Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1977, nummer 6
"Opgravingen te Butsel."

INLEIDING

Zoals reeds gemeld werd in ons vorig nummer ontvingen we twee rapporten over de opgravingen die vorig jaar te Butsel (Boutersem) gedaan werden.

Deze uitvoerige verslagen zijn van de hand van de heer A.W. JANSSEN, medewerker aan het Rijksmuséum van Geologie en Mineralogie te Leiden (Nederland) en die de door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen gegraven ontsluiting aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen had.

Zo stelde hij ter plaatse onder meer een profielbeschrijving op die we, gezien het belang voor de wetenschap, hieronder integraal weergeven.

DE VOORZITTER

 

RAPPORT 54

BOUTERSEM (VLEMINCKX)

Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie
Hooglandse Kerkgracht 17
Leiden


RAPPORT BETREFFENDE EEN TIJDELIJKE ONTSLUITING IN DE ZANDEN VAN BOUTERSEM EN DE MERGEL MET CHARA TE HOOGBUTSEL, GEMEENTE BOUTERSEM, BELGIË.

Ontsluiting nummer:

Veldaanduiding: Boutersem, Maison Vleminckx.
Plaats: Hoogbutsel, Boutersem, provincie Brabant, België, aan de westzijde van het pand Kerkomsestraat 119.
Coördinaten: X = 183,86 Y = 170,95.
Datum: 17 en 18 oktober 1977.
Maaiveldhoogte: omstreeks 79m. + O.P. (geschat vanaf de topografische kaart)
Methode: kleine gegraven ontsluiting in voormalige zandgroeve.
Beschrijving: A.W. Janssen


Ten behoeve van de collecties werd in de door Glibert en De Heinzelin (1954), " L’ Oligocene inférieur belge", onder loc. nr. 2, beschreven vindplaats opnieuw ontsloten. Op deze plaats bevindt zich achter bet huis  van de familie Nackaerts-Vleminckx, Kerkomsestraat 119, een reeds sinds jaren verlaten zandgroeve, waarvan de wanden afgestort en overgroeid zijn. Deze locatie werd zeer frequent door verzamelaars bezocht, omdat hier de zeer fossielrijke Zanden van Boutersem bereikbaar zijn.

Door dit frequente bezoek van verzamelaars is het nu tamelijk moeilijk geworden om nog een plaats te vinden waar de fossielhoudende lagen op zinvolle schaal te ontsluiten zijn. Na het verzetten van 2 à 3 m grond kon het hiernavolgende profiel worden opgenomen.

 

BESCHRIJVING

  • 0,00 - 0,60 m: bruine n blauwgroene kleibrokken, gemengd met  zand en afval, geroerd.
     
  • 0,60 – 0,85 m: donkergroengrijze, vette, taaie klei, met vele kleine lensjes zeer fijn, wit zand, in het midden gelamineerd.
     
  • 0,85 - 0,91 m: sterk kleiig, bruin zand, met zeer veel zeer slecht geconserveerde schelpen. Aan de bovenzijde, een bandje van 0,5 cm steriel, aan.de onderzijde een bandje van 1 cm steriel.
     
  • 0, 91 - 1,10 m: grijze, vrij harde mergel, met enkele roestbruine vlekjes, in diaklazen gebroken. Vele kleine, witte schelpen (Nystia), een enkele grotere schelp (Lymaea) Naar onder geleidelijk overgaand in
     
  • 1,10 - 1,15 m: iets zandige, grijsgroene klei, met minder schelpen dan boven Enkele harde, grijsgele kalkconcreties.
     
  • 1,15 - 1,31m: fijn, glimmerhoudend, iets slibhoudend zand, geelgroen, tot licht geelgroen, gevlekt, met resten van horizontale gelaagdheid, verstoord door vrij veel vage graafgangen. Sediment het donkerst.. (donker geelgroen) op de meest slibhoudende plaatsen. In de bovenste 2 cm een laagje slecht bewaarde schelpen (Polymesoda).
     
  • 1,31 - 1,44m: zand als boven, met vele witte schelpen. (Polymesoda, Pirenella, Tympantonos, Pchytopotamides, Potamides, etc.) De onderste 2 a 5 cm met sterke oxidatie. (sediment roestbruin verkit, schelpen gedeeltelijk opgelost)
     
  • 1,44 - 1,72 m: fijn, grijswit met lichtgeelgroen, glimmerhoudend zand met onduidelijke horizontale structuren en enkele graafgangen. Op 1,65 m een, bandje (1 cm) sterk slibhoudend donker geelgroen.
     
  • 1,72 - 1,76 m: sterk zandige, harde klei, zeer donker geelgroen met graafgangen (rond op doorsnede, vrijwel verticaal tot scheef, opgevuld met zand als boven.
    Opmerking: dit ogenschijnlijk onbelangrijke laagje is volgens de zoon van de vroegere groeve-eigenaar, de heer R. Vleminckx, in de gehele groeve aanwezig geweest. Juist deze laag werd gebruikt als ondergrond waarop karren en dergelijke konden rijden.
     
  • 1,76 - 2,14m: fijn, weinig slibhoudend zand, groengrijs tot geel-groen, met duidelijke horizontale gelaagdheid en min of meer verticale graafgangen met lichtere opvulling.
     
  • 2,14 - 2,38m: zand als boven, grijswit tot wit. Horizontale sedimentaire structuur, met vooral bovenaan min of meer verticale graafgangen, opgevuld met donkerder (geelgroen) sediment.

Ten behoeve van de collecties werden uit de niveaus 0,91 - 1,10 m en 1,31 - 1,44 m grote slibmonsters verzameld.
Laatstgenoemde laag werd ter plaatse geslibd met een zeef tafel en water uit de waterleiding. Een volledige serie grondmonsters uit dit profiel is eveneens in de collecties aanwezig.

De schelplaag van 1,31 - 1,44 m is op korte afstand in zuidelijke richting aanmerkelijk dikker. De laag lijkt naar het noorden uit te wiggen. Door de geringe dikte van de fossiellaag viel het resultaat van deze verzamelactie enigszins tegen, hoewel een goede collectie van de frequent voorkomende soorten kon worden verzameld. Voor het verkrijgen van de zeldzamere soorten is het wenselijk nogmaals en dan enkele meters meer naar het zuiden, deze laag te ontsluiten.

Interpretatie van het profiel:

  • 0,00 - 0,60m: geroerde grond
  • 0,60 - 0,85m: basis van de "glaise verte" of "glaise noire"?
  • 0,85 - 0,91m: ?
  • 0,91 - 1,15m: "Marne à Chara"
  • 1,15 - 1,44m: zanden van Boutersem
  • 1,44 - 2,38m: zanden van Neerrepen

Een definitieve interpretatie van dit profiel kan eerst worden gegeven zodra het onderzoek van de oligocene afzettingen in dit deel van België verder is -

Ongeveer 50 m verder westelijk en enkele meters hoger werd in 1971 een put gegraven door de bewoner. In deze put, waarvan de nauwkeurige profielbeschrijving helaas niet meer aanwezig is (monsters zijn wel in de RGM collectie aanwezig), werd boven het hier omschreven profiel nog een pakket groene kleien (glaise verte) aangetroffen, welke ten dele fossielhoudend is. (Ostrea cyathula) Op deze kleien werden lichtgekleurde zanden aangetroffen, vermoedelijk de Zanden van Kerkom.

De laag van 0,91 - 1110 m vertoont op het eerste gezicht veel overeenkomst met de mergel welke werd aangetroffen direct onder de klei van de "Vertebratenhorizon" te Hoogbutsel. (zie rapport 55) Nader onderzoek van de molluskenfauna in beide mergels zal moeten uitmaken of deze niveaus inderdaad overeenkomen.

Deze verzamelactie werd uitgevoerd met de hulp van de heer C.P. Strang (RGM) en de heer T. Meijer, Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Beide heren is hiervoor dank verschuldigd.
Veel dank verdienen verder de heer en mevrouw M. Nackaerts-Vleminckx, voor het verlenen van toestemming en gastvrijheid en voor hun toestemming voor een eventueel in 1978 te graven ontsluiting.
 

Leiden, 24 oktober 1977 (A.W. Janssen)

Rapport aan: directeur RGM
archief RGM
archief afdeling
archief Tongeren onderzoek
de heer T. Meijer, Rijks Geologische Dienst, Haarlem
de heer en mevrouw Nackaerts-Vleminckx, Boutersem
de heer M.C. Cadée, Leiden
de heer R. Geysens, Boutersem
archief Aardkundige Dienst van België, Brussel
.


 

RAPPORT 55

HOOGBUTSEL, VERTEBRATENHORIZON

Rijksmuseum van geologie en Mineralogie,
Hooglandse Kerkgracht 17,
Leiden.


RAPPORT BETREFFENDE EEN ONTSLUITING IN DE VERTEBRATENHORIZON VAN HOOGBUTSEL, GEMEENTE BOUTERSEM, BELGIË.

Op de door o.a. Glibert en De Heinselin (1954), "L’Oligocène inférieur beIge", beschreven vindplaats van de "vertebratenhorizon van Hoogbutsel" werd in de loop van 1977 door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen een grote ontsluiting gemaakt voor het bemonsteren van de fossielhoudende klei. Geruime tijd was de uitgraving omgeven door een hekwerk. Bij een bezoek in oktober 1977 bleek het onderzoek van het K.B.I.N. aldaar te zijn beëindigd. Over een oppervlak van bijna 8 x 4 meter was de fossielhoudende klei weggegraven. Van deze gelegenheid werd nu gebruik gemaakt om ter plaatse een profielbeschrijving te maken en tevens kon t.b.v. de RGM-collecties nog een flink groot mollusken- en vertebratenhoudend monster worden verzameld.

Ontsluiting nummer:

Veldaanduiding: vertebratenhorizon Hoogbutsel
Plaats: Nachtegaalstraat, Hoogbutsel, gemeente Boutersem, provincie Brabant, België
Coördinaten: X = 183,41
                      Y = 170,91
Datum: 18 en 22 oktober 1977
Maaiveldhoogte : omstreeks 70 m + O.P. (geschat vanaf de topografische kaart)
Methode: profielopnamen in gegraven ontsluiting
Beschrijving: A.W. JANSSEN

Omdat het profiel in deze ontsluiting op zeer korte afstanden aanmerkelijke verschillen vertoont werden drie opnamen gemaakt, welke samen een beeld geven van de verschillende afzettingen. De genoemde punten zijn aangegeven op onderstaande schematische afbeelding van de uitgraving.

schematisch overzicht van de ontsluiting (lengte ca. 8 m)
De na het onderzoek van het K.B.I.N.nog aanwezige kleiblokken zijn horizontaal gearceerd.

Tegen de achtergrond van de ontsluiting kon het langste profiel. worden opgenomen (profiel 1):

  • 0,00 - 0,80m: fijn, geelgrijs zand vermengd met zandige geelbruine klei. Enkele silexkeien. Gehele laag sterk doorworteld, geroerd.
     
  • 0,80 - 1,35m: fijn, lichtgroengrijs tot lichtgeelgrijs zand, met vooral in de onderste 20 cm vrij veel donkere mineralen, welke resten van k1eine scheve gelaagdheden accentueren. Ongeveer in het midden een circa 10m dik niveau met talrijke oranjebruine vlekken en harde limonietconcreties. Gehele 1aag doorworteld. In de onderste 5 cm onregelmatige resten grijsgeel zand en kleine kleilenzen, alsmede enkele onduidelijke graafgangen.
  • 1,35 - 1,72m: grijsbruin tot bruin, fijn kleiig zand, kleigehalte naar onder toenemend. Onregelmatigo.oranjebruine vlekken en lagen harde limonietconcreties in de gehele .laag. Binnen en onder de concreties is het sediment grijsgroen van kleur. Enkele verticale wortels.
    Opmerking: enkele meters verder naar rechts is deze laag overwegend grijsgroen van kleur en bevat minder concreties.  
      
  • 1,72 - 1,81m: zwarte tot donkerrbruinzwarte, vette, brokkelige klei, met een enkel.botfragment. Geleidelijk (maar snel) overgaand in: 
  • 1,81 - 2,03m : donkergrijsgroene met bruin gevlekte, vette klei, doorworteld met een enkel botfragment  (schildpad).
  • 2.03 – 2,17m: grijsbruin kleiig zand aan de basis met enkele roestbruine bandjes, naar boven met enkele vage groenbruine vlekken. Aan de top {tot maximaal over10 cm onder de top) onregelmatig verdeelde, scherpbegrensde geelbruine vlekken. De bovenste cm bevat plaatselijk kleine witte mollusken. ( Planorbidae, Polymesoda, Nystia)  
  • 2,17 - 2,31m: fijn lichtgeelgrijs zand met zeer vage geelgroen vlekken. Aan de top over 5 cm met onregelmatige roestbruine vlekken. Plaatselijk een bandje grijsbruin, kleiig zand, anastomiserend met de erboven liggende laag.
  • 2,31 - 2,35m : grijsbruin, fijn, iets kleiig zand.
  • 2,35 - 2,65m: fijn zand, onderaan grijsgroen, naar boven via vlekken overgaand in geelgrijs zand. Naar onder iets kleihoudend, met een 0,5 cm dik groengrijs bandje sterk kleiig zand aan de basis. Bovenaan een niet horizontaal bandje grijsbruin, kleiig zand van 1 om dikte, anastomiserend met de erboven liggende laag. In de bovenste helft van deze laag kleine roestbruine vlekjes.
  • 2,65 - 2,75m: fijn, lichtgrijsgroen zand, met horizontale, iets donkerder bandjes.

Grondmonsters van bovenstaand profiel zijn aanwezig in de RGM-collectie. Op zeer geringe afstand van profiel 1, namelijk ongeveer 1 m naar rechts, ter plaatse van het nog aanwezige blok klei (zie fig.) is het aanwezige profiel als volgt (profiel 2):

  • 0,00 - 0,10m: zwarte tot donkerbruinzwarte, brokkelige klei, doorworteltd.
  • 0,10 - 0,30m: donkergrijsgroene met bruin gevlekte, vette klei doorworteltd. De onderste 5 cm met vele fragmentaire mollusca en zeer weinig botfragmenten. In het steriele gedeelte een deel van een schildpadskelet in connectie.

·         0,30 - 0.40m: lichtgroene vette klei, met vele fragmentaire mollusca (Nystia) en enkele botfragmenten.

·         0,40 - 0.50m: grijsbruin, kleiig zand, aan de top iets meer roestbruin gekleurd en met enkele witte schelpen (Nystia, Planorbidae, Polymesoda) in de bovenste cm.

Van profiel 2 is alleen een grondmonster aanwezig van het niveau 0,30 – 0,40m a. Het niet-molluskenhoudende deel van de kei wordt bemonsterd voor vertebraten, het molluskenhoudende deel voor molluskenonderzoek en vertebraten.

Het niveau 2,03m in profiel 1 ligt ongeveer op dezelfde hoogte als het niveau 0,40m in profiel 2, de top van de kleilaag ligt in profiel 2 derhalve hoger dan in profiel 1. Verder naar rechts (zie fig.) is de lichtgroene molluskenhoudende klei weer snel uit het profiel verdwenen.

Bij punt 3 (zie fig.) is het profiel.weer geheel anders (uitgegraven naar onder).

Profiel 3

  • 0,00 - 0.20 m : (bovenliggende lagen afgegraven) fijn, grijsbruin tot roestbruin licht kleiig zand met limonietconcreties.
     
  • 0,20 - 0,40 m : vette klei, de onderste 10 cm donkergrijsgroen, waarvan de onderste 5cm met vele fragrnentaire mollusken: de bovenste 10 cm donkerbruinzwart. Gehele laag met weinig botfragmenten, en doorworteld. Gehele laag in diaklazen gebroken. Vooral in de onderste 10 cm een enkele onregelmatige grijsrose concretie en enkele dunne laagjes geelgroen zand.
     
  • 0,40 - 0,63 m : geelgrijze mergel, hard, in diaklazen gebroken, op de breukvlakken donkerbruinzwarte klei en sterk doorworteld. Vooral aan de basis in de mergel enkele schelpjes (Nystia). Plaatselijk, zowel onderin als bovenin de laag, soms zelfs de gehele laag vervangend, nesten donkergrijze tot zwarte, steriele, vette klei.
     
  • 0,63 - 0,66 m : kleiig, fijn zand, roestbruin, doorworteld. Hier en daar een zeer slecht geconserveerde schelp (Polymesoda).
     
  • 0,66 - 1,21 m : fijn zand, de onderste 20 cm lichtgrijsgroen met lichtere vlekken, van 0,91 - 1,01 m lichtbruin-grijs met duidelijke violette zweem. Van 0,66 - 0,91 m lichtgrijsgeel. De bovenste 35 cm met vele onregelmatig schuin verlopende grijsbruine, iets kleiige aders.
     
  • 1,21 - 1,41 m : grijsgroen fijn zand, min of meer duidelijk horizontaal gelaagd en met vele graafgangen, opgevuld met grijswit zand.Een enkel nest roestbruin verkleurd zand ( geleidelijke overgang naar bovenliggende laag).

De mergel (0,40 - 0,63m) vertoont veel overeenkomst met de Marne à Chara welke o.a. aangetroffen wordt bij Maison Vleminckx .(zie rapport 54) Of beide lagen inderdaad kunnen worden gecorreleerd zal moeten blijken uit een onderzoek van de fauna. De basis van de mergel lijkt op gelijke hoogte te liggen als de bases van de kleilagen in de profielen 1 en 2.

Van profiel 3 is een volledige serie grondmonsters in collectie RGM aanwezig. Van de mergellaag werden extra monsters verzameld voor paleontologisch onderzoek.

Een interpretatie van de onder en boven de vertebraten houdende kleilagen liggende zanden kan op dit moment nog niet worden gegeven. Het is onduidelijk of onder de kleilagen (en de mergellaag) nog Zanden van Boutersem aanwezig zijn, of dat hieronder direct de Zanden van Neerrepen volgen. Tevens is het onduidelijk tot welk stratigrafisch niveau de zanden behoren welke boven de kleilagen aanwezig zijn. Het zou aanbeveling verdienen de kleihoudende niveaus te bemonsteren voor eventueel palynologisch onderzoek. Het is mogelijk op de beschreven plaats nog een grote hoeveelheid fossielhoudend sediment te verzamelen, vooral van belang voor vertebraten.

De eigenaar van het betreffende stuk grond is Notaris Bokrijk te Hasselt (mededeling van boswachter F. Bogaerts). 

Correlatie van de drie opgenomen profielen (vergelijk fig. op p.1)

Tijdens monsteropname en profielopname werd ondergetekende geassisteerd door de heren C.P. Strang (RaM) en T. Meijer (Rijks Geologische Dienst, Haarlem) en door mevr. E. Janssen-Kruit.

Leiden, 25 oktober 1977

(A.W. Janssen)

Rapport aan: directeur RGM
archief RGM
archief afdeling
archief Tongeren onderzoek
de heer T. Meijer, Rijks Geologische Dienst, Haarlem de heer M. Freudenthal, RGM
de heer M.C. Cadée, Leiden
de heer R. Geysens, Boutersem
Kon. Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Brussel

archief Aardkundige Dienst van België, Brussel

Terug naar "artikels"

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany