEIN J. (1954a) L'Oligocène
inférîeur beIge. Mém. jubilaire V. VAN
STRAELEN, Bruxelles,pp. 273-438.
P.S. In
.zijn artikel beweert onze medewerker Willy Sleurs dat én de Zanden van
Boutersem én de -Klei van Hoogbutsel zeer bekend zijn, en dat zij reeds
meermaals het voorwerp waren van intensief wetenschappelijk onderzoek.
Dit feit wordt eens te meer bewezen door een rapport dat we zopas (
2-11-77 ) ontvingen vanwege het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie
te Leiden in Nederland. Zoals U reeds weet, werden dit jaar opgravingen
te Butsel gedaan door het Koninklijk Belgisch Instituut voor
Natuurwetenschappen te Brussel onder de leiding
van de
heer Hasaerts. Na beëindiging hiervan verrichtte de heer A.W.Janssen van
het Rijksmuseum: te Leiden een bijkomend onderzoek: bij deze gelegenheid
maakte hij ter plaatse een uitvoerige profielbeschrijving van de
gegraven ontsluiting.
In volgend
Velpelevennummer hopen we zijn verslag in extenso te kunnen publiceren.
GEYSENS R.
|