Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1995, nummers 4, 5, 6.
"Het klooster van de Cisterciënserinnen te Kerkom."

 

In Kerkom bestond ooit, zij het zeer kortstondig, een klooster van CISTERCIËNSERINNEN of Zustersreligieuzen van de Orde van Cîteaux. ( of Cisteaux.

ORDE VAN CISTEAUX.

CISTERCIËNSERS & CISTERCIËNSERINNEN

Cîteaux (Cisteaux), afgeleid van Cistercium, is de naam van de voormalige hoofdabdij der Cisterciënzers, gelegen in een onherbergzame streek in de omgeving van Dijon (Frankrijk), meer bepaald in de gemeente St-Nicolas-lès-Cîteaux van het kanton Nuits, arr.Beaune van het Dep. Cöte d'or.
De Cisterciënzers werden vroeger ook Schier-monniken of Grijze monniken geheten om hun oorspronkelijk. witgrauwachtige kledij van ongeverfde wol.
De Orde werd initieel gesticht door St Robertus, Benedictijnenabt van Molesme: het klooster van Cîteaux werd opgericht in 1098.
Het is evenwel de H.Bernardus van Clairvaux die in 1112, onder het bestuur van de derde abt, St Stephanus Hardy, die in 1125 de vrouwelijke tak (Cisterciënserinnen) zou stichten, die de echte zweepslag zou geven aan de Orde.
Hij werd de ziel en de pionier van het nieuwe ordegenootschap, dat zich geweldig zou uitbreiden over gans Europa, tot in Sicilië, Scandinavië en tot aan Libanon toe.
Wegens die immense invloed wordt Bernardus wel eens de tweede stichter van de Cisterciënzers - en deze zelf Bernardijnen -genoemd.
I
n de bloeitijd, dit is tot ongeveer 1342, overtroffen de Cîteaux stichtingen die van elk ander monastiek genootschap: meer dan 720 mannelijke en bij de 900 kloosters voor de vrouwelijke tak.
Na twee eeuwen van bloei trad sedert ca 1350 een langzaam verval in, waaraan zowel uiterlijke als innerlijke factoren hebben meegewerkt.

De statuten

De statuten van Cîteaux, gebundeld in de "Charta der christelijke liefde" zijn gebaseerd op:

  • De strikte onderhouding van het apostolisch leven,
  • Uiterste armoede met verachting van alle rentegevende schenkingen en eigendom;
  • Gestrenge eenvoud, tot in de kerkgebouwen en het kerkmeubilair toe;
  • Absolute eenzaamheid, zodat zelfs het geven van onderwijs aan en het uitoefenen van de zielszorg bij niet-kloosterlingen werd verboden;
  • De studie beperkt tot wat direct het geestelijk leven dient; Het wederinvoeren van de handenarbeid om te kunnen bestaan van eigen werk.

Deze statuten waren opgesteld door een Engelsman, Stephanus Harding.

De Cisterciënzers bevorderden, vooral in onze gewesten, de landbouw en de veeteelt, deden aan heideontginning, maakten tal van horigen en lijfeigenen tot vrije pachters, legden zich toe op een uitgebreide charitatieve en sociale werkzaamheid, en hebben aldus veel bijgedragen tot de economische ontwikkeling in het westen, alsmede tot de ontvoogding en de verheffing van de landelijke bevolking.

Ieder klooster zou zijn zelfstandigheid bewaren op zulke manier dat een zekere band van afhankelijkheid zou blijven bestaan, enerzijds tegenover de stamabdij van waaruit het gesticht was geweest, en anderzijds, tegenover de superiorgeneraal van de Orde, de abt van Cîteaux.

Het klooster in Kerkom

Komen we nu terug tot de vestiging van de Cisterciënserinnen te Kerkom. Lang zouden ze er niet blijven!
In vroege tijden maakte Kerkom deel uit van een uitgestrekt gebied, dat de Abdij van Inde bij gift verkreeg, waarschijnlijk, van keizer en koning Louis le Débonnaire.Ook de omgeving van Tienen hoorde hierbij.
Het is die Abdij van Inde, die in het begin van de 13de eeuw een vestigingsplaats toewees aan een klein genootschap van maagden van de Orde van Cîteaux, of Cisterciënzer.
Het is, echter, onbekend van waar deze zusters kwamen: ze kwamen zeker niet van Kerkom zelf. Ook het juiste jaar van hun komst staat niet vast, ofwel rond 1200 ofwel rond 1207.
Ze vestigden zich in een bijgebouw van de hoeve van Velphoven, die later eigendom zou worden van het Bureau van Weldadigheid van Leuven.

Foto, genomen in noordelijke richting vanaf de hoeve van Velphoven.

De aarde weg leidt naar het kapelleken van O.L.V. van de Boskant, opgericht in de 2de helft van de 19de eeuw, rond 1870, ter herdenking van een tragisch ongeval, waarbij Eduard Reinquin, zoon van Karel en van A.C.Deputter, overreden werd door een wiel van een kar, en hierbij het leven verloor. Deze kapel was gedurende lange tijd een bedevaartsoord.

Ongeveer een 50-tal meters naar links zou in het begin van de 13de eeuw het klooster van de Cisterciënzer gestaan hebben. De boerderij, rechts op de foto, hoorde toe aan Constant Reinquin - Roelants.

Hoogst waarschijnlijk stonden de gebouwen van het klooster in de noordoost hoek van het grote perceel van 16 ha, gekadastreerd Sectie A, nr. 275, en genaamd:”Het Groote Elzenbosch”.

Zuidwaarts van deze hoek, langs de voetweg die via de hoeve van Velphoven naar Lubbeek loopt, en zeer dicht bij het hoogste punt van Kerkom, bevindt zich een kapelletje. Volgens getuigenissen van inwoners van Kerkom, heeft men een 50-tal meters achter dit gebouwtje en naar het westen toe, tussen 1860 en 1870 bij het rooien van het, toen nog bebost~terrein, tamelijk imposante fundamenten in baksteen ontdekt, evenals een groot onderaards gewelf, afgesloten door een enorme arduinsteen.  

Men kan het betreuren dat niemand er op dat ogenblik aan gedacht heeft een plan op te stellen van deze grondvesten, die intussen verdwenen zijn en waarvan denkt dat ze afkomstig waren van het klooster.

Dank zij deze tekening had men zich een beter idee kunnen vormen van de gebouwen. Meer nog, enkele jaren vroeger had men op dezelfde plaats een kruisbeeld opgegraven.

Volgens historicus, Gramaye, kon men in 1606 nog duidelijk de resten van het oude klooster zien: ze staken op dit ogenblik nog boven de grond uit.
Weinig later werden de ruines volledig gesloopt en het terrein werd, samen met de fundamenten bebost.

Dit uitgestrekt domein hoorde toen zeer waarschijnlijk toe aan ridder, Gosui, Heer van Opvelp (Velp), of aan zijn ouders. Dit wordt gestaafd door het feit dat diezelfde Gosui er rond 1220, na het vertrek van de zusters, de eigendom van opeiste.
Deze ridder en zijn vrouw, Margaretha, waren diep godsdienstig zodat het niet verwonderlijk zou zijn, dat zij aan de religieuzen van Kerkom het vruchtgebruik van het domein, bestaande uit 60 hectaren gronden, weiden, bossen en heidegronden, zouden toegekend hebben.
Waarschijnlijk zullen zij ook in niet geringe mate financieel bijgedragen hebben in de bouw van het klooster.

De prelaat, Florent, van de Abdij van Cornelimunster, tiendeheffer van Kerkom, verzaakte op zijn beurt in 1212, ten voordele van de zusters, aan het tiend (=belasting), dat hij inde van het domein.
Maar, daar het domein tezelfdertijd ingeschreven was in het cijnsboek van de abdij, moesten de zusters aan de prelaat een jaarlijkse cijns Van één Leuvense penning (denier= één twaalfde van 1 sou) per bunder (bonnier) betalen.
 

Het charter van het klooster in Kerkom

Enkele jaren nadat de Cisterciënserinnen zich in Kerkom gevestigd hadden kwam het bewijs dat ze er inderdaad waren, namelijk, toen Hugues de Pierrefont, de bisschop van Luik, hun blijk van pastorale zorg meende te moeten geven.

Een charter van 1214, het oudste der documenten die de oorkondeverzameling van de abdij van Kerkom - later van 'La Ramée - uitmaken bij de Algemene Archieven van het land, verzekert de bescherming van de Orde van Cîteaux in Kerkom en roept de zegening in van de hemel voor de weldoeners van de jonge gemeenschap en verbiedt, op straf van excommunicatie, onrechtvaardigheden te begaan aan hun adres.

Dit is de korte inhoud van deze akte, die we, gezien zijn belang voor de stichting van de Cisterciënserinnen in Kerkom (Kerkehem) integraal en in haar, oorspronkelijke versie ( Latijn) weergeven.

 

" Hugo, Dei gratias Leodiensis episcopus, presentem paginam inspecturis eternam in Domino salutem. Noverprint tam presentes quam futuri quod sorores de Kerkehem, Cisterciensis ordinus, cum omnibus que juste possident, sub protectione beate Marie sanctique Lamberti et nostra suscipimus, cunctis qui eisdem sanctimonialibus intuitu divine retributiovis subvenerint orationes nostre dyocesis communicantes, sub pena etiam excommunicationis prohibemus ne quis eis injuste vexare presumat. Et ut predicta in pace et quiete conserventur, presentem paginam sigilli nostri munimine roboramus.

Datum anno Verbi incarnationis M.CC. XlII I"

Waarschijnlijk werd deze akte toegekend aan de zusters toen de bisschop, na zijn overwinning tijdens de veldslag van Steppe op Hendrik I, de hertog van Brabant, meer en meer terrein won in het centrum van Brabant, hierbij overal dood en vernieling zaaiend.

Ide de Nivelles

De  zusters van het klooster van Kerkom waren in het begin blijkbaar allen van Vlaamse origine. Zo kwam het dat ze hun instructies van hun aalmoezenier alleen in het Vlaams kregen.
In 1215 , evenwel, vroeg een Waals meisje van amper 16 jaar om toegelaten te worden tot het genootschap van Kerkom als postulante.
Zij zou later de Gelukzalige Ide de Nivelles (Ida van Nijvel) worden. Zij bleef er echter niet lang, want reeds na enkele maanden verliet Ida, samen met de andere zusters, Kerkom om zich te vestigen in het kanton van Jodoigne ( Geldenaken ), meer bepaald in het zuidoostelijk uiterste van de gemeente Jauchelette, op de oevers van de Grote Gete, die Jauchelette scheidt van Bomal.

Het klooster, waarin ze terecht kwamen, kreeg de naam van "La Ramée", omwille van de bossen die het omringden. Wat eens de beroemde abdij van 'La Ramée' zou worden,dankt haar ontstaan aan het nederig klooster van Kerkom. 
Er is heel wat te doen omtrent het feit dat de Gelukzalige Ida, en met haar, de andere Cisterciënserinnen, Kerkom verlieten.

Waarom gingen zij zich vestigen aan de oevers van de Grote Gete?
Volgens de beroemde dokter, Jean Vermeulen, meer bekend onder de naam van Molanus, schrijver in de 16de eeuw zou o.m. Ida de Nivelles aan de basis liggen van de verhuis; zij zou haar medezusters er toe aangezet hebben hun woonplaats over te plaatsen naar Wallonië, daar zij zich onmogelijk het Vlaams kon eigen maken.
Praktisch alle andere zusters zouden zich inderdaad uitgedrukt hebben in een Oud-Duits dialect, dat Ida slechts bij mondjesmaat kon aanleren. Voor haar zou dit euvel wegvallen als het genootschap de oevers van de Velpe ruilde voor die van de Grote Gete.
Niets, echter, laat toe dergelijke hypothese bij te treden.
Indien de diep godsvruchtige Ida haar geloofsgenoten niet zou hebben kunnen verstaan, zou het waarschijnlijk voor haar een reden geweest zijn om zich terug te trekken in een ander klooster, maar zeker niet om ook de andere zusters hierbij te betrekken.
Overigens kan men moeilijk aannemen dat een pas toegetreden en piepjonge postulante in zo'n korte tijdspanne zo'n grote invloed en macht op haar medezusters zou gehad hebben, dat ze de ganse gemeenschap er zou kunnen toe aanzetten tot de verhuis, alleen maar om haar ter wille te zijn.
Meer nog, dat zou bij de Gelukzalige Ida een egoïsme verondersteld hebben, dat zeker niet zou stroken met wat geweten is over haar deugden.
Tenslotte, en dit weerlegt volledig de verklaring van Molanus, is er het getuigenis van de levensbeschrijver van de Gelukzalige Ida. Deze getuigde inderdaad dat zij niet de minste moeite had bij het aanleren van het Vlaams. Men zou hier nog kunnen aan toevoegen dat, op het tijdstip dat Ida intrad in het klooster te Kerkom, het klooster van "La Ramée" reeds in opbouw moet geweest zijn, daar de zusters er reeds gevestigd waren in mei 1216.

In onderstaand toponymisch plan van de hand van Ed.Martens duidt de pijl de vestigingsplaats van het klooster der Cisterciënserinnen aan.

Waarom verlieten de zusters de vestiging in Kerkom?

We vroegen ons af waarom de zusters Kerkom verlieten.
Als eerste reden haalde de beroemde dokter, Molanus, het feit aan dat de 16 jarige zuster, later de Gelukzalige IDA, die een Walin was, last had met het Vlaams. (Ipsa autem paulatim didicit linguam teutonicam, ut tam sororibus suis quam ejusdem linguae gentibus congrue loqueretur).
Diezelfde Molanus haalde nog een tweede reden voor de verhuis aan, namelijk dat het klooster gebrek had aan water: ( et locus aquarum inopia laboraret).

Het komt ons voor dat hij een foutieve interpretatie had gegeven aan het woord 'aridus', dat de geschiedschrijver van de H.lda had gebruikt voor het aanduiden van de vestigingsplaats van het klooster:(e loco illo, quoniam quidem aridus erat).

'Aridus' betekent niet alleen droog, maar ook steriel. En, inderdaad, op de desbetreffende plaats is de grond werkelijk minder geschikt voor landbouwteelt.
Maar die onvruchtbaarheid is niet te wijten aan een gebrek aan water,want niet alleen daar, maar ook op het ganse grondgebied van Kerkom moet men slechts tot op geringe diepte graven om op water te stoten.
Bovendien bevindt er zich een bron op zowat 100 meter afstand, oostwaarts van de plaats waar het klooster stond, praktisch op dezelfde hoogte. Indien de grond er van zeer slechte kwaliteit is, is dit het gevolg van zijn geologische samenstelling: hij heeft namelijk een groot tekort aan voedende bestanddelen.
Deze vaststelling werd bijgetreden door baron O.Van Ertborn en Paul Gogels, die het geologisch plan van Lubbeek en Omstreken hadden opgesteld, dat in 1880 werd gepubliceerd door het Militair Cartographysisch Instituut.
Op dit plan kan men duidelijk zien dat, net op die plaats, de tertiaire gronden, waaraan prof.Dumon van Luik de naam 'Bolderiaan' heeft gegeven, aan de oppervlakte komen.
Deze tertiaire gronden bestaan hoofdzakelijk uit zand en keien, terwijl elders de quaternaire grondlagen, die de plantrijke en vruchtbare gronden
van Haspengouw uitmaken, aan de oppervlakte liggen.
De zienswijze van deze geologen klopt dus grotendeels met die van de geschiedschrijver van de H.lda van 6 eeuwen geleden.
In feite was de inplantingplaats dus wel ongunstig.
Het kon ook zijn dat het klooster te klein geworden was om de toevloed van het grote aantal postulanten op te vangen, die zich tijdens die periode van godsdienstige ijver aan God wilden wijden.

La Ramée

Het dorp Jauchelette, waartoe het gehucht 'La Ramée' behoorde, hing vroeger af van twee Heren, die er hun rechtsmacht uitoefenden: de Heer van Jauche of Grand-Jauche en de Abdis van Sinte Gertrude van Nijvel.
In die tijden was de Heer van Jauche een dapper ridder, met name Gerard.
Hij had deelgenomen aan de vierde kruistocht en zijn dochter, Helwide, was abdis te Nijvel. Hun vrijgevigheid deed het kleine genootschap van Kerkom besluiten zich op hun eigendom in La Ramée te gaan vestigen.
Volgens een overlevering van de kloosterlingen van La Ramée, verhaald in een document van 1787, hadden zij de grond, waarop hun klooster stond, deels gekregen van de Abdis Helwide door een concessie van 1215, en deels van Gerard.
De akte van 1215 is blijkbaar verloren, maar het handvest van Gerard, dd mei 1216, maakt deel uit van de archieven van 'La Ramée', die bewaard
(zijn in het Rijksarchief.
Hierin leest men dat de Heer van Jauche aan het nieuwe klooster als bijkomende gift een bos schonk, genaamd St Bernard, en ook de tiende afstond . van Piétrain en van Marilles en van hun afhankelijkheden, alsook het patronaat der kerken van die dorpen. Die giften zijn bevestigd door een handvest van de bisschop van Luik, Hugues de Pierpont, in 1218 gestuurd aan de Abdis van het klooster 'La Ramée.
Daar waar de vestiging van de Cisterciënserinnen te Kerkom zeer onduidelijk is qua tijdstip, is dit niet het geval wat betreft hun vertrek naar La Ramée.
Volgens de geschiedschrijver van de H.Ida, die bijna haar tijdgenoot was, zou zij in het klooster van Kerkom getreden zijn op 16 jarige leeftijd, namelijk rond maart 1215, vermits zij stierf op 11 december 1231 op de leef
tijd van 32 jaar en 9 maanden en na 16 jaar en 9 maanden van kloosterleven, en het in het jaar zelf van haar intrede in het klooster, ttz. vóór het feest van Pasen van het jaar 1216, (daar in die tijden het jaar begon met Pasen) dat de overbrenging van de zustergemeenschap van Kerkom zou plaats gehad hebben.
Overigens, een keure van Florent, prelaat van de Abdij van Cornelimunster, gedateerd 1216, maar zonder aanduiding van de maand, toont eveneens aan dat op die datum de Cisterciënserinnen van Kerkom reeds in La Ramée waren gevestigd. Die keure getuigt dat een zekere Gerard van Cumptich een gift heeft gedaan aan de zusters van La Ramée..sanctimonialibusde Rameia..) van een tiende, die hij als leen had van deze abdij.
 

Over geldkwesties

Na hun vertrek uit Kerkom hadden onze zusters zeker gehoopt dat zij verder zouden kunnen rekenen hebben op de inkomsten van het domein van Velphoven, dat ze pas verlaten hadden.
Zij beschouwden zich, indien niet als eigenaressen, dan toch minstens als eeuwigdurende vruchtgebruiksters.
Dit kan men afleiden uit hetgeen de geschiedschrijver van de H.Ida schreef namelijk, dat zij bij het begin van de oogst gedurende enkele dagen naar Kerkom
kwamen om de staat van de oogst op te nemen.
Maar zij hadden buiten de waard gerekend van ridder Gosuin van Opvelp (of Velp). Deze eiste de eigendom op van het domein, dat waarschijnlijk van zijn voorouders voortkwam.
Van de andere kant moest de toestand van het klooster 'La Ramée' geregeld worden ten overstaan van de prelaat van Cornelimunster, die op dit goed een cijns opeiste. :
Daar de partijen niet tot een akkoord konden komen, legden zij hun geschil voor aan de paus. Deze onderwierp het aan het oordeel van 3 leden van het  kapittel van O.L.V. van Aken, namelijk, deken Sibodon en 2 kanunniken, Frederic en Herbert. Deze brachten in november 1225, met de toestemming van de belanghebbenden, hun scheidsoordeel uit. Deze beslissing gaf het betwiste goed terug aan de Heer van Opvelp.
Nochtans moest deze de abdis van La Ramée als zijn onmiddellijke opperheer erkennen en haar als teken van leenplicht dezelfde jaarlijkse cijns betalen als die zij van haar kant betaalde aan de prelaat van Inde, nl. een Leuvense duit per bunder (ca 1ha 30).
Deze schikking, die aan de zusters van La Ramée slechts een platonische voldoening schonk en zonder stoffelijk voordeel voor hen, schijnt nochtans niet lang in voege te zijn gebleven, want in de oudste cijnsboeken van de prelaat van de Abdij van Inde, die dateren uit de tweede helft van de XVe eeuw, staat het goed Velphoven niet meer op naam van de Abdis, maar op naam van zijn ware eigenaar. Men moet dus veronderstellen dat de leencijns rechtstreeks door deze laatste aan de ontvanger van de prelaat werd betaald zonder tussenkomst van de Abdis.
Wat er ook van zij, het betwiste eigendom ging over in de handen van de Heer van Velp en het is zo goed als zeker dat de naam 'Velphoven' (=Hof van Velp) en die we voor de eerste keer in de 14e eeuw tegenkomen, zijn oorsprong heeft bij deze machtige familie.
Zo de zusters van La Ramée de inkomsten verloren van dit groot domein, toch behielden zij er de tienden van waaraan de prelaat van Inde, de grote, tiendenheffer van het dorp, ten hunne voordele in 1212 had verzaakt.
Deze tienden, weliswaar, werden
hen. betwist in de 14e eeuw door ridder Godfried van Spadebeke, die toen eigenaar was van Velphoven, maar de keure van 20 juli 1352 heeft ons de uitslag bewaard van een onderzoek, gedaan op bevel van de schepenen van Kerkom en stelt vast dat, volgens mensenheugenis de zusters van La Ramée altijd op dat goed de graantienden hadden geïnd en ook die van de wol der schapen en lammeren die men er kweekte.
Het schijnt nochtans niet dat het klooster die laatste tiende is blijven ontvangen, maar, zoals blijkt uit een inkomstenlijst, ontving het klooster nog in 1787 de grote tiende of graantiende op 10 bunders die waarschijnlijk het bebouwde deel van het goed uitmaakte en die tiende, onder beheer gesteld, bracht 20 florijnen op.
De pastoor van Kerkom, van zijn kant, die van het begin van de 16e eeuw in zijn parochie niet alleen een derde der tiende opeiste maar ook de kleine tienden ontving op de afhankelijkheid van Velphoven geen enkele bijdrage van dit soort. Slechts ieder jaar, tot het einde van de 18e eeuw, ontving hij van de Abdij La Ramée, door tussenkomst van de huurder van de hoeve, een rente van 2 muiden of 60 liter rogge voor het opdragen van een jaargetijde.
Een lijst van inkomsten van de pastoor in 1739 zegt uitdrukkelijk dat het voor de goederen van Velphoven is, dat die bijdragen nog altijd betaald werden door het klooster, die deze sedert 5 eeuwen niet meer bezat. Waarschijnlijk werd die bijdrage geïnd op de tiende die de zuster toekwam. ( Deze tiende was alles wat aan het klooster La Ramée overbleef van het grote domein dat het verloor in 1225.
Maar weldra zou de vergoeding komen. Het was de familie van de ridders van Kerkehem die ze hen schonk.
Een keure van mei 1261 leert ons waarin de vergoeding bestond, waarvan de toekenning waarschijnlijk ouder is dan die datum, vermits het document waarvan sprake, op aanvraag van de Abdis van La Ramée, slechts als voorwerp heeft, de goederen op te sommen die het klooster te Kerkom en omliggende bezit.
Die keure is van ridder Jean de Kerkehem. Ze bevestigt eerst dat het klooster, met als last een jaarlijkse cijns van 1 duit te betalen, een huis of hoeve bezit bij de kerk, waarvan de grond voor een helft aan de steller
der keure behoort door erfenisrecht en dat deze het
recht behoudt het naar believen af te breken.
Het gaat hier waarschijnlijk, geloven we, niet zo zeer om het Hof van Kerkhem, wieg van de gelijknamige familie, omdat in de 15e eeuw we zien dat een afstammeling van hetzelfde geslacht een stuk goed afstaat aan Jean De Witte van Leuven, maar minstens om een 'bijgebouw' of iets dergelijks van deze eigendom, gelegen dicht bij de kerk.
Inderdaad, in de cijnsboeken van de prelaat van Cornelimunster van
1521 en van 1632 zien we dat de Abdij van La Ramée voorkomt tussen de eigenaars van terreinen, die gelegen zijn op het (klein) stuk veld, 'Boschveld', dat aanleunt bij het Hof van Kerkhem.
Daarna verliezen we het spoor van dit perceel, waarop de woning(?) stond waarvan sprake is in het charter en die praktisch zeker sinds eeuwen afgebroken is. 
In vroeger vernoemd charter staat ook dat buiten deze woning nog tot het klooster behoren 3 bunders weiden, waarvan een deel gelegen is in Vissenaken, aan de grens met Kerkom, en 14 bunders bebouwbare gronden waarvan er 6,5 onderworpen zijn aan een stelsel van huurcontract waarbij de pachter enerzijds de helft van de oogst van 4 bunders en anderzijds een derde van de resterende 2,5 bunders afstaat.
Deze 17 bunders gronden werden in volledige eigendom afgestaan aan het klooster. Men vindt deze gronden, 5 eeuwen later, praktisch volledig terug in een lijst van de goederen van 'la Ramée', opgesteld in 1787. Deze relevé vermeldt onder Vissenaken 1,5 bunders weiland en, Kerkom en Butsel, 14 bunders en 105 kleine roeden van landerijen en weiland: al deze goederen waren in huur bij Henri Wera van Butsel en diens vader voor een bedrag van 210 florijnen.
Dit wijst er duidelijk op dat de regeling, in 1261 getroffen aangaande een
gedeelte van deze gronden, niet meer gerespecteerd was.
Deze goederen, in totaal een vijf tiental verschillende percelen, lagen verspreid in de velden, genaamd 'Meezenakker' en 'Schouboschveld', die deels toebehoren aan de parochie van Kerkom, deels aan die van Butsel.
Hetzelfde charter van 1261 vermeldt naast deze onroerende goederen nog op het actief van de kloosterlingen de tiendebelasting op de allodiale (= niet-leenroerige) goederen die een zekere Arnould de Kerkhem bezat te Kumtich, evenals een rente van 10 duiten, te betalen door de pachters van deze goederen.
Bovendien, engageerde Jean de Kerkhem zich, aan het klooster over te maken, een
rente van 3 'sétiers' ( 1 sétier = 156 l.), rogge, maar, daar tegenover moest het klooster hem een jaarlijkse grondcijns van 15 duiten betalen.
Tenslotte vermeldt het charter een cijns,die de geestelijken zullen moeten betalen, door enkele terreinen die hen toevertrouwd waren, aan een inwoner van Breisem en aan de Abt van Sint-Truiden, en daarnaast een rente van 40 duiten, die ze elk jaar zullen moeten betalen aan de prelaat van Cornelimunster. Alle goederen, waarvan zij de erkende eigenaars waren, stonden immers ingeschreven in de cijns-, en feodale boeken van de prelaat.
Hierbij moet evenwel opgemerkt worden dat het klooster van 'la Ramée' in de 16e en 17e eeuw slechts voor een cijns van 18,5 stuivers ingeschreven is in de boeken, als hypotheek enkel en alleen op een stuk grond.
Waarschijnlijk zullen de kloosterlingen de rest van de rente, die het charter van 1261 hun had opgelegd, terug aangekocht hebben.
De inhoud van het charter, dat we even doorgelicht hebben, doet ons geloven dat alle vermelde royaliteiten uitgaan, niet van de schrijver zelf van het document, maar van Arnould de Kerkhem, waarschijnlijk een broer van Jean.
Onder deze royalty’s komt inderdaad de tiendenheffing voor van de goederen, die voornoemde Arnould bezat te Kumtich.
We denken dat deze laatste aan de religieuzen, buiten deze tiendenheffing, zal afgestaan of nagelaten hebben het geheel van de goederen, die hij bezat te Kerkom en, als Jean de helft van de eigendom van het terrein waarop de woning stond, die afgestaan werd aan het klooster, voor zich houdt en indien hij op eigen houtje de betaling eist van een jaarlijkse cijns, wordt het klaar dat dit goed onverdeeld was tussen hemzelf en Arnould.
Dertig jaren later, nl. op 28 maart 1291, verscheen een nieuw charter. De auteur ervan was een andere ridder, Arnould de Kerkhem, waarschijnlijk een zoon van Jean.
Dit charter zou zekere beschikkingen van het voorgaand charter ofwel veranderen ofwel vervolledigen.  

CHARTER VAN 28 MAART 1291.

Universis presentes litteras inspecturis, WALTERUS DE HAM et WALTERUS DE BUNCKERNE scabini Thenenses, salutem cum noticia veritatis.

Notum facimus quod coram nobis ad testificandum vocatis constitutus Dominus ARNOLDUS DE KERKHEM miles recognovit quod universa bona que abbatissa et conventus de Rameya, cysterciensis ordinis, tenent iu villa de Kerkem et que desendunt de curia ipsius Arnoldi, iidem abbatissa et conventus tenent et deinceps tenebunt pro quinque denariis lovaniensibus liberi census an- nis singulis persolvendis tempore qou in dicta curia sua census solvi consuevit, et hoc absque institutione mansionarii.

Promisit quoque idem Arnoldus quod deinceps a dictis abbatissa et conventu mansionarium ratione dictorum bonorum non exiget neque petet.

Insuper recognovit dictus miles se debere predictis abatisse et conventui dimidium modium siliginis in villa de Kerkem pagabilis annis singulis here- ditarie persolvendis. Promisit quoque quod dictam pensionem assignare ad certum fundum et ipsos investire in dicto fundo coram suis mansionariis et in curia rite, ita quod dictus fundus sufficiat ad valorem dicte pensionis, hoc tarnen addito quod quandocumque idem miles in parrochia de Kerkem dictis religiosis dictam pensionem ad alium fundum conpetentem et bene valentem assignaverit, ita quod eis sufficiat, fundus suus erit a predicte pensione exorneratus et liberatus, et dicti religiosi alia assignatione dicte pensionis sibi sufficienter facta de predicto fundo sibi coram mansiona- riis militis assignato Beu assignando manus deponent et ipsum fundum qui- turn clamabunt. In quorum rerum testimonium sigilla nostra duximus appo- nenda. Actum et datum anno domini m;cc nonogesimo, feria tertia post Annunciacione Domini (28 maart 1291).

Arnould herkent de rente van een halve mud (vat) of van 3 sétiers ( = 3 X 156 l.) koren die hij het klooster moet op grond van het charter van 1261 en belooft een hypotheek te nemen op een van zijn eigendommen naar eigen keuze.
Anderzijds, de rente van 15 duiten, die het vorig charter oplegde aan de gemeenschap om betaald te worden aan de familie van Kerkhem, wordt gereduceerd tot 5 stuivers.
De religieuzen van 'la Ramée' hebben vreedzaam genoten tot de opheffing van hun gemeenschap in 1796 van de gronden en weilanden waarvan het charter hen als eigenaars “erkende", en van enkele andere goederen die ze later verwierven. Zo kochten ze o.a. in de 17e eeuw van de priorij van St-Martinus te Leuven een weide die gelegen was in de 'Hardenbeemden', met kadastrale legger SECTIE B nr 30.
Hun goederen werden in beslag genomen door de Franse regering.
Het betrof 16 percelen met een totale oppervlakte van 15 bunders en 50 kleine roeden (ttz. 19 hectaren 72 aren), inbegrepen een perceel onder Kumtich, op de grens met Kerkom.
Zij werden verkocht als nationale goederen op 3 januari 1800 (13 nivêse van het jaar VIII) en in blok toegewezen aan Victor Boden, aannemer van verschillende diensten ten behoeve van het Italiaans leger, dit alles voor een spotprijs van 4050 Bef, hetzij 205 fr per hectare, daar waar de experts van de administratie der domeinen een prijs hadden vooropgesteld, reeds onder hun reële waarde van 11040
ponden.
 

Wat overblijft na 7 eeuwen: spookverhalen.

Een pauze van haast 7 eeuwen - longue oevi spatium- heeft bij de inwoners van Kerkom niet de herinnering kunnen wegvagen aan het bestaan, nochtans lang geleden, van een klooster van kloosterlingen in een bijgebouw van de hoeve van Velphoven.
Wat voor velen er toe heeft bijgedragen om de Cisterciënserinnen in gedachten te bewaren, is het feit dat de ruïnes van het klooster, zoals o.m. door GRAMYAE,en andere schrijvers na hem werd bevestigd, gedurende lange tijd zichtbaar gebleven zijn.
Mede dank zij de verbeelding hebben deze ruines aanleiding gegeven tot de meest fantastische verhalen, zoals dat vaak voorkomt bij ruines van oude kastelen.Legio waren de mensen die er stellig in geloofden dat de zusters van vroeger van tijd tot tijd terug kwamen ronddwalen als zielen, die bezorgd waren om hun vroegere verblijfplaats.
Dikwijls, zo beweerde men, zag men er met de schrik in het hart, in de duisternis van de nacht witte spoken ronddwalen tussen de bomen of in de onmiddellijke omgeving. Nu nauwelijks honderd jaren geleden, zo zegt men verder, zouden landbouwers het niet gewaagd hebben om na het vallen van de duisternis gebruik te maken van het wegeltje dat liep van de hoeve van Velphoven naar Lubbeek, dat op korte afstand van het gewezen klooster liep.

De oversten van het klooster

Uit de geschiedschrijving hebben we de oversten (Mères supérieures) niet kunnen achterhalen, die aan het hoofd gestaan hebben van deze gemeenschap gedurende de korte periode van 8 tot J5 jaren, dat zij bij ons waren.
De eerst gekende abdis van 'la Ramée', zij die de Abdij leidde in 1232, was Béatrice. Wij weten niet of zij het abdijkruis naar Kerkom heeft gebracht.
Alvorens te stoppen met onze Cisterciënserinnen, willen we nog enkele: bio- en bibliografische details vermelden over de Gelukzalige Ida van Nijvel. :
Men mag deze Ida, echter, niet verwarren met twee andere Cisterciënserinnen ; met dezelfde naam, die evenals Ida van Nijvel in een waas van heiligheid ~ zijn gestorven: de Gelukzalige Ida van Zoutleeuw die op 29 oktober ca 1260  overleed in de Abdij van 'la Ramée', en de Gelukzalige Ida van Leuven, overleden op 13 april 1300 in het klooster van Roosendael, onder Wavre-Sainte-Catherine.

Al wat men weet over het leven van de Gelukzalige Ida van Nijvel zit in 2 handschriften, geschreven in het Latijn en op perkament, die zich bevinden in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel en waarvan het ene slechts de tekstuele reproductie is van het andere. De onbekende schrijver van deze bibliografie heeft geleefd in dezelfde eeuw t als de Gelukzalige Ida van Nijvel.

Het oudste van deze manuscripten is opgesteld in een schrijfwijze van de XIIIe eeuw. Het draagt als titel: 'Vitavenerabilis Idae sanctimonialis de Rameya' en omvat de 58 eerste bladzijden van de Codex die in de Koninklijke Bibliotheek de nummers 8895-8896 draagt,terwijl de rest van het manuscript gewijd is aan de Gelukzalige Ida van Zoutleeuw. "
Deze Codex hoorde destijds toe aan de Abdij van 'la Ramée', waar deze twee religieuzen geleefd hadden: van daar uit werd de Codex overgebracht naar de bibliotheek van de paters Bollandisten.

Het andere handschrift dateert van het begin van de 14e eeuwen draagt; als titel: 'Vita ancillae Christi sanctimonialis de Rameia". Het beslaagt de bladen 146 tot 178 van een Codex van 239 bladen.
Deze 2de Codex behoorde eerst toe van de Abdij van Terlanen bij Brussel en werd dan overgebracht naar de bibliotheek van de Bollandisten om uiteindelijk terecht te komen in de Koninklijke Bibliotheek van België.
Deze biografie, waarvan er dus 2 kopieën bestaan, is ingedeeld in 34 hoofdstukken. De schrijver weidt vooraf uit over de deugden van de Gelukzalige Ida van Nijvel, over haar ijver voor de bekering van de zondaars, over haar liefdadigheid, over haar vurige liefde voor de H.Eucharistie, over de verrukkingen en de visioenen waarmee zij was begunstigd en over haar heilige dood.
Aan het slot van de 34 hoofdstukken, die handelen over de biografie van de Gelukzalige Ida, bevindt zich een paragraaf waarin gewag wordt gemaakt van een tiental wonderen, die na haar dood geschiedden en toegewezen werden aan haar voorspraak.
Het godsdienstige leven van de Gelukzalige Ida heeft zich praktisch integraal afgespeeld in het klooster van 'la Ramée', de parochie van Kerkom heeft slechts haar beginperiode meegemaakt.
Kerkom moet haar wel terug gezien hebben,daar zij er vaak terug kwam, samen met de andere zusters, nl. tijdens de oogsttijd. Zij verbleef dan een week of zo in Kerkom en logeerde ongetwijfeld in de gebouwen waarin eens de gemeenschap gevestigd was, dus dichtbij de hoeve van Velphoven.Zij profiteerde telkens van de gelegenheid om zieken te bezoeken en te verzorgen.
In hoofdstuk 11 haalt haar geschiedschrijver het volgende verhaal aan.
Tijdens een van haar verblijven in Kerkom leed zij sterk onder het feit dat zij de H.Communie niet kon ontvangen telkens als zij het wenste. Op een zekere dag, echter, was zij buiten zichzelf van vreugde omdat ze de H.Communie wél had kunnen ontvangen uit de handen van een priester.
Deze had in het bijzijn van de H.lda de sacramenten der stervenden toegediend aan een doodzieke vrouw; Daar deze de hostie niet kon inslikken, die de priester haar gaf, was hij verplicht de hostie terug uit de mond van de zieke halen. De Gelukzalige Ida smeekte de priester dan om de gunst zelf de hostie te mogen ontvangen.
De voornoemde biografie werd gedrukt in de 17de eeuw door de zorgen
van een Spaanse religieus, pater Chrysostome Henriquez, van Huerta, dokter in de theologie en algemeen geschiedschrijver van de Orde van Cîteaux.
Dit werk van 474 bladzijden verscheen in 1630 bij de boekhandelaar J.Cnobbaert in Antwerpen en droeg als titel: 'Quinque prudentes Virgines sive B.Beatricis de Nazareth, B.Aleydis (Alice) de Scharenbecka (Schaerneek), B.ldae de Nivellis, B.ldae de Lovanio, B.
Idae de Lewis(Léau), ordinis Cisterciensis, praeclara gesta, ex antiquis M.S. eruta'.
Het leven van de Gelukzalige Ida van Nijvel, dat in het boek de bladzijden van 199 tot 297 beslaat, is slechts een tekstuele weergave van de manuscripten van de Koninklijke Bibliotheek.
Nochtans heeft Henriquez een zeker aantal, min of meer belangrijke, passages van de biografie vergeten te vermelden.
Onder deze vergeten passages zouden de voornaamste ervan, nl. deze die de paters Bollandisten het belangrijkst achtten, -een vijftien tal in totaal- achteraf vermelden in 1889 op de bladzijden 222-226 van hun: 'Catalogus Codicum hagiographicorum Bibliothecae regiae Bruxellensis, Pars I. Codices latini membranei.T.II.(Bruxelles-Polleunis).

De geleerde,dr. Jean Vermeulen of Molanus, die in 1585 overleed, maakt melding van de Gelukzalige Ida in zijn beroemde Belgische hagiographische Calender 'Natales Sanctorum Belgii', gedateerd van 11 december.
In de korte nota, die hij aan haar wijdt, handelt hij over de manier waarop men die tijd aan de Abdij van 'la Ramée' de herinnering aan de Gelukzalige Ida vereerde.
De relikwieën van Ida van Nijvel waren opgesloten in een kast en werden bewaard in een zijkapel van de kerk van het klooster. Haar schedel, gewikkeld in een zijden doek, werd ter gelegenheid van de feestdagen geplaatst op het altaar van het koor van de zusters. Als dezen de litanie van alle heiligen zongen, voegden zij er de naam van de H.Ida aan toe: zij kwam steeds na de H. Agnès.
De verjaardag van haar dood was voor hen een hoogdag. Men versierde de kerk: alle zusters ontvingen de H.Communie en onthielden zich van slaafse werken, terwijl een priester de Gelukzalige prees en gedurende verscheidene dagen voor las uit het leven van de H.Ida.

Waarschijnlijk is het klooster van 'la Ramée' de Gelukzalige Ida van Nijvel blijven eren en dit tot de gewelddadige opheffing van het klooster door de Fransen op 22 oktober 1796.

Wat is er tijdens die woelige en noodlottige periode geworden van de relikwieën van de Gelukzalige Ida, zij die zo vurig vereerd werd?
Niemand weet het. In ieder geval, men heeft ze nooit teruggevonden, noch in de geboortestad van de Gelukzalige, noch in de parochie van Jauchelette waartoe het klooster van 'la Ramée' behoort.
Het enige souvenir, dat van haar zou kunnen bestaan in deze parochie, is een kleine fontein, die zich bevindt in de oude tuinen van de Abdij en die de naam draagt van 'fontaine Ida'.
Men kan zich terecht afvragen waarom noch de parochie van Jauchelette, waar de Gelukzalige Ida van Nijvel het tweede gedeelte van haar leven heeft doorgebracht, noch de parochie van Kerkom, die getuige is geweest van het begin van haar godsdienstig leven en tenslotte noch de stad Nijvel, die de H.Ida gekend heeft als kind, het zich later niet méér ter harte hebben genomen om, weliswaar mits de toestemming van de diocesane overheid, de cultus van de Gelukzalige Ida van Nijvel te doen herleven.

P.S. -

Ter elfder ure vernemen we dat eerlang een pijpleiding zal gelegd worden tussen Zeebrugge en Duitsland. Langs deze leiding zal aardgas, afkomstig van Noord Afrika, overgebracht worden naar onze oosterburen.
Welnu, zij zal door Kerkom lopen, meer bepaald op de plaats waar in de XIIIe eeuw het klooster van Cisterciënserinnen gevestigd was.

Dit wordt dan voer voor onze kring.

BibIiografie.: 

  • Monographie de la Paroisse de Kerkom :Edoard MARTENS 

  • Géographie et Histoire des Commune Belges arrondissement de Louvain II /Wauters Winkler Prins

  • BibI.: Monographie de la Paroisse de Kerkom:Edouard Martens

door  Robert Geysens

Terug naar "artikels"

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany