Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

Artikel: Jaargang 1999, nummer 6
"
Planten anders bekeken, deel 2."

 

Wie in de voorbije zomer een bezoek gebracht heeft aan onze kruidentuin, kon vaststellen dat Louis en Guy hun tuinonderhoud grondig hebben uitgevoerd. Inderdaad, voor de Dag van het Park op 30 mei 1999, diende alles er "netjes" uit te zien want dan kwamen er immers veel bezoekers. Dit ging echter niet zonder veel arbeid en doorzettingsvermogen. Toen wij even op verkenning gingen om te zien of alles tijdig zou klaarkomen, dachten wij dat men bij vergissing loopgraven aan het maken was midden in onze kruidentuin. Toen bleek echter dat het woekerende groot hoefblad, het noodzakelijk had gemaakt, 50 cm diep te gaan om met wortel en al uitgeroeid te worden.

Het resultaat van de werken in onze kruidentuin was prachtig zodat onze kruidengidsen terug met fierheid hun taak konden vervullen bij het rondleiden van de talrijke bezoekers. Sommigen onder ons maken reeds plannen om nieuwe kruiden in de vrijgekomen ruimten aan te planten. Het is ook niet te verwonderen dat wij hier vaak studenten aantreffen die voor hun studies even de kennis van de planten aan de praktijk komen toetsen. Op zondag 29.08.99 waren er trouwens nog een vijftigtal leden van de "Bond van grote en jonge gezinnen" op bezoek. Louis en Harry gaven hun weekend plannen op om ervoor te zorgen dat al deze mensen op een aangename manier in de geheimen van de plantenwereld ingewijd werden.

Maar laten wij nu even terugkeren naar de maand april 1999. Elk jaar opnieuw, na de winterperiode, wanneer de eerste nieuw ontluikende groene scheuten zich een weg banen naar het zonlicht, tronen hoog boven de kruidentuin, de verdroogde stengels en bloemenschermen van de Grote Engelwortel. Als herinnering aan een weelderig groeiende plant van het vorige jaar ( hij is twee- tot vierjarig) wordt gewacht op een hevige windstoot om doormidden te breken en zo compost te gaan vormen voor de volgende generatie, die zich trouwens reeds op verschillende plaatsen tot een hoogte van 20 cm, uit het verspreidde zaad heeft ontwikkeld.

In onze regio heeft de grote engelwortel zich pas sedert 1934 gevestigd, na zich spontaan uit de Europese gebergten te hebben verspreid. Oorspronkelijk schijnt hij afkomstig te zijn uit het Midden-Oosten. Nog algemener is de Gewone Engelwortel die wel bescheidener is van uiterlijk en ook minder geurend. De eigenschappen van beide soorten lijken op elkaar.

De grote engelwortel wordt tot 2,5 m groot. Wanneer hij in volle bloei staat in onze kruidentuin, gonzend van de bijen, geeft hij een majestatische indruk.

De legende verhaalt dat aartsengel st. Rafaël in de 10de eeuw in een droom aan een monnik is verschenen om hem erop te wijzen dat dit kruid de pest kon genezen. Zo ontstond de naam Engelwortel of Engelkruid en de medicinale toepassing tegen de pest. Men geloofde ook dat dit kruid vergiften neutraliseerde en de levensduur verlengde. Engelwortel gold ook als een versterkend middel met bovennatuurlijke eigenschappen. Niet alleen de pest maar ook infectieziekten als tyfus werden ermee bestreden.

"Angelicawater" wordt genoemd in een pamflet dat in 1665, het jaar waarin in Engeland de pest heerste, door het "Royal College of Physicians" werd verspreid. De plant werd eveneens gebruikt tegen "beten van dolle honden" en tegen de boze krachten van heksen.

Ook de Indianen gebruikten een kompres van fijngemalen engelwortel bij pijnlijke zwellingen. Het kompres werd aan de andere kant van het lichaam aangebracht en zou de pijn door het lichaam trekken en vervolgens verdrijven. De jagers gebruikten engelwortel als amulet.

In onze tijd wordt engelwortel gebruikt als huismiddel bij indigestie, slechte eetlust, winderigheid, misselijkheid en maagkolieken, ook bij pijn door vertraagde menstruatie. Het is ook een gebruikt middel bij bronchitis, hoesten met hardnekkig slijm en astma. Ook bij keelpijn, verkoudheid, griep en koorts, uit recent onderzoek zou blijken dat de plant uitzaaiing van kanker zou kunnen tegen gaan.

Engelwortel heeft een aangename en karakteristieke geur. Wereldwijd bestaan er 70 soorten. Hij wordt overal gekweekt voor gebruik als keukenkruid. Alle delen zijn aromatisch en smaken naar zoethout. De hoofdnerven der bladeren kan men eten als selderij. De bladeren vormen een geurige toevoeging bij salades. Zaadextract en vluchtige olie uit de wortels en stengels gebruikt men voor het aromatiseren van roomijs, suikerwerk, gebak, puddingen, siroop en alcoholische dranken. Engelwortel wordt vaak gebruikt om de likeuren chartreuse en benedictine op smaak te brengen en is ook een ingrediënt van gin en diverse parfums. Olie van de zaden wordt dan ook toegevoegd aan bepaalde tandpasta’s.

PAS OP

Mijd de zon na het gebruik van engelwortelolie om irritatie van de huid te voorkomen. Als U zwanger bent of bij suikerziekte, kunt U deze olie beter niet gebruiken. Bij overmatig gebruik kan het dan weer werken als een verdovend middel en de bloedsomloop vertragen.

En wie nu nog steeds denkt dat hij nog nooit engelwortel heeft genuttigd mag het nu wel voor altijd vergeten. Inderdaad, de lekkere, groene stengels in gesuikerd gekonfijt fruit zijn niets minder dan stukjes engelwortel. En zo zie je maar dat je nog elke dag iets verrassend kunt bijleren. Dit jaar gooide de verdroogde grote engelwortel zijn schaduw echter niet meer alleen over de kruidentuin uit. Twee enorme Toortsen (of Koningskaarsen) waren nog hoger uitgegroeid en toonden met fierheid hun stevig, droog skelet aan de bezoekers en wandelaars van het domein van Kwabeek. Het is inderdaad opmerkelijk hoe zij soms in een winters landschap getuigen van hun levende aanwezigheid in het voorbije jaar. Misschien is het daardoor dat in de Oudheid, Plinius* ze opmerkte en ze voor medische doeleinden liet gebruiken. Hij ried het gebruik ervan aan bij beschadiging en irritatie van de luchtwegen.

Wij mogen deze verdroogde toortsen zo maar niet weggooien. Wij zullen ze moeten bewaren voor onze bakkersgilde. Inderdaad, voeger gebruikte men ze voor het verwarmen van de bakkersoven en zo zouden wij dus terug een oude traditie in ere kunnen herstellen. Voor nieuwe, jonge toortsen is het echter nog te vroeg. Ze wachten nog op betere tijden om te ontkiemen.

KoningskaarsDe naam koningskaars is een vertaling van de oude Latijnse benaming "Candelia regia" die duidde op de statige, kaarsvormige bloeiwijze. De bloeistengels in vet, hars of pek gedrenkt werden als fakkels of toorts gebruikt vandaar dan ook de naam "toorts" en "kaars". Eén van de volksnamen ervan is "Fleuriskruid": in de omgeving van Gent maakte men borst thee van deze plant.

De Latijnse naam is Verbascum Thapsus L.. Verbascum is een verbastering van "Barbascum": de "baardige" naar de behaarde bladeren en stengel. "Thapsos" was een plant die op het eiland Thapsos voorkwam en gebruikt werd om stoffen geel te verven; naar deze eigenschap werd de naam overgebracht op de koningskaars (werd dus ook reeds sinds de oudheid gebruikt als verfstof.

Vroeger geloofde men dat het bij zich dragen van een stukje stengel de persoon in kwestie beschermde tegen een beroerte. Vond men een koningskaars op het graf van een overledene, dan betekende dit dat zijn ziel nog in het vagevuur vertoefde en een bedevaart nodig was. De bladeren van deze plant werden in het verleden eveneens gebruikt voor het vervaardigen van lampenpitten. In de geneeskunde worden van deze tweejarige plant de bloemen en de bladeren gebruikt.

Onder de naam koningskaars worden vaak 3 à 4 soorten toortsen door elkaar gehaald, maar medisch heeft dit geen nare gevolgen, want ze hebben allemaal dezelfde eigenschappen. Zij werken afkoelend, bloedzuiverend, hoestdempend (zeker tegen kriebel- en prikkelhoest), kalmerend, urineafdrijvend en verzachtend. Ook winterhanden en -tenen worden ermee behandeld. Het gebruik van toortsbloemen blijft in de praktijk vrij beperkt, al is hun geneeskracht tamelijk veelzijdig. Ze worden ook wel eens toegepast bij zeer pijnlijke aambeien (ook als uitwendig lavement) en bij oogontstekingen (in dat geval kompressen maken van thee.

Bij het gebruik van deze plant is het echter raadzaam om, alvorens een aftreksel te gebruiken, dit door een fijn geweven doek te filtreren. Zodoende verwijdert men de haren die van de kelk, meeldraden of bladeren afkomstig zijn en keel, darmkanaal, enz., kunnen irriteren.

 

* Plinius, Caecilius Secundus, Gaius (de oude) 23 - 79 na Christus.
Romeins officier van de ruiterij in Germanië, procurator van Spanje onder Keizer Vespasianus en Latijns schrijver. Het enige van zijn vele geschriften dat bewaard is gebleven, is een document over natuurwetenschappen in de antieke wereld, de "Naturalis Historia", een niet erg kritisch opgevat werk in 37 boeken. Hij behandelt hierin de kosmologie, geografie, levensverrichtingen van plant en dier, geneeskunde, mineralogie, geschiedenis van de kunst, enz. Hij was echter geen filosoof, noch wetenschapper. Hij was admiraal van de Myceense vloot tijdens de uitbarsting van de Vesuvius. Hij vond de dood toen hij zich naar het terrein van de ramp begaf om dit te bestuderen.

 

door Harry Delvaux

terug naar artikels

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany